Begrijpelijke theorie, oefenvragen, games en examentraining — voor alle klassen.
Log in met je stamnummer en ga direct verder.
Stamnummer = je wachtwoord ·
Econivo is hét online leerplatform voor leerlingen van mavo, havo en vwo. Ontdek economie met begrijpelijke uitleg, interactieve opdrachten, praktijkvoorbeelden en slimme oefeningen. Zo leer je niet alleen voor een toets, maar begrijp je ook hoe economie werkt in de echte wereld. Start vandaag en ervaar hoe leuk en overzichtelijk economie kan zijn.
📝 Leesopdracht
Noteer moeilijke woorden met de betekenis erachter. Zoek minimaal 3 begrippen op die je niet kende en schrijf de betekenis in je eigen woorden op.
Gebruik onderstaande tabel voor beide opdrachten. De bedragen zijn de maandtermijnen in euro's.
| Geleend bedrag | 6 maanden | 12 maanden | 36 maanden | 48 maanden |
|---|---|---|---|---|
| € 2.000 | € 343 | € 172 | € 58 | € 44 |
| € 5.000 | € 858 | € 429 | € 144 | € 109 |
| € 8.000 | € 1.373 | € 687 | € 231 | € 175 |
Lars sluit een lening van € 8.000 af met een looptijd van 36 maanden.
Sophie leent € 5.000 en kiest voor een looptijd van 48 maanden.
Lees alleen de titel en de tussenkop: "Als je goed spreidt, verklein je de risico's"
Wat denk jij: wat betekent "spreiden" bij beleggen? Schrijf in één zin op wat je verwacht dat het artikel gaat uitleggen — zonder het artikel te lezen.
Lees het artikel en vul de tabel in. Noteer voor elk punt een concreet voorbeeld of citaat uit de tekst.
Universiteit van Nederland legt uit · de Volkskrant · zaterdag 23 mei 2026
“Beleggen is altijd slimmer dan sparen — wie spaart, verliest eigenlijk geld.”
Wie is het eens? Wie niet? Verdedig je standpunt met een argument uit het artikel of uit de theorie van H3 §4 (sparen, beleggen en rente).
Koppeling aan theorie H3 §4 — Sparen, beleggen en rente:
Nominale rente vs. reëel rendement — het artikel illustreert dat een spaarrente van 1% bij 2% inflatie leidt tot koopkrachtverlies. Dit is de kern van §4: reëel rendement = nominale rente − inflatie.
Risico en spreiding — "home bias" is een concreet voorbeeld van suboptimale keuze. Koppel aan risicospreiding en portefeuillekeuze.
Spaarbuffer — het advies "3 tot 6 maanden vaste lasten" koppelt aan liquiditeitsvoorkeur.
✅ Vóór stelling: aandelen leverden 6,6% per jaar op (120 jaar) · inflatie vreet koopkracht van spaargeld · spreiden vermindert risico sterk
❌ Tegen stelling: beleggen vereist spaarbuffer eerst · risico op (tijdelijk) verlies · niet iedereen kan geld missen · "beurs na slechte dag" = emotionele valkuil
📝 Leesopdracht
Lees de tekst en zet bij elke alinea:
➕ als je het eens bent met de strekking
➖ als je het er niet mee eens bent
❓ als je nog twijfelt
Schrijf bij elk teken een korte reden (1 zin).
Bron: NRC · 15 september 2025
De FNV zet komend jaar in op 6 procent loonsverhoging. De vakbond heeft die looneis vastgesteld als onderdeel van een bredere agenda waarmee hij de arbeidsvoorwaarden via cao-onderhandelingen wil verbeteren. De bond, die betrokken is bij ruim zevenhonderd cao's voor 5,6 miljoen mensen, presenteert zijn eisen voor het komende jaar traditiegetrouw op de maandag voor Prinsjesdag.
De vakbond betitelt de eigen eis als "stevig". Toch ligt hij lager dan de afgelopen jaren, toen de inflatie de pan uit rees en werkenden te maken kregen met een flink koopkrachtverlies. Nu dat grotendeels is ingehaald, wil de vakbond dat werknemers de ingelopen koopkracht behouden en er ook echt op vooruitgaan.
De FNV wijst naar de hoge bedrijfswinsten van de afgelopen jaren om de looneis van 6 procent te rechtvaardigen. "Er is nog altijd scheefgroei, omdat de winsten harder stijgen dan de lonen", zegt Jacqie van Stigt, interim cao-coördinator bij de FNV. Volgens Van Stigt kan het bedrijfsleven de loonsverhoging dan ook prima ophoesten, als het maar genoegen neemt met iets minder winst.
Naast het salaris wil FNV ook een aantal andere arbeidsvoorwaarden verbeteren. Om werk eerlijk te belonen moet een automatische prijscompensatie worden ingesteld als de inflatie weer toeneemt. Daarnaast ijvert de bond voor een verhoging van het minimumloon naar 18 euro. Sinds 1 juli ligt dit voor werkenden van 21 jaar en ouder op 14,40 euro.
"Het is onbestaanbaar dat mensen die fulltime werken onder het bestaansminimum uitkomen", zegt Van Stigt. Ze doelt op mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt die bijvoorbeeld meerdere banen hebben om rond te komen. Ook de loonkloof tussen mannen en vrouwen en het minimumjeugdloon moeten zo snel mogelijk tot het verleden gaan behoren. Afgelopen jaar lag het gemiddelde uurloon voor vrouwen in Nederland 10,5 procent lager dan voor mannen. De FNV noemt ongelijke beloning voor gelijk werk "niet meer van deze tijd".
De werkgevers, waarmee onderhandelaars van FNV en CNV bij de cao-onderhandelingen om de tafel gaan, zullen inbrengen dat Nederlanders er het afgelopen jaar op vooruit zijn gegaan. Het CBS berekende dat de koopkracht in 2024 met 3,6 procent is toegenomen, de grootste stijging in twintig jaar. Die stijging kwam vooral door de grootste cao-loonstijging van de afgelopen 42 jaar: 6,6 procent.
Werkgevers uiten al tijden hun ongenoegen over de loonstijgingen. Volgens de werkgevers is de groei van loonkosten voor veel bedrijven "onhoudbaar" geworden. Ze willen "slimmer werken" en pleiten voor het vergroten van de arbeidsproductiviteit. "Als de opbrengst per gewerkt uur omhoog gaat, worden bedrijven sterker en ontstaat meer ruimte om de arbeidsvoorwaarden mee te laten groeien."
📝 Leesopdracht
Noteer moeilijke woorden met de betekenis erachter. Zoek minimaal 3 begrippen op die je niet kende en schrijf de betekenis in je eigen woorden op.
Bron: NRC · 11 mei 2026
Vakbonden FNV, CNV en VCP hebben een ultimatum gesteld aan het kabinet. Als de bezuinigingen op de sociale zekerheid niet binnen twee weken van tafel gaan, komen de bonden met "stakingen en werkonderbrekingen" die "grote delen van Nederland" zullen raken.
In het regeerakkoord spraken coalitiepartijen onder meer af om de AOW-leeftijd sneller mee te laten stijgen met de levensverwachting. Ook wil het kabinet de maximale duur van een werkloosheidsuitkering (WW) verkorten van twee naar één jaar en zou de maximale arbeidsongeschiktheidsuitkering (WIA) met 20 procent omlaag moeten. De maatregelen moeten op termijn ongeveer 6 miljard euro aan bezuinigingen opleveren.
Begin maart liepen de bonden weg uit een kennismakingsgesprek met de minister van Sociale Zaken. De bonden spraken van "ijskoude plannen". Ze kondigden aan niet meer in gesprek te willen zolang er geen streep staat door de maatregelen.
"Voor ons is de grens bereikt", zei FNV-voorzitter Hans Spekman. Spekman wil niet in gesprek over wat hij "afbraakvoorstellen" noemt. CNV-voorzitter Hans van den Heuvel verwees naar de grote financiële gevolgen voor mensen: "Dit is niet alleen een politiek heet hangijzer, maar een heet hangijzer voor heel veel mensen."
Dat de minister inmiddels heeft gezegd het plan voor de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd niet verder uit te werken, is voor de bonden nadrukkelijk niet genoeg. Het kabinet moet het AOW-plan in zijn geheel "schrappen" om stakingen te voorkomen. Ook moet er een streep door de ingeboekte bezuinigingen op de WW en WIA.
Daarnaast missen de bonden "evenwicht" in het regeerakkoord. "Alle lasten worden afgewenteld op de werknemers. Aan de vermogenden wordt eigenlijk heel weinig gevraagd. Dat vinden we onrechtvaardig", aldus FNV-voorzitter Spekman. Welke sectoren gaan staken is nog niet bekend, maar de gevolgen "zullen zeker worden gevoeld".
📝 Opdracht
Lees het scenario aandachtig. Noteer tijdens het lezen: wie zijn de spelers, wat zijn hun keuzes, en hoe beïnvloeden ze elkaar? Schrijf je antwoord vóórdat je de opdrachten bekijkt.
Bron: NRC · 15 mei 2026 (fictief scenario op basis van reële marktdynamiek)
Thuisbezorgd en Uber Eats domineren samen de Nederlandse markt voor maaltijdbezorging. Beide platforms verdienen hun geld grotendeels via commissies die ze bij aangesloten restaurants in rekening brengen: een percentage van elke bestelling.
Op dit moment bedraagt de commissie bij beide platforms gemiddeld 25% per bestelling. Restauranthouders klagen al jaren over deze tarieven. Een pizza van €12 levert hen na commissie nog maar €9 op — terwijl ze ook nog inkoop, personeel en huur moeten betalen.
Beide platforms overwegen nu tegelijkertijd — zonder van elkaars plannen te weten — of ze hun commissietarief verlagen naar 15%. Een lagere commissie trekt meer restaurants aan en kan marktaandeel opleveren, maar kost ook directe inkomsten. Het gevolg van de keuze hangt sterk af van wat de concurrent doet.
| Uber Eats: Hoge commissie (25%) | Uber Eats: Lage commissie (15%) | |
|---|---|---|
| Thuisbezorgd: Hoge commissie (25%) | (80, 80) | (30, 110) |
| Thuisbezorgd: Lage commissie (15%) | (110, 30) | (50, 50) |
Notatie: (winst Thuisbezorgd, winst Uber Eats) in miljoenen €. Rijspeler = Thuisbezorgd, Kolomspeler = Uber Eats.
💡 Stel: jij bent 64 jaar oud. Je hebt je hele leven gewerkt en belasting betaald. En nu zegt de overheid: je mag nog niet stoppen — de AOW-leeftijd gaat omhoog.
Maar dan zeggen nu ook de bazen van de grootste bedrijven van Nederland: doe dat niet.
Schrijf in één zin op: waarom zouden werkgevers eigenlijk iets geven om jouw pensioen?
Schrijf op wat de kern van dit artikel is — in steekwoorden of een korte samenvatting van 2–3 zinnen.
✓ Mijn samenvatting / steekwoorden
de Volkskrant · zaterdag 23 mei 2026
Stelling
“De overheid moet zelf bepalen wanneer mensen met pensioen gaan — werkgevers en vakbonden hebben daar niets over te zeggen.”
💡 Stel: jij bent 64 jaar oud. Je hebt je hele leven gewerkt en belasting betaald. En nu zegt de overheid: je mag nog niet stoppen — de AOW-leeftijd gaat omhoog.
Maar dan zeggen nu ook de bazen van de grootste bedrijven van Nederland: doe dat niet.
Schrijf in één zin op: waarom zouden werkgevers eigenlijk iets geven om jouw pensioen?
Schrijf op wat de kern van dit artikel is — in steekwoorden of een korte samenvatting van 2–3 zinnen.
✎ Mijn samenvatting / steekwoorden
de Volkskrant · zaterdag 23 mei 2026
Stelling
“De overheid moet zelf bepalen wanneer mensen met pensioen gaan — werkgevers en vakbonden hebben daar niets over te zeggen.”
Wie is het eens? Wie niet? Verdedig je standpunt met een argument uit het artikel of de theorie.
Koppeling aan theorie M4 H1:
§1 Tijd is geld — AOW = uitgestelde consumptie. Leerlingen sparen via premies om later inkomen te ontvangen. Hogere AOW-leeftijd = langer wachten op die uitgestelde consumptie.
§2 Sparen en lenen — De overheid leent van werkenden (premies) om uitkeringen te betalen. Verslechterende verhouding werkers/gepensioneerden door vergrijzing = financieringsprobleem.
§3 Inflatie — Stijgende AOW-uitkeringen door indexering maken het systeem duurder — dit is mede de reden voor het kabinetsplan.
Discussie — argumenten:
✅ Vóór: democratisch gelegitimeerd · collectief belang houdbaarheid · sociale partners lobbyen voor eigen achterban
❌ Tegen: pensioenakkoord = bindende afspraak · draagvlak nodig voor uitvoerbaarheid · werkgevers kennen de arbeidsmarkt
Stelling — klassikaal
“Over 10 jaar zorgt AI ervoor dat wij nog maar 15 uur per week hoeven te werken.”
Eens of oneens? Bespreek dit kort met de klas vóórdat je het artikel leest.
Houd tijdens het lezen een tabel bij met twee kolommen.
Kolom 1
Voorbeelden van absolute behoeften uit het artikel (zoals onderdak en voedsel)
Kolom 2
De definitie van relatieve behoeften + voorbeelden uit het artikel
de Volkskrant · zaterdag 27 december 2025 · Frank Kalshoven
Artikel downloaden / printenBegrip — schaarste
Economen definiëren schaarste als de spanning tussen onbeperkte behoeften en beperkte middelen.
Beantwoord in groepjes de volgende vraag:
“Als AI zorgt voor een overvloed aan middelen (minder schaarste), waarom lossen onze behoeften dan volgens het artikel nooit helemaal op?”
Koppeling aan theorie H1 §1:
Schaarste & behoeften — dit artikel is een directe aanleiding voor het onderscheid tussen absolute en relatieve behoeften, een kernbegrip uit deze paragraaf.
Productiefactoren — AI is hier een vorm van kapitaal dat arbeid vervangt; goede aanknoping voor de vier productiefactoren.
Voor/tegen-argumenten bij de Keynes-paradox:
✅ Behoeften lossen nooit op: zodra absolute behoeften vervuld zijn, ontstaan er relatieve behoeften (vergelijken met anderen) — die zijn per definitie onverzadigbaar, schrijft Keynes zelf.
❌ Tegenargument om uit te dagen: als AI ook positie-goederen (zoals status) goedkoper maakt, kan relatieve schaarste alsnog afnemen — laat leerlingen hier kritisch op doorvragen.
Didactische tip: leg na de discussie de brug naar §1.1: schaarste ontstaat niet alleen door te weinig middelen, maar ook doordat behoeften meegroeien met wat beschikbaar is.
Een concertticket voor Lady Gaga had een originele prijs van €160. Op Marktplaats wordt het nu doorverkocht voor €800. Hoe kan dat? Schrijf in een paar zinnen op wat jij denkt dat de reden is.
Vul tijdens het lezen een oorzaak-gevolgschema in: noteer in de linkerkolom alle oorzaken die je in het artikel vindt voor de hoge doorverkoopprijzen, en in de rechterkolom welk gevolg dat heeft voor fans die een ticket willen kopen.
Oorzaak
Gevolg voor de fan
De Limburger · zaterdag 8 november 2025 · Rosanne de Jong (De Telegraaf)
Artikel downloaden / printenNeem een standpunt in en onderbouw dat met minstens één argument uit het artikel:
Stelling
“Als jij €800 wíl betalen voor een Lady Gaga-ticket, dan is dat jouw eigen keuze — en heb je dus nergens over te klagen, ook al is de prijs vijf keer hoger dan normaal.”
Koppeling aan theorie M1 H1 §1:
Schaarste & aanwendingsrichting — concerttickets zijn een schoolvoorbeeld van een schaars middel: vast aantal plekken, veel vraag. Dit artikel laat zien hoe extreem de prijs kan oplopen wanneer vraag het aanbod ver overtreft. Leg na de stelling de brug: “Wat jullie nu bespraken — is die hoge prijs gerechtvaardigd? — heet in de economie de nettobaten-afweging.”
Nettobaten — bij een doorverkocht ticket is de bate onzeker (kans op een nep-ticket), wat de nettobaten-berekening lastiger maakt dan bij een gewone aankoop. Goede aanleiding om straks in de theorie te bespreken dat baten niet altijd zeker zijn.
Voor/tegen-argumenten bij de stelling:
✅ Eens: in een vrije markt bepaalt de koper zelf wat iets hem waard is — als iemand bereid is €800 te betalen, is dat zijn eigen, vrije afweging (zijn nettobaten zijn voor hem positief).
❌ Oneens: bij doorverkoop is er geen garantie op een geldig ticket (zie het artikel: kaarten die “meervoudig zijn aangeboden”) — de koper neemt een risico dat hij bij de oorspronkelijke verkoop niet had. De kosten-kant van zijn nettobaten-afweging is dus onzekerder dan bij een normale aankoop.
Didactische tip: schaarste alleen verklaart niet de hoge prijs — het is de combinatie van schaarste én sterke vraag (populariteit van de artiest) die de prijs opdrijft. Vergelijk met een schaars maar onpopulair goed: dat heeft geen hoge prijs.
Vliegtickets zijn in twee maanden tijd 40% duurder geworden. Stel je had vorig jaar genoeg geld voor een vliegticket én een hotel voor je vakantie. Wat verandert er nu voor jou als alles duurder wordt, maar je budget gelijk blijft? Schrijf in een paar zinnen op wat jij denkt.
Bekijk de top-15 grafiek in het artikel. Noteer de drie producten die het meest in prijs zijn gestegen, en zoek voor elk in de tekst op wat daar volgens de economen de reden van is.
De Telegraaf · donderdag 21 mei 2026 · Martin Visser
Artikel downloaden / printenNeem een standpunt in en onderbouw dat met minstens één argument uit het artikel:
Stelling
“Als alles duurder wordt, moet de overheid mensen extra geld geven zodat ze nog evenveel kunnen kopen als vroeger.”
Koppeling aan theorie M1 H1 §2:
Budgetlijn & prijsverandering — dit artikel laat zien hoe een prijsstijging de budgetlijn doet kantelen: met hetzelfde inkomen kun je minder kopen. Leg na de stelling de brug: “Wat jullie nu bespraken — minder kunnen kopen met hetzelfde geld — heet in de economie een verschuiving van de budgetlijn.”
Budgetverandering — compensatie door de overheid (extra geld geven) zou de budgetlijn terug naar de oorspronkelijke positie verschuiven. Dat is een budgetverandering, in tegenstelling tot de prijsverandering die het artikel beschrijft.
Voor/tegen-argumenten bij de stelling:
✅ Eens: koopkracht behouden voorkomt dat de laagste inkomens het hardst getroffen worden door prijsstijgingen die ze niet kunnen beïnvloeden.
❌ Oneens: extra geld in omloop kan de inflatie juist verder aanjagen (zie het monetair-beleid-mechanisme uit H3), en moet door de overheid wel ergens vandaan komen — bijvoorbeeld via hogere belastingen.
Didactische tip: vraag leerlingen na de stelling welke van de 15 prijsstijgingen uit de grafiek hen het meest persoonlijk zou raken (denk aan kinderschoenen, kermis/attractieparken, spelcomputers) — dat maakt de abstracte budgetlijn invoelbaar.
Op een speelgoedruilbeurs in Emmeloord konden kinderen hun oude speelgoed inleveren en daarmee ander, tweedehands speelgoed “kopen” — maar zonder dat er geld werd gebruikt. Hoe zou zoiets kunnen werken zonder geld? Schrijf in een paar zinnen op wat jij denkt dat de oplossing was.
Beschrijf in je eigen woorden hoe het muntjessysteem van de ruilbeurs precies werkte: wat moest je inleveren, wat kreeg je terug, en wie bepaalde hoeveel iets waard was?
Stad & Streek · maandag 10 november 2025 · Wim Schluter
Artikel downloaden / printenNeem een standpunt in en onderbouw dat met minstens één argument uit het artikel:
Stelling
“Iedereen die meedeed aan de ruilbeurs is er evenveel op vooruitgegaan, omdat iedereen evenveel muntjes inleverde als ze weer uitgaven.”
Koppeling aan theorie M1 H2 §1:
Ruil & ruilverhouding — dit artikel is een directe, geldloze illustratie van ruil: de “Pionier van de Toekomst” bepaalt de ruilverhouding (hoeveel muntjes een stuk speelgoed waard is), vergelijkbaar met hoe Jim en Sven in de theorie hun schoenen tegen scheenbeschermers ruilen.
Wederzijds voordeel — leg na de stelling de brug: “Wat jullie nu bespraken — is gelijk aantal munten wel hetzelfde als een eerlijke ruil? — heet in de economie wederzijds voordeel: beide partijen moeten er beter van worden, niet alleen evenveel munten overhouden.”
Voor/tegen-argumenten bij de stelling:
✅ Eens: het systeem is op het oog symmetrisch — iedereen krijgt evenveel munten als hij inlevert, dus formeel gelijk.
❌ Oneens: de waarde van het ingeleverde en het meegenomen speelgoed kan flink verschillen — in het artikel kreeg iemand een grote speelgoedkeuken voor maar één muntje. Gelijk aantal munten betekent dus niet automatisch een gelijke ruil in waarde.
Didactische tip: vraag leerlingen waarom de organisatie op een gegeven moment geen babyspeelgoed meer accepteerde. Dat raakt aan autarkie versus ruil: te veel aanbod van één soort goed verstoort de ruilverhouding (te veel aanbod, te weinig vraag naar net dat goed).
Lees het artikel hieronder in stilte. Terwijl je leest, noteer je:
Bron: De Telegraaf · 29 mei 2026
Zeeuwse bedrijven moeten aan de bouw van de eerste twee nieuwe kerncentrales kunnen meewerken. Dat gaat potentieel om 5 miljard euro aan opdrachten, aldus de provincie, met in Borssele de enige werkende kerncentrale van Nederland.
Het Franse EDF en het Amerikaanse Westinghouse gelden als belangrijke kandidaten voor de bouw van twee nieuwe reactoren naast de bestaande centrale in Zeeland. Er lopen gesprekken over de inzet van lokale ondernemingen voor gespecialiseerde installaties, onderhoudswerkzaamheden en technische dienstverlening.
“We hebben ervaring, kennis en de bedrijven die gericht kunnen bijdragen”, zegt gedeputeerde Johan Aalberts van Zeeland, die wijst op de bouw van Borssele die in 1969 startte. De centrale levert sinds 1973 kernenergie en warmte.
De overheid is al ruimtelijke procedures begonnen, zodat de eerste twee centrales in 2035 gereed moeten zijn. De totale investering loopt in de vele tientallen miljarden euro’s; het Nederlandse kabinet heeft hiervoor rond 14,5 miljard euro gereserveerd.
Uit nieuw onderzoek blijkt dat ongeveer 150 Zeeuwse bedrijven kansen zien in de ontwikkeling, bouw en exploitatie van nieuwe kerncentrales, vooral in techniek, logistiek, metaal, onderhoud, waterbouw en industriële dienstverlening. Het gaat om direct 3,5 miljard en indirect 1,5 miljard euro aan werk.
Zonder gespecialiseerde internationale certificaten komen regionale bedrijven nauwelijks in aanmerking bij grote nucleaire projecten. Zeeland wil dat die bedrijven “tijdige en eerlijke toegang tot aanbestedingen” krijgen.
Aalberts stelt: “Als het Rijk nieuwe kerncentrales in Zeeland wenst, dan willen wij dat dit zorgvuldig gebeurt en dat Zeeland daar structureel sterker van wordt.”
Zeeland eist garanties bij de druk die de nieuwbouw op de gemeenschap legt: zodra duizenden bouwvakkers en technici naar Borssele trekken, verwacht de provincie knelpunten op de wegen, in de woningmarkt en bij zorg en onderwijs.
Naast infrastructuur wil de provincie nucleaire opleidingen versterken. “Er zijn nu drie hoogleraren kernenergie in Nederland. Daar moeten opleidingen op mbo-, hbo- en universiteitsniveau bij.”
Het kabinet heeft nog geen definitief besluit genomen. “We willen de lasten van nucleaire energie dragen, maar daar ook lusten tegenover stellen. Een mogelijke komst van nieuwe kerncentrales moet niet alleen een nationaal energieproject worden.”
📝 Leesopdracht
Noteer alle feiten en cijfers uit de tekst (getallen, percentages, bedragen). Schrijf daarna op: wat vertelt het grootste getal of percentage jou over het onderwerp?
Bron: de Volkskrant · 21 april 2026
Werkenden voegden in 2025 per gewerkt uur gemiddeld 2,4 procent extra waarde toe aan de economie. Die stijging van de zogeheten arbeidsproductiviteit is de grootste in de laatste twintig jaar, zo blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
De toename is een optelsom van een economische groei van 1,8 procent en een afname van het aantal gewerkte uren met 0,6 procent. We zijn dus meer gaan produceren in minder uren.
"Dat is goed nieuws en dat mocht ook wel een keer", zegt Peter Hein van Mulligen, hoofdeconoom van het CBS. "Gemiddeld groeide de arbeidsproductiviteit het laatste decennium met 0,3 procent. Trendmatig wordt de groei steeds minder, en dat is een zorgelijke ontwikkeling."
Over die stagnerende productiviteitsgroei zijn vele rapporten geschreven. Belangrijkste boodschap: wil Europa of Nederland zijn welvaart behouden, de kosten van de vergrijzing kunnen opvangen en genoeg in defensie kunnen investeren, dan moet de arbeidsproductiviteit fors omhoog.
"Uiteindelijk is de productiviteit de enige determinant van economische groei", zegt Van Mulligen. "Wij zitten met een krappe arbeidsmarkt: iedereen werkt wel ongeveer zoveel als-ie kan, dus daarin kunnen we niet meer groeien. Willen we toch groei, dan moet dat op een slimme manier. Namelijk: meer produceren in de uren dat we werken."
Toch willen de cijfers niet zeggen dat het lek nu definitief boven is. "Deze groei volgt op jaren van stagnatie. In 2023 hadden we zelfs een enorme krimp, mede door de stopzetting van de gaswinning in Groningen."
Het zou best kunnen dat een deel van de stijging komt door arbeidsbesparende maatregelen. Bij krapte op de arbeidsmarkt is het werkgevers alles aan gelegen dat hun huidige medewerkers een tandje bij zetten. "Dan is er een prikkel om te innoveren, bijvoorbeeld door te investeren in AI. Het is goed mogelijk dat we daar tekenen van zien."
Uit onderzoek van de Rabobank bleek dat de sectoren waarin het meest wordt geïnvesteerd in onderzoek ook de meeste meerwaarde per gewerkt uur opleveren. De meest arbeidsproductieve sector is de farmaceutische industrie; medewerkers leveren de economie ruim 300 euro per uur op. Andere topsectoren zijn computers (hightech rondom Eindhoven) en de machinebouw (ASML).
📝 Leesopdracht
Noteer alle feiten en cijfers uit de tekst (getallen, percentages, bedragen). Schrijf daarna op: wat vertelt het grootste getal of percentage jou over het onderwerp?
Bron: de Volkskrant · april 2026 · bewerkt voor MAVO
Nederlanders werkten vorig jaar iets minder uren dan het jaar daarvoor. Toch groeide de economie. Hoe kan dat? Omdat werknemers in elke gewerkt uur meer produceerden dan voorheen. Dat noemen we arbeidsproductiviteit: hoeveel je maakt per uur werk.
Volgens het CBS — het Centraal Bureau voor de Statistiek — steeg de arbeidsproductiviteit in 2025 met 2,4 procent. Dat is de grootste stijging in twintig jaar.
📝 Leesopdracht
Noteer alle feiten en cijfers uit de tekst (getallen, percentages, bedragen). Schrijf daarna op: wat vertelt het grootste getal of percentage jou over het onderwerp?
Bron: de Volkskrant · 20 april 2026 · bewerkt voor MAVO 2
De overheid verdient minder geld aan sigaretten. In 2025 ontving de Nederlandse staat 2,6 miljard euro aan belasting op tabak — dat is 15 procent minder dan het jaar daarvoor. Dat blijkt uit cijfers van het CBS.
De overheid heft al jaren een speciale belasting op sigaretten: de accijns. Dit is een belasting op producten die slecht zijn voor de gezondheid of het milieu. Hoe meer accijns, hoe duurder sigaretten worden in de winkel. Op dit moment betaal je al minimaal €7,80 belasting per pakje van twintig sigaretten. Tien jaar geleden was dat nog maar €3,60.
📝 Leesopdracht
Noteer alle feiten en cijfers uit de tekst (getallen, percentages, bedragen). Schrijf daarna op: wat vertelt het grootste getal of percentage jou over het onderwerp?
Bron: de Volkskrant · 20 april 2026 · bewerkt voor MAVO 3
Ondanks forse verhogingen van de accijns op tabak zijn de inkomsten van de overheid uit tabak gedaald. In 2025 ontving de Nederlandse schatkist 2,6 miljard euro aan tabaksaccijns — bijna 15 procent minder dan een jaar eerder, en 18,5 procent minder dan het hoogtepunt in 2023. Dat blijkt uit CBS-cijfers.
De accijns op een pakje van twintig sigaretten bedraagt inmiddels minimaal €7,80 — ruim het dubbele van tien jaar geleden (€3,60). Op shag steeg de accijns nog harder: van €5,73 naar €17,50 per pakje van 50 gram.
📝 Leesopdracht
Noteer alle feiten en cijfers uit de tekst (getallen, percentages, bedragen). Schrijf daarna op: wat vertelt het grootste getal of percentage jou over het onderwerp?
Bron: NOS · 27 maart · bewerkt voor MAVO 2
Het kabinet geeft elk jaar een plan: hoeveel geld ontvangt de overheid (belastingen) en hoeveel geeft ze uit (zorg, onderwijs, defensie)? Dat plan heet de rijksbegroting. Elk jaar op de derde dinsdag van september presenteert de minister van Financiën dit plan aan de Tweede Kamer — dat is Prinsjesdag en de bijbehorende toelichting heet de Miljoenennota.
Dit jaar heeft het kabinet een probleem: de overheid geeft meer uit dan ze ontvangt. Er is een begrotingstekort van 2,9 procent. Dat betekent dat Nederland geld moet lenen. Gelukkig is dat tekort nog net kleiner dan de Europese limiet van 3 procent.
💡 Tekort of overschot?
Als de overheid meer uitgeeft dan ontvangt → begrotingstekort (moet lenen).
Als de overheid meer ontvangt dan uitgeeft → begrotingsoverschot (kan sparen of schuld aflossen).
Niet alles gaat zoals gepland. Een meevaller: de zorgkosten vielen honderden miljoenen euro's lager uit dan verwacht. Een tegenvaller: meer mensen zijn arbeidsongeschikt dan gedacht, wat extra uitkeringskosten met zich meebrengt. Ook de opvang van vluchtelingen kost meer dan geraamd.
Minister Heinen waarschuwt dat er weinig financiële ruimte overblijft als er een nieuwe crisis komt, zoals een oorlog of pandemie. Als het kabinet dan extra geld uitgeeft, dreigt Nederland de Europese begrotingsregels te overschrijden. De staatsschuld van Nederland is nu 50 procent van het bbp — dat is nog relatief laag vergeleken met landen als Griekenland en Italië.
📝 Leesopdracht
Noteer alle feiten en cijfers uit de tekst (getallen, percentages, bedragen). Schrijf daarna op: wat vertelt het grootste getal of percentage jou over het onderwerp?
Bron: NOS · 27 maart · bewerkt voor MAVO 3
Het kabinet presenteerde de voorjaarsnota — een tussentijdse bijstelling van de rijksbegroting. De conclusie: het begrotingstekort bedraagt 2,9 procent van het bbp. Dat is nét binnen de Europese begrotingsregel van maximaal 3 procent. Maar minister Heinen van Financiën waarschuwt: er is nauwelijks financiële ruimte voor nieuwe tegenvallers.
"De internationale situatie verslechtert in een hoog tempo", zegt Heinen. "Dat maakt de voorjaarsnota al achterhaald als ik 'm publiceer." De gevolgen van conflicten in het buitenland voor energieprijzen en de koopkracht zijn nog niet in de ramingen verwerkt.
💡 Kernbegrippen
Rijksbegroting: jaarplan van overheid met inkomsten en uitgaven. Miljoenennota: toelichting bij de begroting op Prinsjesdag. Begrotingstekort: uitgaven > inkomsten. Begrotingsoverschot: inkomsten > uitgaven. Staatsschuld: totaal opgebouwde schuld door tekorten in het verleden.
De begroting wordt bijgesteld door mee- en tegenvallers. Meevallers: zorgkosten vielen honderden miljoenen lager uit dan geraamd. Tegenvallers: meer arbeidsongeschikten dan verwacht; opvang van vluchtelingen kost meer; crimineel vermogen wordt minder afgenomen dan gehoopt (€284 mln minder dan verwacht). Per saldo bedraagt de tegenvaller zo'n 3 miljard euro.
De staatsschuld van Nederland bedraagt 50 procent van het bbp. Dat is relatief laag: landen als Griekenland, Italië en Frankrijk hebben schulden van meer dan 100 procent van het bbp. EU-regels stellen dat het tekort maximaal 3% en de schuld maximaal 60% van het bbp mag zijn. Als het kabinet bij een crisis extra uitgeeft, dreigt Nederland deze grens te overschrijden.
💡 Bekijk de krantenpagina hieronder. Lees alleen de titel, de foto en het onderschrift — nog niet de tekst.
De titel luidt ‘Stilte voor de financiële storm’. Drie grote toezichthouders — DNB, CPB en AFM — slaan tegelijkertijd alarm.
Schrijf in één zin op: wat verwacht jij dat er aan de hand is?
Vul in terwijl je leest:
✅ Economische begrippen waarvan ik de betekenis weet
❓ Economische begrippen waarvan ik de betekenis niet weet
Volkskrant · woensdag 27 mei 2026 · Door Michiel van der Geest
Bron: de Volkskrant, 27 mei 2026. Foto: Daniel Rosenthal / VK
Stelling
“Nederland hoeft zich geen zorgen te maken over de staatsschuld — die is laag. De overheid mag gerust meer geld lenen als er een crisis komt.”
Bekijk de vier afbeeldingen hieronder. Bij elke afbeelding staat alleen een nummer. Gebruik ze bij het beantwoorden van de vragen.
Lees alleen de kop: “Pakketje van buiten de EU kost straks 5 euro meer”
Je bestelt iets op Temu of AliExpress — dat pakketje kost straks €5 meer. Hoe kan het dat iets opeens duurder wordt? Schrijf op wie er volgens jou voor zorgt dat iets in prijs omhoog gaat — zonder het artikel te lezen.
Bron: Trouw · 3 april 2026
Zet een cirkel om elk begrip dat je niet kent terwijl je leest. Schrijf die begrippen hieronder op en probeer de betekenis te raden op basis van de context.
“Het is eerlijk dat online winkels uit Azië extra belasting betalen — Nederlandse winkels betalen ook belasting.”
Wie is het eens? Wie niet? Verdedig je standpunt met een argument uit het artikel of uit wat je al weet.
Antwoordmodel — MAVO 2 H7 §2
② Begrippen die leerlingen waarschijnlijk niet kennen
Gebruik de begrippen als instap voor de theorie: “Wat is belasting precies?”
③ Stelling — voor/tegen
✅ Vóór: Nederlandse webwinkels betalen al belasting (btw) en voldoen aan veiligheidseisen — goedkope import maakt eerlijke concurrentie onmogelijk.
❌ Tégen: consumenten worden er slechter van — €5 extra is voor mensen met weinig geld relatief veel; Temu en AliExpress zijn juist betaalbaar voor wie niet veel heeft.
Didactische tip: dit artikel is een perfecte aanleiding om het begrip indirecte belasting te introduceren. Koppeling theorie H7 §2: soorten belasting, overheidsuitgaven, gelijk speelveld als reden voor overheidsingrijpen.
Bekijk de vier afbeeldingen hieronder. Bij elke afbeelding staat alleen een nummer. Gebruik ze bij het beantwoorden van de vragen.
Lees alleen de kop: “Pakketje van buiten de EU kost straks 5 euro meer”
Je bestelt iets op Temu of AliExpress — dat pakketje kost straks €5 meer. Maar waarom eigenlijk? Schrijf in één zin op wat jij denkt dat de reden is — zonder het artikel te lezen.
Bron: Trouw · 3 april 2026
Noteer economische begrippen die je in het artikel tegenkomt. Schrijf bij elk begrip in je eigen woorden wat het betekent — of zet er een ❓ bij als je het niet weet.
“De EU doet er goed aan om extra heffingen te leggen op goedkope pakketjes uit Azië — dit beschermt onze eigen bedrijven.”
Wie is het eens? Wie niet? Verdedig je standpunt met een argument uit het artikel of uit de theorie van H8 §2 (vrijhandel en protectionisme).
Antwoordmodel — MAVO 3 H8 §2
② Begrippen die leerlingen kunnen noteren
③ Stelling — voor/tegen
✅ Vóór: gelijk speelveld (Europese webwinkels betalen al btw en voldoen aan veiligheidseisen) · heffing dekt douanekosten · ontmoedigt dumping van goedkope producten · andere EU-landen doen het ook
❌ Tégen: consumenten betalen meer, met name lage inkomens · protectionisme kan handelsconflicten uitlokken · goedkope import helpt mensen met weinig geld · vrije handel bevordert welvaartsgroei
Koppeling theorie H8 §2: vrijhandel vs. protectionisme, invoertarieven, WTO-regels, terms of trade.
Mijn naam is drs. A.J.C. Jonker, maar de meeste leerlingen kennen mij gewoon als meneer Jonker. Ik ben docent economie aan Stanislas Pijnacker. Ik geef les aan mavo, havo en vwo, zowel onderbouw als bovenbouw.
Vanuit mijn passie voor economie en onderwijs heb ik Econivo opgericht. Tijdens het lesgeven merkte ik dat veel leerlingen economie lastig vinden. Niet omdat ze het niet kunnen, maar omdat de uitleg soms te ingewikkeld of te theoretisch is. Daarom wilde ik een plek creëren waar economie duidelijk, overzichtelijk en begrijpelijk wordt uitgelegd — speciaal voor leerlingen van mavo, havo en vwo.
Met Econivo wil ik leerlingen helpen om stap voor stap meer inzicht en zelfvertrouwen te krijgen in economie. Op deze website vind je heldere uitleg, voorbeelden, oefeningen en samenvattingen die aansluiten op de lesstof van de middelbare school.
Mijn doel is simpel: economie begrijpelijk maken en leerlingen helpen betere resultaten te behalen.
Vragen of opmerkingen? Stuur een bericht naar jonj@stanislaspijnacker.nl
Finn is 13 en krijgt €10 zakgeld per week. Hij wil een FIFA-uitbreiding van €25, nieuwe voetbalschoenen én een bioscoopkaartje. Zijn zakgeld is op voor hij ook maar één ding heeft gekocht. Economie gaat over behoeften en hoe je daarin kunt voorzien — en over de keuzes die je maakt als je niet alles kunt hebben.
Finn koopt de FIFA-uitbreiding bij de gamewinkel — hij is consument. De winkelier verkoopt hem — dat is de producent. In de economie zijn er twee hoofdrolspelers: consumenten die kopen, en producenten die maken of leveren
Bij economie kom je veel geldbedragen tegen — soms hele grote. Het is belangrijk dat je die bedragen op de juiste manier schrijft en uitspreekt. Er zijn vaste regels voor het euroteken, de punt bij duizendtallen en de komma bij centen. Op je rekenmachine gelden iets andere regels.
Finn en zijn vriend ruilen weleens: jouw voetbal voor mijn skateboard — geen geld aan te pas. Dat is directe ruil. Maar als Finn de FIFA-uitbreiding koopt met €25, gebruikt hij geld als tussenmiddel — dat is indirecte ruil. Vroeger ruilden mensen producten direct voor andere producten.
Finn betaalt zijn bioscoopkaartje met zijn telefoon — tikje, klaar (giraal). Zijn oma geeft hem een briefje van €10 voor zijn verjaardag (chartaal). Er zijn twee soorten geld. Chartaal geld zijn de munten en bankbiljetten
Het saldo is hoeveel geld er op je bankrekening staat. Als er geld bijkomt — bijvoorbeeld zakgeld of loon — noem je dat ontvangsten. Als er geld afgaat — omdat je iets betaalt — noem je dat uitgaven. Je berekent je nieuwe saldo door je beginsaldo te nemen, de ontvangsten erbij op te tellen en de uitgaven eraf te halen.
Finn heeft twee wensen: nieuwe voetbalschoenen en de FIFA-uitbreiding. Maar zijn primaire behoefte is voeding, kleding, onderdak — dingen zonder welke hij niet kan overleven. Nieuwe schoenen kunnen een primaire behoefte zijn als je geen schoenen meer hebt; een FIFA-uitbreiding is altijd secundair. Mensen hebben veel behoeften. Sommige heb je echt nodig om te kunnen leven
Om in je behoeften te voorzien, koop je producten. Die producten zijn er in twee soorten. Goederen zijn tastbare producten die je kunt aanraken. Diensten zijn niet-tastbare producten waarbij iemand iets voor jou doet. Soms voorzie je ook zelf in een behoefte zonder iets te kopen — dat heet zelfvoorziening.
Voordat je iets koopt, wil je weten of het een goed product is. Productinformatie kun je krijgen van familie, vrienden en verkopers in de winkel. Maar die zijn niet altijd deskundig of onafhankelijk. Onafhankelijke websites zoals consumentenbond.nl en tweakers.net zijn beter — die worden niet betaald door fabrikanten om producten aan te prijzen. Goede productinformatie is deskundig, onafhankelijk en betrouwbaar.
Als je iets koopt, heb je rechten. De overheid maakt wetten om jou als consument te beschermen. Zo moet een product deugdelijk zijn: bij normaal gebruik moet het een redelijke tijd meegaan. Naast de wet geeft de producent ook vaak garantie: de zekerheid dat het product in orde is. Gaat het toch kapot binnen de garantieperiode? Dan zorgt de producent dat het gratis gerepareerd of vervangen wordt.
Finn krijgt €10 zakgeld per week. Zijn moeder werkt als verpleegster en krijgt salaris. Zijn opa krijgt AOW. Drie mensen, drie soorten inkomen. Inkomen is het geld dat je als persoon of gezin ontvangt.
Niet alle uitgaven zijn hetzelfde. Sommige kosten betaal je elke maand op een vast moment, andere zijn onverwacht of doe je maar één keer per jaar. Het is handig om je uitgaven in groepen in te delen, zodat je een goed overzicht houdt van waar je geld naartoe gaat.
Soms zijn inkomsten of uitgaven per week, maar wil je weten hoeveel dat per maand is — of andersom. Je rekent om via het jaar als tussenstap: 1 jaar = 52 weken = 12 maanden. Een begroting is een overzicht van alle verwachte inkomsten en uitgaven voor een bepaalde periode, meestal een maand of jaar. Met een begroting zie je of je uitkomt met je geld.
Geld kun je op verschillende manieren gebruiken. Je kunt het inzetten om iets te kopen, je kunt het bewaren voor later, of je kunt het gebruiken om de waarde van dingen met elkaar te vergelijken. Die drie manieren noem je de geldfuncties. Ze maken het dagelijks leven veel makkelijker dan wanneer je alles direct zou moeten ruilen.
Finn wil de FIFA-uitbreiding van €25. Met €10 zakgeld per week en niets anders kopen heeft hij het over 3 weken. Maar hij wil ook een bioscoopkaartje. Wanneer heeft hij genoeg? Sparen betekent dat je je geld niet meteen uitgeeft, maar bewaart voor later.
Finn leent €5 van zijn vriend Jayden om eerder de FIFA-uitbreiding te kunnen kopen. Jayden wil het volgende week terug. Finn zegt ja — maar heeft die week maar €5 zakgeld over. Soms wil je iets kopen maar heb je niet genoeg geld.
Finn gooit per ongeluk zijn glas limonade over de laptop van zijn vriend. Reparatie: €180. Dat heeft Finn niet. Gelukkig heeft zijn vader een AVP — die betaalt. Soms heb je pech: je maakt schade bij iemand anders, je raakt ziek of je fiets wordt gestolen.
Als je een verzekering afsluit, ontvang je een polis — een officieel bewijs van je verzekering met alle voorwaarden. Je betaalt daarvoor een premie: een vast bedrag per maand of jaar. Soms heb je ook een eigen risico: een bedrag dat je bij schade zelf moet betalen voordat de verzekeraar bijspringt. Hoe hoger je eigen risico kiest, hoe lager je premie wordt — maar hoe meer je zelf betaalt als er iets misgaat.
Finn doet een enquête in zijn klas: wat doen jullie ouders voor werk? Verpleegster, vrachtwagenchauffeur, leraar, eigen bedrijf. Als je gaat werken begin je bijna altijd als werknemer. Je werkt dan in loondienst van een werkgever — een bedrijf of persoon die jou betaalt voor je werk. Een werkgever heeft één of meer mensen in dienst. Sommige mensen kiezen ervoor een eigen bedrijf te starten. Voordeel: je bent je eigen baas en mag alles zelf bepalen. Nadeel: als er geen opdrachten zijn, heb je ook geen inkomen.
Als een bedrijf op zoek is naar nieuw personeel, is er een vacature. Word jij aangenomen? Dan onderteken je een arbeidsovereenkomst. Dat is een officieel contract met de afspraken tussen jou en je werkgever: hoeveel uur je werkt, wat je loon is, hoeveel vakantiedagen je hebt en of je cursussen mag volgen. Deze afspraken noem je ook wel arbeidsvoorwaarden. Meestal begin je met een proeftijd van maximaal twee maanden, waarin jij en je werkgever kunnen kijken of de samenwerking bevalt. In die tijd mag allebei de overeenkomst meteen beëindigen.
Naast jouw eigen arbeidsovereenkomst zijn er ook gezamenlijke afspraken voor een hele bedrijfstak — bijvoorbeeld voor de bouw, de horeca of het onderwijs. Die afspraken staan in een cao (collectieve arbeidsovereenkomst). Daarin zijn onder andere het loon, de werktijden en het aantal vakantiedagen geregeld. Grote bedrijven zoals Philips en KLM hebben vaak een eigen cao. Voor alle werknemers in die bedrijfstak gelden dan dezelfde minimale voorwaarden.
Grote bedrijven als Coolblue, Philips en KLM hebben soms een eigen cao. Jouw leraar valt onder de onderwijscao — die bepaalt hoeveel hij minstens verdient en hoeveel vakantiedagen hij heeft.
Je brutoloon is het loon waarop nog niets is ingehouden — het bedrag dat in je arbeidsovereenkomst staat. Maar dit krijg je niet volledig op je rekening. Van je brutoloon houdt je werkgever automatisch loonbelasting en sociale premies in, die direct naar de Belastingdienst gaan. Wat daarna overblijft en op jouw bankrekening komt, is je nettoloon. Dat is het bedrag dat je echt kunt besteden.
Niet elke baan is hetzelfde. Een arbeidsovereenkomst kan tijdelijk zijn — voor een bepaalde tijd, tot een afgesproken einddatum. Of vast — voor onbepaalde tijd, zonder einddatum. Je begint vaak met een tijdelijke baan. Als je goed functioneert en er voldoende werk is, kan die tijdelijke baan daarna een vaste baan worden. Naast tijdelijk of vast, verschilt ook het aantal uren. Werk je een volledige dag- en weektaak (meestal 36, 38 of 40 uur), dan heb je een voltijdbaan. Werk je minder uren, dan is het een deeltijdbaan.
Alle bedrijven in Nederland zijn in te delen in drie grote productiesectoren, afhankelijk van wat ze doen. Agrarische bedrijven halen grondstoffen uit de natuur, zoals een akkerbouwbedrijf, een veeteeltbedrijf of een tuinbouwbedrijf. Industriële bedrijven gebruiken grondstoffen en materialen om goederen te produceren, zoals een fietsenfabriek of een bakkerij. Dienstverlenende bedrijven leveren diensten, zoals een winkel, een kapperszaak of een transportbedrijf.
Bij grote bedrijven is het werk verdeeld over veel verschillende banen. Elke werknemer heeft zijn eigen taken — dat noem je arbeidsverdeling. Door arbeidsverdeling wordt iedereen specialist in zijn eigen taak. Dat maakt bedrijven een stuk efficiënter: het werk gaat sneller en de kwaliteit is beter dan wanneer iedereen alles zelf zou moeten doen.
Voordeel voor werknemer: je doet werk waar je goed in bent en wordt er steeds beter in.
Voordeel voor werkgever: werknemers werken sneller en met minder fouten door specialisatie.
De overheid heeft bij wet vastgelegd wat je minimaal moet verdienen: het wettelijk minimumloon. Dat geldt voor werknemers van 21 jaar en ouder. Voor jongeren van 15 tot en met 20 jaar geldt het minimumjeugdloon — een percentage van het minimumloon voor 21-plussers. Hoe jonger je bent, hoe lager dat percentage. Zo verdient een 15-jarige minimaal 30% van het minimumloon van iemand van 21, en een 20-jarige minimaal 80%. Zo worden werknemers beschermd tegen te lage lonen.
| Leeftijd | Percentage |
|---|---|
| 21 jaar en ouder | 100% |
| 20 jaar | 80% |
| 19 jaar | 60% |
| 18 jaar | 50% |
| 17 jaar | 39,5% |
| 16 jaar | 34,5% |
| 15 jaar | 30% |
Als werknemer ben je beschermd door de wet. Je werkgever mag niet zomaar alles van je vragen. De Arbowet (wet arbeidsomstandigheden) verplicht werkgevers om te zorgen voor veilige en gezonde werkomstandigheden. Denk aan beschermende kleding, veilige machines en schone lucht. De Arbeidstijdenwet regelt werk- en rusttijden: je mag niet eindeloos lang doorwerken zonder pauze of vrije dag.
Elke dag worden er nieuwe producten bedacht en nieuwe technieken uitgevonden. Die noem je technologische ontwikkelingen. Ze hebben grote gevolgen voor het werk: robots nemen bepaalde soorten werk over, waardoor sommige beroepen verdwijnen. Maar tegelijk ontstaan er ook nieuwe beroepen, zoals robotmonteur, dronepiloot of 3D-printspecialist. Daarom is het belangrijk om je blijvend te scholen. Voor sommige banen heb je een beroepsopleiding nodig (geschoold werk), voor andere niet (ongeschoold werk).
Met ontslag komt er een einde aan je arbeidsovereenkomst. Je kunt ontslag krijgen van je werkgever — bijvoorbeeld omdat er geen werk meer voor je is. Maar je kunt ook zelf ontslag nemen, bijvoorbeeld omdat je een andere baan hebt gevonden. Bij ontslag geldt meestal een opzegtermijn van één of twee maanden. Die geldt voor de werkgever zodat jij tijd hebt om nieuw werk te vinden, en ook voor jou zodat de werkgever tijd heeft om nieuw personeel te zoeken.
De buurman van Finn werkt in de bouw. Het project stopt — zijn baan ook. Finn vraagt zijn moeder: wat nu? Krijg je dan gewoon niks meer? Werkloos zijn betekent: je wíl werken, maar er is geen geschikte baan voor je.
Gevolgen van werkloosheid: minder inkomen, minder regelmaat, geen contact met collega's en het gevoel niet nuttig te zijn. Goed om te weten als je kiest voor een opleiding die goede baankansen biedt.
Finn vraagt zich af: hoe wordt die FIFA-game gemaakt? Programmeurs bij EA in Canada, servers in Ierland, download op zijn PlayStation. Produceren is het maken van goederen én het leveren van diensten. De meeste producten doorlopen meerdere stappen voordat ze bij jou in handen zijn — elke stap heet een productiefase. Neem brood: de boer ploegt de grond, zaait graan, oogst het en verkoopt het aan de molen. De molen maakt er meel van, de bakker bakt er brood van en de supermarkt verkoopt het aan jou. Graan is de grondstof, brood is het eindproduct. Daartussenin zijn meerdere bedrijven betrokken.
Alle bedrijven die na elkaar aan een product werken, vormen samen de bedrijfskolom. Elk bedrijf in die kolom koopt het product voor een bepaalde prijs, bewerkt het en verkoopt het duurder door. Het verschil tussen de inkoopprijs en de verkoopprijs is de waarde die dat bedrijf heeft toegevoegd. Zo wordt chips goedkoop ingekochte aardappel uiteindelijk een zakje dat in de winkel veel meer kost — omdat elk bedrijf in de kolom waarde heeft toegevoegd.
Om te produceren heb je drie dingen nodig — die noem je productiefactoren. Arbeid is het werk dat mensen doen. Kapitaal zijn de machines, gereedschappen en gebouwen waaraan geld is besteed — ook wel kapitaalgoederen. Natuur zijn de grondstoffen, het zonlicht en het regenwater die je uit de natuur haalt. Samen bepalen ze hoeveel het produceren kost. Die kosten — voor personeel, machines, energie, grondstoffen en het bedrijfspand — heten productiekosten.
Produceren kost niet alleen geld — het kost ook milieu. Door consumptie en productie ontstaat milieuschade: vervuiling van lucht, water en bodem, hoog energieverbruik en veel afval. Bedrijven betalen zelf hun eigen bedrijfskosten, zoals machines, personeel en transport. Maar milieuschade treft niet het bedrijf zelf, maar de samenleving. Dat noem je maatschappelijke kosten. In een ideale wereld betaalt de vervuiler die kosten zelf — maar dat gebeurt lang niet altijd.
Bedrijven en consumenten kunnen de wereld minder schaden door duurzaam te produceren en te consumeren — zonder nadelige gevolgen voor anderen, nu of in de toekomst. Dat betekent: geen afval veroorzaken, geen lucht of water vervuilen, geen fossiele energie verbruiken en geen nieuwe grondstoffen verspillen. Recycling speelt daarbij een grote rol: van afval een nieuwe grondstof maken. In een kringloopeconomie is er geen afval meer — alles wordt hergebruikt. Als consument help jij mee door bewust te kiezen voor duurzame producten.
Bedrijven die willen groeien of goedkoper produceren, moeten investeren: kapitaalgoederen kopen zoals machines, gebouwen of bedrijfsauto's. Door te investeren kunnen bedrijven sneller, goedkoper en duurzamer produceren en betere producten maken. Maar machines, vrachtwagens en gebouwen worden in de loop van de tijd minder waard. Die jaarlijkse waardevermindering heet afschrijving. Je moet de aanschafprijs dus terugverdienen over de levensduur van de machine.
Bedrijven maken hun productie efficiënter door te investeren in machines en computers. Mechaniseren betekent dat machines het zware werk van mensen overnemen. Automatiseren gaat een stap verder: computers en computerprogramma's sturen de productie aan. Een bijzondere vorm is robotisering, waarbij robots het werk doen. Het gevolg: de arbeidsproductiviteit stijgt — dat is de hoeveelheid producten die een werkende in een bepaalde tijd kan maken. Hogere arbeidsproductiviteit betekent meer produceren met evenveel mensen, of evenveel produceren met minder mensen. Daardoor daalt de kostprijs per product.
Als je met een eigen bedrijf je inkomen verdient, ben je een ondernemer. Een ondernemer verkoopt goederen of diensten en bepaalt zelf hoeveel hij verkoopt en voor welke prijs. Sommige bedrijven draaien vooral op mensen — dat heet arbeidsintensief produceren. Denk aan onderwijs, de zorg of winkels. Andere bedrijven draaien vooral op machines — dat heet kapitaalintensief produceren. Dat zie je vooral in fabrieken en werkplaatsen.
Een bedrijf draait uiteindelijk om winst. Maar om winst te berekenen ga je stap voor stap. Eerst kijk je naar de afzet: hoeveel producten heb je verkocht? Dan bereken je de omzet (ook wel verkoopopbrengst): afzet maal verkoopprijs. Van die omzet betaal je alle kosten — grondstoffen, lonen, energie, reclame en huur. Wat daarna overblijft is je winst. Als de kosten hoger zijn dan de omzet, maak je verlies.
Finn kijkt op de achterkant van zijn PlayStation-doos: 'Made in Japan.' Zijn voetbalschoenen: 'Made in Indonesia.' Zijn energiedrankje: 'Produced in Austria.' Bijna niets om hem heen is in Nederland gemaakt. Over de hele wereld worden producten gekocht en verkocht tussen landen.
De internationale handel is de afgelopen jaren flink gegroeid, dankzij betere vervoersmogelijkheden en internet. Maar er is ook een nadeel: het transport van al die goederen over de hele wereld zorgt voor veel CO₂-uitstoot.
Landen verschillen sterk in hoeveel ze handelen met de rest van de wereld. Nederland is een land dat heel veel handel drijft met andere landen. Dat heeft alles te maken met onze ligging: Rotterdam heeft de grootste haven van Europa, en via de Rijn en Maas kunnen goederen makkelijk dieper Europa in.
Rotterdam heeft de grootste haven van Europa. Dat is geen toeval: Nederland ligt in de delta van Rijn en Maas, perfect voor het doorvoeren van goederen naar Duitsland en verder.
Niet elk land gebruikt de euro. Als je naar de Verenigde Staten gaat, betaal je met dollars. Als je naar het Verenigd Koninkrijk gaat, met ponden. Geld van een land dat niet de euro heeft, noem je vreemd geld. De verhouding tussen twee munten heet de wisselkoers — en die verandert elke dag.
| Dollar wordt… | Voor eurozone | Voor VS |
|---|---|---|
| Duurder (stijgt) | Duurder om uit VS te kopen | Goedkoper om uit EU te kopen |
| Goedkoper (daalt) | Goedkoper om uit VS te kopen | Duurder om uit EU te kopen |
De Europese Unie is een samenwerking van Europese landen die onder andere op economisch gebied samenwerken. Een van de doelen van de EU is om handel tussen de lidstaten makkelijk en soepel te laten verlopen. Zo kunnen bedrijven in Nederland makkelijk producten verkopen aan mensen in Duitsland, Frankrijk of Italië.
Toch beschermen landen soms hun eigen bedrijven tegen concurrentie van buiten. Als buitenlandse producten goedkoper zijn, kunnen Nederlandse bedrijven het moeilijk krijgen. Daarom kunnen landen invoerrechten heffen: een extra belasting op ingevoerde producten, waardoor die duurder worden.
Als landen producten mogen importeren en exporteren zonder protectiemaatregelen, noem je dat vrijhandel. Binnen de EU is er onderlinge vrijhandel. Je mag als EU-burger naar bijna alle lidstaten reizen zonder paspoortcontrole, en je mag in een ander EU-land wonen, werken of studeren.
Twintig EU-landen gebruiken de euro. Je hoeft dan geen geld te wisselen als je van Nederland naar Duitsland of Spanje gaat, en je hebt geen last meer van wisselkoersschommelingen.
Voordelen van de euro: prijzen in andere eurolanden zijn direct vergelijkbaar, je hoeft geen geld te wisselen en betaalt geen wisselkosten, en je hebt geen last van schommelende wisselkoersen.
Niet iedereen ter wereld leeft zoals jij. In veel landen leven mensen in armoede — zonder genoeg eten, zonder schoon drinkwater, zonder goede gezondheidszorg en soms zonder de kans om naar school te gaan. Die landen noem je ontwikkelingslanden. Kenmerken zijn: weinig gezondheidszorg, veel kinderarbeid, analfabetisme en hoge kindersterfte.
Welvaart is de mate waarin je in je behoeften kunt voorzien. In Nederland is de welvaart hoog. In ontwikkelingslanden is de welvaart laag: veel mensen hebben onvoldoende eten of schoon drinkwater.
Om de welvaart van landen te vergelijken, kijk je naar het nationaal inkomen — alle inkomens in een land bij elkaar opgeteld. Maar een hoog nationaal inkomen zegt nog niets als je niet weet hoeveel mensen dat moeten delen. Daarom gebruik je het inkomen per hoofd van de bevolking: nationaal inkomen gedeeld door het aantal inwoners.
Ontwikkelingslanden hebben verschillende problemen die lastig zijn op te lossen, omdat die problemen elkaar versterken. Ze zitten vaak in een viciöuze cirkel: de oorzaak van het ene probleem is een gevolg van een ander probleem. Je kunt er alleen uitkomen met hulp van buitenaf.
Voorbeeld: Weinig geld → geen geld voor school → geen opleiding → laag betaald werk → weinig geld. Je doorbreekt deze cirkel met hulp: financiële steun, kennisoverdracht of gratis onderwijs.
Om armoede te bestrijden krijgen ontwikkelingslanden hulp van andere landen en organisaties. Dat noem je ontwikkelingssamenwerking. Het doel is dat ontwikkelingslanden economisch zelfstandiger worden. Die hulp kan via geld, kennis delen of eerlijke handel — zonder invoerrechten op producten uit ontwikkelingslanden.
Er zijn twee soorten hulp: noodhulp voor acute situaties zoals na een aardbeving, en structurele hulp voor de langere termijn — gericht op economische zelfstandigheid.
Ook jij kunt mensen in ontwikkelingslanden helpen. Je kunt geld geven aan hulporganisaties zoals Unicef of Oxfam Novib. Maar je kunt ook bewust kiezen voor fairtrade producten. Fairtrade betekent eerlijke en gelijkwaardige handel: boeren in ontwikkelingslanden krijgen een hogere prijs, zodat ze er fatsoenlijk van kunnen leven. Je herkent fairtrade producten aan het keurmerk op bananen, chocola en koffie.
Hoe kun jij helpen? Koop fairtrade producten, doneer aan Unicef of Oxfam Novib, of kies voor merken die eerlijk produceren.
Finn vergelijkt: FIFA-uitbreiding bij Bol.com €24,99, gamewinkel €34,99, Vinted €12. Hoe kan hetzelfde product zulke verschillende prijzen hebben? Economie draait om twee krachten: vraag en aanbod. De vraag naar producten komt van consumenten — er is vraag als zij iets willen kopen. Het aanbod komt van producenten — er is aanbod als zij iets te koop aanbieden. De consument vraagt een product en betaalt daarvoor; de producent biedt het aan en krijgt er geld voor. Op de markt bepalen vraag en aanbod samen de prijs. Denk aan de woningmarkt (alle vraag en aanbod van huizen), de energiemarkt of de arbeidsmarkt — dat zijn abstracte markten die je niet kunt bezoeken, maar die de prijzen wel bepalen.
Hoge vraag + weinig aanbod = hogere prijs. Denk aan concertkaartjes van Taylor Swift: enorm veel vraag, beperkt aanbod → prijs schiet omhoog op de doorverkoopmarkt.
Denk je dat jij helemaal zelf bepaalt wat je koopt? Dat valt mee. Twee grote krachten sturen jouw aankoopgedrag. Sociale invloed is de invloed van familie, vrienden en bekenden — als je vrienden een bepaald merk sneakers dragen, wil jij die misschien ook. Commerciële invloed is de invloed van fabrikanten en winkeliers: via reclame, aanbiedingen, mooie verpakkingen en slimme plaatsing in de winkel proberen bedrijven jou te verleiden meer te kopen. Dat alles noem je marketing.
Als winkelier verkoop je producten aan consumenten — je heet dan een detaillist of retailer. Je koopt die producten in, meestal bij een groothandel of soms rechtstreeks bij een fabriek. Voor één product betaal je de inkoopprijs. Daarna stel je de verkoopprijs vast: de inkoopprijs plus een brutowinstopslag. Een deel van die opslag gebruik je om je kosten te betalen (huur, personeel, energie), het andere deel is je winst.
Een winkelier staat er nooit alleen voor — er zijn altijd concurrenten: andere bedrijven die dezelfde soort producten aanbieden. Je kunt concurreren met lagere prijzen, betere kwaliteit, betere service of een betere bereikbaarheid. Naast concurrentie speelt ook de keuze tussen een fysieke winkel en een webwinkel een grote rol. Een gewone winkel heeft hoge vaste kosten: huur, inrichting, verwarming en verlichting. Een webshop heeft die kosten niet — en kan daardoor vaak goedkoper zijn.
Bijna alles wat je koopt is inclusief btw — belasting over de toegevoegde waarde, ook wel omzetbelasting. De prijs op het prijskaartje is de prijs inclusief btw. Er zijn twee btw-tarieven: 21% op de meeste producten en 9% op eten, drinken, boeken en medicijnen. Jij betaalt de btw als consument, maar de winkelier int het en draagt het af aan de Belastingdienst. De winkelier verdient er zelf niets aan — het is puur een doorgeefluik voor de overheid.
De winkelier is alleen een doorgeefluik voor btw: hij int het van jou en betaalt het door aan de Belastingdienst. Hij verdient er zelf niets aan — zijn verkoopprijs is altijd exclusief btw.
Op een kassabon staan zowel de verkoopprijs (exclusief btw) als de consumentenprijs (inclusief btw). Je kunt de consumentenprijs berekenen vanuit de verkoopprijs door de btw erbij op te tellen. Maar je kunt ook andersom redeneren: als je de consumentenprijs weet, kun je terugrekenen naar de verkoopprijs exclusief btw. De consumentenprijs is altijd 121% (bij 21% btw) van de verkoopprijs — de verkoopprijs is dus 100/121 van de consumentenprijs.
Als winkelier koop je producten in om ze later te verkopen. De prijs die je voor de inkoop van één product betaalt is de inkoopprijs. Het totaalbedrag dat je betaalt voor de inkoop van alle producten is de inkoopwaarde. Door producten te verkopen ontvang je de omzet. Trek je daar de inkoopwaarde van af, dan houd je de brutowinst over. Dat is nog niet je echte inkomen — want je hebt ook nog andere kosten.
Brutowinst is nog niet je echte inkomen. Van die brutowinst moet je eerst alle bedrijfskosten betalen: personeelskosten, huur van het pand, verzekeringskosten, reclamekosten, energiekosten en de kosten van de winkelinrichting. Wat daarna overblijft is de nettowinst — dat is jouw inkomen als ondernemer. Als de bedrijfskosten hoger zijn dan de brutowinst, heb je verlies en draait jouw bedrijf in de min.
Finn fietst langs het nieuwe schoolplein dat net is opgeknapt. 'Wie heeft dat betaald?' vraagt hij thuis. Zijn moeder: 'De gemeente — en dus ook wij, via belasting.' De overheid regelt veel dingen waar jij elke dag mee te maken hebt
Om al die dingen te regelen werken er veel mensen voor de overheid. Deze mensen noem je ambtenaren.
De overheid in Nederland bestaat uit drie lagen: de gemeente, de provincie en de rijksoverheid. Elke laag regelt andere dingen.
De gemeente is de overheid die het dichtst bij jou staat. Jij woont bijvoorbeeld in de gemeente Pijnacker-Nootdorp. De gemeente regelt dingen in jouw woonplaats:
Ook ga je naar het gemeentehuis als je een ID-kaart of paspoort nodig hebt. Als er een nieuw voetbalveld komt of een skatepark wordt opgeknapt, dan heeft de gemeente dat geregeld.
Nederland heeft 12 provincies. Jij woont in de provincie Zuid-Holland. De provincie regelt grotere zaken die voor meerdere gemeenten belangrijk zijn:
Als er een nieuwe buslijn komt tussen verschillende dorpen of steden, dan helpt de provincie vaak mee met het regelen daarvan.
De rijksoverheid regelt zaken voor heel Nederland — dingen die overal hetzelfde moeten zijn:
De drie lagen van de overheid zorgen samen voor de infrastructuur van Nederland — alle voorzieningen voor vervoer en communicatie.
Wie regelt wat?
Jij kunt iedere schooldag naar school fietsen of met de bus reizen. Onderweg maak je gebruik van fietspaden, verkeerslichten en soms openbaar vervoer. Dat is allemaal geregeld door de overheid. Maar er zijn nog meer voorzieningen die we aan de overheid te danken hebben — denk aan parken, speeltuinen, de politie en de brandweer. Als je gaat sporten op een gemeentelijk voetbalveld of basketbalplein, maak je gebruik van een collectieve voorziening.
Deze voorzieningen zijn er voor iedereen. Daarom noem je ze collectieve voorzieningen. Het woord collectief betekent: samen of gezamenlijk. De overheid betaalt deze voorzieningen met geld uit belastingen.
Later ga je misschien werken en zelf geld verdienen. Maar wat gebeurt er als iemand geen werk kan vinden of ziek wordt en daardoor geen inkomen heeft? Daarvoor bestaat de sociale zekerheid. Dat betekent dat mensen die te weinig geld hebben tijdelijk hulp kunnen krijgen van de overheid. Die hulp heet een uitkering. Jouw opa of oma krijgt waarschijnlijk iedere maand AOW van de overheid.
Uitkeringen kosten veel geld. Daarom betaalt iedereen die werkt mee. Als je later een baan hebt, gaat een deel van je loon automatisch naar de overheid. Dat noem je sociale premies. Van dat geld betaalt de overheid de uitkeringen. Zo helpen werkende mensen mee aan mensen die tijdelijk geen inkomen hebben.
Het woord sociaal betekent dat je rekening houdt met anderen. Zo zorgen mensen die werken er samen voor dat mensen zonder werk toch een inkomen hebben.
Als je op school zit, maak je gebruik van een collectieve voorziening. Collectieve voorzieningen worden verzorgd door de collectieve sector — dat zijn de overheid en instanties zoals het UWV die zorgen voor de uitkeringen. De collectieve sector hoeft geen winst te maken. Het belangrijkste is dat zij hun werk goed uitvoeren met het geld dat zij krijgen.
Bij bedrijven werkt dit anders. Bedrijven zijn commercieel en willen wél winst maken — want anders kunnen zij failliet gaan. Bedrijven en burgers behoren tot de particuliere sector.
Burgers en bedrijven betalen belasting — een verplichte bijdrage aan de overheid. Maar niet iedereen betaalt belasting op dezelfde manier. Soms betaal je belasting rechtstreeks aan de Belastingdienst. En soms betaal je belasting via een omweg, zonder dat je er bewust bij stilstaat.
Als je iets koopt in de winkel, betaal je btw. Die btw gaat niet rechtstreeks naar de Belastingdienst — de winkelier int het en maakt het over. Jij betaalt dus belasting via een omweg. Dat noem je een indirecte belasting. Betaal je zelf direct aan de Belastingdienst, zoals bij inkomstenbelasting, dan is dat een directe belasting.
Iedereen met een inkomen betaalt inkomstenbelasting. Maar hoe dat precies werkt, verschilt per situatie. Als je in loondienst bent — dus werkt voor een baas — houdt je werkgever de belasting al in op je loon. Je hoeft dan zelf niets te doen. Dit heet loonbelasting. De werkgever maakt het geld direct over aan de Belastingdienst.
Bedrijven die winst maken betalen ook belasting — de vennootschapsbelasting. Dat geldt voor grote bedrijven zoals Coolblue, maar ook voor een kleine bv die een bakker heeft opgericht.
Soms geeft de overheid geld aan burgers of bedrijven in plaats van het te innen. Zo'n bijdrage van de overheid heet subsidie. Door subsidie wordt iets beter betaalbaar, waardoor de overheid mensen stimuleert om iets te gaan doen. De overheid geeft bijvoorbeeld subsidies aan sportverenigingen, voor culturele activiteiten en aan burgers of bedrijven die maatregelen nemen om energie te besparen.
Bepaalde producten zijn slecht voor je gezondheid of voor het milieu: alcohol, tabak (sigaretten) en brandstof (benzine). De overheid wil het gebruik van deze producten ontmoedigen. Daarom heft de overheid er accijns op. Accijns is een extra verbruiksbelasting — een indirecte belasting die verwerkt is in de prijs. Door accijns worden producten duurder, waardoor mensen er minder van kopen.
Belastingen zijn de belangrijkste inkomsten voor de overheid. Maar er zijn ook andere inkomsten: de niet-belastingontvangsten. De overheid heeft namelijk ook inkomsten uit boetes en uit bedrijven waarvan zij mede-eigenaar is. Als zo'n bedrijf winst maakt, krijgt de overheid een deel van die winst.
Voorbeelden van bedrijven waarvan de overheid mede-eigenaar is:
Elk jaar op de derde dinsdag van september is het Prinsjesdag. Op die dag leest de koning de troonrede voor. Daarin staan alle plannen van de regering voor het komende jaar. Daarna presenteert de minister van Financiën de rijksbegroting. Dat is een overzicht van alle verwachte inkomsten en uitgaven van het Rijk voor het komende jaar. Net zoals jij misschien bijhoudt hoeveel zakgeld je krijgt en hoeveel je uitgeeft, doet de overheid dat ook — maar dan voor het hele land en in miljarden euro's.
De overheid heeft niet genoeg geld voor alles. Daarom moet ze kiezen waar het geld naartoe gaat. Die keuzes staan in de miljoenennota. Dit is een toelichting op de rijksbegroting: waarom zijn bepaalde keuzes gemaakt? Als de overheid bijvoorbeeld meer geld wil uitgeven aan de zorg, moet ze ergens anders op bezuinigen of de belastingen verhogen. De Eerste en Tweede Kamer moeten de keuzes goedkeuren. Pas dan mag de regering de plannen uitvoeren.
Op de rijksbegroting staan inkomsten en uitgaven. Als de verwachte uitgaven hoger zijn dan de inkomsten, is er een begrotingstekort. De overheid kan dit voorkomen door te bezuinigen of de belastingen te verhogen. Als dat allebei niet lukt, moet de overheid geld lenen. Als de verwachte uitgaven lager zijn dan de inkomsten, is er een begrotingsoverschot. Met een overschot kan de overheid meer uitgeven of schulden afbetalen.
Noah is 14 jaar en heeft net zijn eerste bijbaantje bij de Jumbo — kassamedewerker, 8 uur per week. Vrijdag staat zijn eerste loonbetaling op zijn rekening: €60. Hij heeft een lijstje gemaakt van wat hij wil kopen: nieuwe Jordans (€130), een PS5-game (€70), een concertticket van zijn favoriete artiest (€45), en hij wil ook nog wat opzij zetten voor een nieuwe telefoon. Eén probleem: €60 is niet genoeg voor alles. Noah moet kiezen. Dat is precies wat economie bestudeert: behoeften zijn onbeperkt, maar geld is dat niet.
Niet alle behoeften van Noah zijn even urgent. Primaire behoeften zijn noodzakelijke levensbehoeften — eten, kleding, woonruimte. Zonder die kan hij niet overleven. Secundaire behoeften zijn alles wat zijn leven leuker of beter maakt, maar waarzonder hij ook kan leven. De Jordans, het concert, de game: dat zijn secundaire behoeften. Welke behoeften je hebt en hoe zwaar die wegen, verschilt per persoon — door je budget, leeftijd en omgeving.
Noah wil van alles, maar zijn €60 is op voordat hij alles heeft kunnen kopen. Dat is schaarste in een notendop: behoeften zijn onbeperkt, maar de middelen om ze te vervullen — in dit geval geld — zijn beperkt. Vrijwel alles wat Noah wil kopen heeft een prijs, omdat er middelen (arbeid, grondstoffen, energie) nodig zijn om het te maken. Dat zijn schaarse goederen. Een vrij goed is anders: dat is zomaar beschikbaar, zonder dat iemand er iets voor hoeft te doen. Frisse lucht, zonlicht, regenwater — niemand hoeft daar een fabriek voor te draaien.
Noah wil meer kunnen kopen dan zijn €60 toelaat. Zijn welvaart — de mate waarin hij in zijn behoeften kan voorzien — kan op drie manieren toenemen. Ten eerste meer inkomen: als hij meer uren gaat werken bij de Jumbo, verdient hij meer en kan hij meer kopen. Ten tweede prioriteiten stellen: misschien geeft hij zijn Spotify-abonnement op en kiest hij bewust voor het concert in plaats van de game. Met hetzelfde geld meer welvaart door slimmer te kiezen. Ten derde zelfvoorziening: dingen zelf doen in plaats van kopen — zijn moeder naait zijn gescheurde broek zelf in plaats van een nieuwe te kopen.
Percentages komen overal terug in economie: kortingen, belastingen, rente, inflatie. Noah ziet al meteen op zijn loonstrookje dat er 4% loonheffing is ingehouden — maar hoeveel euro is dat nou eigenlijk? Je moet dus snel en zeker een percentage van een getal kunnen berekenen.
Noah heeft zijn €60 verdiend en weet inmiddels dat hij niet alles kan kopen. Maar dan opent hij TikTok. Een influencer draagt de nieuwste Jordans. Zijn klasgenoot Daan heeft ze ook al. En plotseling wil Noah ze nog veel harder dan een uur geleden. Denk jij zelf na over wat je koopt? Deels — maar je wordt van twee kanten beïnvloed. Sociale beïnvloeding komt van mensen in je omgeving: Daan met zijn Jordans. Commerciële beïnvloeding komt van fabrikanten en winkeliers: de TikTok-advertentie, de influencer die betaald wordt om ze te dragen. Alles wat bedrijven doen om hun product te verkopen heet marketing, en ze zetten daar zes instrumenten voor in — de 6 P's.
Reclame is aandacht vragen voor een product of boodschap. Niet alle reclame is hetzelfde — er zijn drie soorten. Informatieve reclame geeft feitelijke informatie over een product. Merkreclame maakt een merknaam bekender zonder per se iets uit te leggen. Ideële reclame vraagt aandacht voor maatschappelijke thema's en probeert mensen aan het denken te zetten over hun gedrag — denk aan campagnes over duurzaamheid of gezondheid.
Bedrijven richten zich niet op iedereen tegelijk — ze kiezen een doelgroep: de groep mensen voor wie een product of boodschap is bedoeld. Noah is precies wie Nike, Spotify en PlayStation voor ogen hebben: een jongere met eigen geld, gevoelig voor wat zijn vrienden dragen en luisteren, en als je hem vroeg aan een merk bindt, blijft hij misschien zijn hele leven klant. Merken spelen daarin een grote rol: een A-merk heeft een goede naam en straalt kwaliteit uit. Een B-merk is goedkoper en minder bekend, maar de kwaliteit is niet altijd minder. Een huismerk is het goedkoopste alternatief van de supermarkt of winkel zelf.
Noah heeft na een paar weken werken bij de Jumbo al snel door dat hij een overzicht nodig heeft van zijn geld. Wat komt er binnen, wat gaat er uit? Dat overzicht heet een begroting. Budgetteren betekent je inkomsten en uitgaven op elkaar afstemmen. Het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) helpt daar ook bij — ze hebben zelfs een speciale website voor scholieren: scholieren.nibud.nl.
Uitgaven zijn ook niet allemaal hetzelfde — voor een goede begroting deel je ze in drie categorieën. Dagelijkse of huishoudelijke uitgaven zijn je alledaagse kosten, zoals boodschappen. Vaste lasten betaal je met een vaste regelmaat, bijvoorbeeld elke maand: abonnementen, huur of telefoonkosten. Incidentele uitgaven zijn grotere uitgaven die je niet zo vaak doet, zoals een nieuwe telefoon of een vakantie. Voor die laatste categorie moet je vaak reserveren: elke maand een vast bedrag opzij zetten.
Om uitgaven eerlijk te vergelijken, reken je ze om naar dezelfde periode. Gebruik daarvoor het jaar als tussenstap: 1 jaar = 12 maanden = 52 weken. Van week naar maand: vermenigvuldig met 52 en deel door 12. Van maand naar week: vermenigvuldig met 12 en deel door 52. Een maand is namelijk geen vier weken precies — er zitten gemiddeld 4,33 weken in een maand. Vergeet je dat, dan reken je verkeerd.
Heb jij het gevoel dat alles duurder wordt? Dat klopt — dat heet inflatie: een algemene stijging van de prijzen. Het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) meet prijsveranderingen en drukt ze uit in een percentage. 2,3% inflatie betekent dat de gemiddelde prijzen nu 2,3% hoger zijn dan een jaar geleden. Als de prijzen gemiddeld dalen, heet dat deflatie — dat is zeldzamer maar ook schadelijk voor de economie.
Koopkracht is de hoeveelheid goederen en diensten die je met je inkomen kunt kopen. Je loon kan stijgen, maar als de prijzen harder stijgen, ga je er toch op achteruit. Als de loonstijging in procenten meer is dan de inflatie, neemt je koopkracht toe en kun je meer kopen. Is de loonstijging minder dan de inflatie, dan daalt je koopkracht — je kunt minder kopen, ook al verdien je meer.
Om veranderingen door de tijd heen makkelijk te vergelijken, gebruiken economen indexcijfers. Je kiest een basisjaar — de periode waarmee je vergelijkt. Het indexcijfer in het basisjaar is altijd 100. Stijgen de prijzen daarna met 5%, dan is het indexcijfer 105. Zo zie je in één oogopslag hoeveel er veranderd is ten opzichte van het basisjaar, zonder te hoeven rekenen met absolute bedragen.
Noah wil slim kopen — maar hoe weet hij of de Jordans die hij online ziet wel echt de kwaliteit waard zijn? Als consument sta je er niet alleen voor. Consumentenorganisaties komen op voor jouw belangen — onafhankelijk van fabrikanten en winkeliers. Ze geven onpartijdige productinformatie via vergelijkend warenonderzoek: ze testen gelijksoortige producten van verschillende merken op prijs, kwaliteit, gezondheid en energieverbruik. Ze informeren ook over je rechten en plichten als consument, en voeren acties bij bedrijven of de overheid als dat nodig is.
Een grote verpakking lijkt altijd goedkoper — maar is dat ook zo? Om producten eerlijk te vergelijken, reken je altijd om naar dezelfde hoeveelheid — de prijs per standaardhoeveelheid. Dat doe je door de prijs te delen door de hoeveelheid en te vermenigvuldigen met de standaardhoeveelheid (bijv. per 100 gram). Zo vergelijk je producten van verschillende merken en verpakkingen eerlijk met elkaar.
Als consumenten samenwerken, hebben ze meer invloed op bedrijven. En met keurmerken zie je in één oogopslag of een product aan bepaalde eisen voldoet. Een keurmerk is een officieel erkend teken voor kwaliteit, veiligheid of duurzaamheid. Voorbeelden: CE-keurmerk (veiligheid), EKO-keurmerk (biologisch), Fairtrade-keurmerk (eerlijke handel). Door bewust voor producten mét keurmerk te kiezen, oefen je als consument invloed uit op wat bedrijven produceren.
De Jordans die Noah online heeft besteld, blijken een losse zool te hebben na twee weken dragen. Wat nu? Als je iets koopt, heb je rechten. Het consumentenrecht beschermt jou als koper tegen oneerlijke praktijken. Je hebt altijd recht op een deugdelijk product — een product dat doet wat het moet doen bij normaal gebruik. Wat deugdelijk is hangt af van het soort product, de prijs en wat de fabrikant heeft beloofd. Twee wetten beschermen je extra: de Warenwet verbiedt verkoop van onveilige producten, en de Wet productaansprakelijkheid stelt de fabrikant aansprakelijk voor gevolgschade.
Gekocht is gekocht — maar niet altijd. Bij online aankopen en bij verkoop aan de deur heb je wettelijk recht op minimaal 14 dagen bedenktijd. De Wet koop op afstand geldt voor aankopen via internet, telefoon of bestelbon. De Colportagewet geldt voor aankopen aan de deur of bij verkoopdemonstaties (bij aankopen boven €50). In die tijd mag je de koop zonder opgave van reden ongedaan maken. Heb je toch problemen? Dan kun je terecht bij de NVWA, ACM, Consuwijzer of de Geschillencommissie.
Noahs oudere zus Lisa (19) wil na haar mbo-opleiding op zichzelf gaan wonen. Ze vertelt thuis aan tafel hoe moeilijk dat is: de wachtlijst voor sociale huur is jarenlang, vrije sector is te duur, en een huis kopen zonder vast inkomen is onmogelijk. Noah hoort voor het eerst termen als 'hypotheek', 'huurtoeslag' en 'sociale huur'. Wonen kost geld — veel geld. Je kunt een woning kopen of huren. Op de koopwoningmarkt bepalen vraag en aanbod de prijs. Op de huurwoningmarkt zijn er twee segmenten: sociale huurwoningen (tot ca. €740/maand), verhuurd door woningcorporaties aan mensen met een lager inkomen, en vrije sector huurwoningen door commerciële verhuurders. Als je inkomen en vermogen laag genoeg zijn, kun je huurtoeslag aanvragen bij de Belastingdienst.
Een huis kopen is de grootste aankoop van je leven. Naast de koopprijs zijn er extra kosten. Bij een bestaande woning zijn dat de "kosten koper": 2% overdrachtsbelasting over de aankoopprijs plus notariskosten. Voor de financiering sluit je bijna altijd een hypothecaire lening af: een lening waarbij de woning als onderpand dient. Hoe hoger de lening, hoe hoger de maandlasten en hoe meer rente je betaalt over de looptijd.
Onderpand: als jij de hypotheek niet meer kunt betalen, mag de bank je huis verkopen om de lening terug te krijgen. Dat is het risico van een hypotheek.
Naast huur of hypotheek betalen huishoudens ook belasting aan de gemeente. De onroerendezaakbelasting (OZB) betalen woningeigenaren over de WOZ-waarde van hun woning. Huurders betalen geen OZB maar wél rioolheffing en reinigingsheffing — samen met eigenaren. Deze gemeentelijke heffingen zijn een toepassing van het profijtbeginsel: je betaalt mee voor de voorzieningen die je gebruikt.
Noah ziet de energierekening van zijn ouders liggen: €180 deze maand. Hij realiseert zich dat zijn spelcomputer, zijn telefoonlader die altijd in het stopcontact zit en de wasbeurt van zijn werkkleding allemaal bijdragen. Elke keer dat jij iets koopt, gebruikt of weggooit heeft dat gevolgen voor het milieu. Milieuschade omvat alle negatieve gevolgen voor het milieu: vervuiling van lucht, water en bodem, verbruik van grondstoffen en fossiele brandstoffen, en het ontstaan van afval. De bredere schade voor de samenleving — geluidsoverlast, uitlaatgassen, verdwijnen van natuurgebieden — heet maatschappelijke kosten. Die zijn vaak moeilijk in geld uit te drukken.
De overheid stimuleert duurzame energie met subsidies (bijv. bij aanschaf van een warmtepomp), energiebespaarleningen tegen lage rente, en de mogelijkheid om btw terug te vragen op zonnepanelen. Maar milieuschade heeft ook kosten die niet altijd zichtbaar zijn op je energierekening. De energierekening bestaat uit vaste kosten (netbeheer en levering), variabele verbruikskosten (per kWh of m³), energiebelasting en btw.
Noah krijgt elke vrijdag zijn loon overgemaakt — €60 op zijn ING-rekening. Dat klinkt simpel, maar achter dat ene tikje van zijn werkgever zit een heel systeem. Voor er geld was, ruilden mensen producten direct met elkaar — dat heet directe ruil. Dat is niet altijd handig: de hoeveelheden moeten kloppen en de ander moet precies hebben wat jij wilt. Geld loste dit op: je verkoopt iets en gebruikt het geld later om iets anders te kopen. Dat heet indirecte ruil — geld is het ruilmiddel. Maar geld heeft drie functies: als ruilmiddel (kopen en verkopen), als rekenmiddel (waarde vergelijken) en als spaarmiddel (bewaren voor later).
Noah betaalt zijn broodje bij de schoolkantine met zijn telefoon — één tikje en het geld is weg van zijn rekening. Zijn oma geeft hem met zijn verjaardag altijd een briefje van €50. Twee manieren van betalen, twee soorten geld. Chartaal geld zijn alle munten en bankbiljetten — contant geld dat je kunt aanraken. Giraal geld staat op je betaalrekening en gebruik je door te pinnen, tikken met je telefoon of via een betaalapp. In Nederland worden steeds meer betalingen giraal gedaan. En elektronisch betalen heeft voordelen: het is snel, veilig en je hebt geen wisselgeld nodig.
Saldo berekenen: Creditsaldo = positief (je hebt geld). Debetsaldo = negatief (je staat rood). Nieuw saldo = Oud saldo + Bijschrijvingen − Afschrijvingen.
Noah wil een nieuwe telefoon — zijn huidige is bijna kapot. Prijs: €349. Met €60 per week verdient hij dat niet in één keer. Hij besluit te sparen: elke week €20 opzij. Maar op welke rekening? En wat levert dat op? Sparen is geld opzij zetten voor later, en de keuze hangt af van je doel.
Er zijn twee manieren waarop rente wordt berekend. Bij enkelvoudige rente wordt rente altijd over het originele bedrag berekend. Bij samengestelde rente krijg je rente óver je rente — en groeit je spaargeld sneller.
Noah heeft na drie maanden sparen €240 opzij gezet. Zijn ING-rekening geeft 1,5% rente. Maar de inflatie is 3%. Groeit zijn spaargeld wel echt? Zijn spaarrekening groeit door rente — maar inflatie holt de koopkracht van je spaargeld uit. Als inflatie hoger is dan je rente, word je er in werkelijkheid armer van.
Inflatie > spaarrente → koopkracht spaargeld neemt af
Inflatie < spaarrente → koopkracht spaargeld neemt toe
Noah ziet bij de Jumbo een advertentie: "Nu een AirTag-portemonnee — betaal in 3 termijnen van €10!" Klinkt aantrekkelijk. Maar is het slim? Soms heb je geld nodig dat je nog niet hebt. Er zijn vier leenmotieven: een tijdelijk geldtekort opvangen, een dure aankoop niet uitstellen, dringend geld nodig zonder spaargeld, of een woning kopen (hypothecaire lening). Lenen kan dan een oplossing zijn — maar het kost altijd geld. Je betaalt het geleende bedrag (de kredietsom) terug in termijnen, plus kredietkosten: rente en eventuele administratiekosten. Alles wat je méér terugbetaalt dan je leende, zijn de kredietkosten.
Er zijn verschillende soorten leningen, elk met eigen regels. Een persoonlijke lening heeft vaste termijnen en een vast termijnbedrag. Bij een doorlopend krediet leen je tot een kredietlimiet, los je af en mag je opnieuw bijlenen. Een salariskrediet is roodstand op je betaalrekening. En ook als je in termijnen betaalt in de winkel — koop op afbetaling — is dat een lening, nu bij de winkelier.
Banken zijn de bemiddelaars tussen mensen die geld hebben (spaarders) en mensen die geld nodig hebben (leners). Het aanbod van geld komt van huishoudens die sparen. De vraag naar geld komt van huishoudens en bedrijven die willen lenen. De bank brengt die twee bij elkaar: jouw spaargeld wordt uitgeleend aan anderen, en jij krijgt daarvoor spaarrente. De bank verdient het verschil tussen de rente die ze ontvangt van leners en de rente die ze betaalt aan spaarders. Ze verdienen geld door een hogere rente te vragen dan ze uitbetalen.
Hoe verdient een bank geld? Door het renteverschil: de bank betaalt spaarders 2% rente en vraagt leners 5% rente. Het verschil van 3% is de winst van de bank.
Sparen is veilig maar levert weinig op. Beleggen kan meer opleveren — maar er zit ook risico aan vast. Als aandeelhouder deel je mee in de winst via dividend, en als de koers stijgt maak je koerswinst. Maar de koers kan ook dalen, of een bedrijf kan failliet gaan — dan verlies je (een deel van) je geld. De basisregel: hoe hoger het potentiële rendement, hoe groter het risico.
Noahs klas gaat op schoolreis naar Londen. Hij heeft €80 gespaard voor souvenirs en eten. In Engeland betaal je niet met euro's maar met Britse ponden (£). Hoe weet hij hoeveel £ hij krijgt voor zijn €80? Dat hangt af van de wisselkoers: de waarde van €1 uitgedrukt in de vreemde munt. Stel: €1 = $1,10 — dan krijg je voor €100 precies $110. De wisselkoers verandert elke dag. Let op: banken en wisselkantoren hanteren twee koersen — een aankoopkoers en een verkoopkoers. Je koopt vreemd geld altijd tegen een hogere koers dan je het terugverkoopt.
Noah heeft drie weken gespaard en koopt een tweedehands racefiets van €350. Eén week later staat hij voor een leeg fietsenrek — zijn fiets is gestolen. Hij heeft geen verzekering. Had hij er een moeten hebben? Zulke dingen kosten geld — soms heel veel geld. Of je je moet verzekeren hangt af van twee dingen: de kans op schade en het mogelijke schadebedrag. Als je het zelf kunt betalen, is verzekeren minder nodig. Als de schade groot kan zijn, is verzekeren verstandig. Je kunt je alleen verzekeren voor een onzeker voorval: een gebeurtenis waarvan je niet weet of en wanneer die ooit plaatsvindt.
Verzekeren heeft geen zin als: je genoeg spaargeld hebt om de schade zelf te betalen, of als de schade zo klein is dat je hem makkelijk zelf kunt dragen. De verzekeraar verdient immers altijd aan premies.
Noah vraagt zich af: als hij zijn volgende fiets wél had verzekerd, wat had dat gekost? En krijg je dan altijd alles terug? Voor een verzekering betaal je premie aan de verzekeraar. Met die premies van alle verzekerden samen kan de verzekeraar schadevergoedingen uitbetalen, zijn bedrijfskosten betalen, een reserve opbouwen én winst maken. Bij schade krijg je niet altijd het volledige schadebedrag vergoed — je betaalt zelf een deel: het eigen risico. Hoe hoger je eigen risico kiest, hoe lager je premie wordt.
Noah vraagt zijn ouders: "Als mijn fiets was gestolen, had de inboedelverzekering dat dan gedekt?" Zijn vader legt het uit — en het antwoord verrast Noah. Thuis zijn er meerdere risico's te verzekeren. De AVP (Aansprakelijkheidsverzekering Particulieren) dekt schade die jij of je gezin per ongeluk bij anderen veroorzaakt — ook huisdieren vallen hieronder. Voor je huis zijn er twee verzekeringen: de inboedelverzekering (voor de spullen in je huis, verzekerd voor nieuwwaarde) en de opstalverzekering (voor het huis zelf, verzekerd voor herbouwwaarde).
De premie voor een woonhuisverzekering hangt af van de waarde waarvoor je verzekerd bent. Het premietarief is een bedrag per €1.000 verzekerd bedrag. Ben je voor te weinig verzekerd en je hebt schade? Dan vergoedt de verzekeraar maar een evenredig deel — dat heet onderverzekering. Door regelmatig de verzekerde waarde te controleren en aan te passen aan prijsstijgingen voorkom je dat je ongemerkt te laag verzekerd raakt.
Noah (nu 16) gaat met zijn familie op vakantie naar Griekenland. Op Kreta wil hij een scooter huren om het eiland te verkennen. Het verhuurbedrijf vraagt: "Wil je de basisverzekering erbij?" Noah heeft geen idee wat dat inhoudt. Zijn vader legt het uit: zodra je met een scooter of auto de weg op gaat, ben je wettelijk verplicht een WA-verzekering (Wettelijke Aansprakelijkheid) te hebben. Die dekt schade die jij aan anderen toebrengt. Een cascoverzekering dekt ook je eigen schade. De combinatie heet een allriskverzekering. De hoogte van de premie hangt af van het soort verzekering, het gewicht of de cataloguswaarde van het voertuig, kilometers per jaar, regio, leeftijd van de bestuurder en het eigen risico.
Na een geweldige week op Kreta geeft Noah de scooter onbeschadigd terug. "Als je dit elk jaar schadevrij doet," zegt zijn vader, "bouw je no-claim op en betaal je steeds minder premie." Hoe langer je schadevrij rijdt, hoe minder premie je betaalt. Verzekeraars werken met een no-claimsysteem: elk schadevrij jaar stijg je op een trede van de no-claimladder en daalt je premie. Claim je wel schade? Dan val je terug op de ladder en stijgt je premie. Het is dus niet altijd verstandig om kleine schades te claimen — soms is het goedkoper om de schade zelf te betalen. Vergelijkingssites helpen je de goedkoopste verzekering te vinden.
| Trede | Schadevrije jaren | No-claimkorting |
|---|---|---|
| 8 | 4+ | 75% |
| 5 | 1 | 60% |
| 4 (start) | 0 | 55% |
| 1 | −3 | 25% |
| 0 | −4 | 0% |
Lisa (Noahs zus) wordt binnenkort 18. Ze vertelt thuis: "Ik moet nu zelf een zorgverzekering afsluiten — en dat kost €140 per maand!" Noah denkt: dat staat mij ook te wachten. In Nederland is iedereen van 18 jaar en ouder verplicht een zorgverzekering af te sluiten voor de basisverzekering. Die dekt huisarts, ziekenhuis en medicijnen. Onder de 18 jaar ben je gratis meeverzekerd op de polis van je ouders. Naast de basisverzekering kun je een aanvullende verzekering afsluiten, bijvoorbeeld voor de tandarts of fysiotherapie — dat is niet verplicht. Verzekeraars hebben een acceptatieplicht voor de basisverzekering: ze mogen niemand weigeren.
Lisa betaalt net zoveel premie als haar opa van 72. "Is dat eerlijk?" vraagt Noah. Zijn vader legt het uit. Het verplichte eigen risico is er om zorggebruik te remmen. Maar er is ook een dieper principe: solidariteit. Iedereen betaalt mee — ook gezonde mensen — zodat zieke mensen de zorg kunnen betalen die ze nodig hebben. De overheid helpt mensen met een laag inkomen via zorgtoeslag: een bijdrage in de kosten van de zorgverzekering, aan te vragen bij de Belastingdienst.
Noah werkt inmiddels bijna een jaar bij de Jumbo. Zijn moeder vraagt: 'Vind je het niet zwaar, elke zaterdag werken?' Noah denkt na. Het geld is fijn — maar hij vindt het ook leuk om zijn collega's te zien en iets nuttigs te doen. Waarom ga jij werken? Alleen voor het geld? Nee — er zijn meerdere arbeidsmotieven: geld verdienen, nuttig en zinvol bezig zijn, contact met andere mensen, regelmaat in je leven en nieuwe dingen leren. Hoeveel je verdient hangt af van je opleiding (geschoold vs. ongeschoold werk), je functie en wat er in je arbeidsovereenkomst en de cao is vastgelegd. Het wettelijk minimumloon is de ondergrens.
Noah kijkt voor het eerst goed naar zijn loonstrookje. Hij werkte 8 uur à €7,50 bruto — dat is €60 bruto. Maar er is €2,40 loonheffing ingehouden. Op zijn rekening staat €57,60. Wat is er afgehouden en waarom? Van je brutoloon houdt je werkgever loonbelasting en sociale premies in. Wat overblijft is je nettoloon — het bedrag op je rekening. Naast loon in loondienst zijn er ook andere arbeidsvormen: wit werk (officieel, met belasting), zwart werk (niet opgegeven aan de Belastingdienst, illegaal) en grijs werk (een tussenvorm). Het wettelijk minimumloon geldt voor iedereen van 21 jaar en ouder; voor jongeren gelden lagere percentages.
Noahs oom Riad heeft een eigen kapsalon in de buurt. Noah helpt hem een middag met schoonmaken en ziet hoe anders een klein bedrijf werkt dan de Jumbo. Welke sector zit de Jumbo in? En de kapsalon? En Noahs school? Je kent de drie productiesectoren al van klas 2. In klas 3 voegen we de quartaire sector toe: de niet-commerciële dienstverlening, zoals onderwijs, zorg en overheid. Bedrijven verdelen taken via arbeidsverdeling: iedereen doet waarvoor hij of zij het meest geschikt is. Er is leidinggevend werk (beslissingen nemen, aansturen) en uitvoerend werk (de taken uitvoeren). Een eigen bedrijf beginnen kan als eenmanszaak, zzp, vof, nv of bv — elke vorm heeft andere regels voor aansprakelijkheid en winstverdeling.
Oom Riad werkt alleen — hij is zijn eigen baas en draait voor alles op. Noah vraagt: 'Stel dat iemand jou aanklaagt voor een mislukte coupe — ben jij dan persoonlijk aansprakelijk?' Riad zucht: 'Helaas wel.' Dat is het risico van zijn ondernemingsvorm. Als je een bedrijf start, kies je een ondernemingsvorm. Die keuze bepaalt hoe aansprakelijk je bent voor schulden. Bij een eenmanszaak of vof ben je privé aansprakelijk: schuldeisers kunnen je privébezit aanspreken. Bij een bv of nv is de aansprakelijkheid beperkt tot het ingelegde kapitaal. Een zzp'er (zelfstandige zonder personeel) werkt als eenmanszaak maar voor meerdere opdrachtgevers. Een nv heeft aandelen die vrij verhandelbaar zijn; bij een bv zijn dat besloten aandelen.
Noah hoort op het nieuws dat jongeren het moeilijkst werk vinden — zelfs voor bijbaantjes. Zijn klasgenote Amara heeft drie keer gesolliciteerd maar steeds afwijzingen gekregen. Noah vraagt zich af: hoe werkt die arbeidsmarkt eigenlijk? De arbeidsmarkt is de markt waar werkgevers en werknemers elkaar vinden. De vraag naar arbeid bepaalt de werkgelegenheid — alle arbeidsplaatsen bij bedrijven en de overheid. Het aanbod van arbeid komt van de beroepsbevolking: iedereen van 15 jaar tot de pensioenleeftijd die werkt of actief werk zoekt. Steeds meer mensen werken flexibel: als uitzendkracht of oproepkracht, alleen inzetbaar als een bedrijf ze nodig heeft.
Amara en Noah solliciteren allebei bij een supermarkt. Noah krijgt een uitnodiging, Amara niet — terwijl ze allebei even oud zijn en vergelijkbare ervaring hebben. Toeval? Misschien. Maar discriminatie op de arbeidsmarkt is een bewezen probleem. Iedereen verdient gelijke kansen op de arbeidsmarkt. Maar in de praktijk werkt dat niet altijd zo: ouderen en mensen met een migratieachtergrond vinden moeilijker werk, en vrouwen verdienen gemiddeld minder dan mannen in dezelfde functie. De Algemene wet gelijke behandeling verbiedt onderscheid op basis van geslacht, religie, leeftijd en afkomst. Toch blijft discriminatie op de arbeidsmarkt een hardnekkig probleem.
Noahs vader werkt als bouwvakker, maar zijn bedrijf heeft minder opdrachten door de gestegen bouwkosten. Hij wordt tijdelijk werkloos. Thuis merkt Noah het direct: zijn vader zit vaker thuis, er is minder geld, en de sfeer is gespannen. Werkloos zijn heeft grote gevolgen — niet alleen financieel (minder inkomen), maar ook sociaal en psychologisch: je verliest het contact met collega's, kunt je nutteloos voelen en raakt je dagelijkse structuur kwijt. Je bent officieel werkloos als je tussen de 15 en de pensioenleeftijd bent, geen baan hebt én actief naar werk zoekt. Je kunt je inschrijven bij het UWV (Uitvoeringsinstantie Werknemersverzekeringen), dat je helpt bij het zoeken naar werk en beoordeelt of je recht hebt op een WW-uitkering.
Gevolgen van werkloosheid: verlies van contact met collega's, nutteloosheidsgevoel, lager inkomen, misschien verhuizen. Werk geeft niet alleen geld, maar ook structuur en sociale contacten.
Noahs vader is niet de enige: zijn collega's in de bouw zitten ook thuis. Maar een kassamedewerker bij de Jumbo verloor haar baan door een nieuwe zelfscankassa. En Noahs neef zit tussen twee bijbanen in. Drie mensen werkloos — maar om totaal verschillende redenen. Niet alle werkloosheid heeft dezelfde oorzaak. Conjuncturele werkloosheid ontstaat door een economische neergang — minder vraag naar producten betekent minder personeel nodig. Structurele werkloosheid ontstaat door blijvende veranderingen, zoals automatisering. Daarnaast zijn er frictiewerkloosheid (tijdelijk tussen twee banen), seizoenwerkloosheid (terugkerend door seizoensgebonden werk) en regionale werkloosheid (concentratie van werkloosheid in bepaalde gebieden).
Ines is een klasgenote van Noah. Ze maakt zelfgemaakte armbanden van kralen en verkoopt die via haar Instagram en op de weekmarkt. Wat heeft ze nodig om te produceren? Om iets te produceren heb je middelen nodig. Die middelen heten productiefactoren. Er zijn er vier: natuur (grond, regenwater, grondstoffen, fossiele brandstoffen), arbeid (de menselijke inspanning), kapitaal (machines, gebouwen, voertuigen) en ondernemerschap (de ondernemer die alles combineert en risico neemt). Elke productiefactor heeft een eigen beloning: pacht voor natuur, loon voor arbeid, rente of huur voor kapitaal, en winst voor de ondernemer.
Toegevoegde waarde = alle beloningen samen. De som van alle pacht, lonen, rente, huren en winsten in een bedrijf is gelijk aan de totale toegevoegde waarde van dat bedrijf.
Voordat Ines een armband kan verkopen, hebben er al meerdere bedrijven aan bijgedragen: een mijnbedrijf wint de edelstenen, een handelaar verkoopt de kralen, Ines koopt ze in en maakt de armband, en haar klant koopt het eindproduct. Van grondstof tot eindproduct doorloopt een product meerdere bedrijven. Elk bedrijf in die keten voegt waarde toe aan het product en verkoopt het duurder door dan het ingekocht heeft. De reeks van bedrijven die achtereenvolgens aan een product werken heet de bedrijfskolom. Het verschil tussen de verkoopprijs en de inkoopprijs per bedrijf is de toegevoegde waarde. Alle toegevoegde waarden samen in een land vormen het nationaal inkomen.
Ines maakt elke armband met de hand — veel arbeid, weinig machines. De kralengroothandel waar ze inkoopt, gebruikt geautomatiseerde sorteerrobots. Sommige bedrijven draaien vooral op mensen, andere op machines. Een bedrijf dat relatief veel arbeid gebruikt en weinig kapitaal heet arbeidsintensief — denk aan een restaurant of thuiszorginstelling. Een bedrijf dat relatief veel machines gebruikt heet kapitaalintensief — zoals een autofabriek of een raffinaderij. Machines worden elk jaar minder waard door gebruik en slijtage: dat heet afschrijving. Hoe je afschrijving berekent hangt af van de aanschafprijs en de economische levensduur.
Ines koopt een setje kralen in voor €1,50 en verkoopt de armband voor €4,50. Maar is dat genoeg? Ze moet ook haar marktkraam betalen. Een winkelier koopt producten in en verkoopt ze duurder. Het verschil tussen inkoopprijs en verkoopprijs heet de brutowinstopslag. Die opslag is een percentage van de inkoopprijs. Met de brutowinstopslag betaalt de winkelier zijn bedrijfskosten (huur, personeel, energie) én behaalt hij winst. De verkoopprijs kun je berekenen door de brutowinstopslag bij de inkoopprijs op te tellen, of door de inkoopprijs te vermenigvuldigen met (1 + opslagpercentage).
Ines verkoopt haar armbanden voor €4,50. Maar hoeveel btw moet ze afdragen? En als ze op haar prijskaartje €5,- wil vragen inclusief btw, hoe hoog is haar prijs dan excl. btw? Bovenop de verkoopprijs betaalt de consument btw. De winkelier draagt die af aan de overheid — hij verdient er niets aan. Je kunt ook terugrekenen: hoeveel btw zit er ín een prijs die je al kent?
Ines heeft een goede marktdag: ze verkoopt 18 armbanden. Maar wat heeft ze er nou écht aan overgehouden? Van verkoop naar echte winst gaat in stappen. De afzet bepaalt de omzet; van de omzet trek je de inkoopwaarde af voor de brutowinst; dan nog de bedrijfskosten en je hebt de nettowinst.
Ines verkoopt op twee plekken: op de weekmarkt in haar stad en via Instagram. Zijn dat allebei markten? De term "markt" betekent in de economie meer dan een weekmarkt. Een concrete markt is een fysieke plek waar goederen worden verhandeld — een weekmarkt, winkel of beurs. Een abstracte markt bestaat uit alle vraag naar en aanbod van een product, zonder dat er een vaste locatie is — denk aan de woningmarkt, de arbeidsmarkt of de wereldmarkt voor olie. Abstracte markten kun je opdelen in deelmarkten, zoals de woningmarkt in een markt voor koopwoningen en huurwoningen.
Ines vraagt €4,50 voor haar armbanden. Op een rustige marktdag houdt ze er drie over. De week daarna verlaagt ze de prijs naar €3,80 — en verkoopt ze alles. Wanneer is er nu een evenwichtsprijs? Vraag en aanbod bepalen samen de prijs. Bij de prijs waarbij precies evenveel wordt gevraagd als aangeboden, spreken we van de evenwichtsprijs. En als bedrijf wil je weten hoe groot jouw stuk van de marktkoek is: dat is je marktaandeel.
Ines betaalt €15 per marktdag voor haar kraampje — of ze nu 5 of 25 armbanden verkoopt. De kralen kosten haar €1,20 per armband — hoe meer ze maakt, hoe meer ze uitgeeft. Productiekosten zijn niet allemaal hetzelfde. Vaste kosten betaal je altijd — ook als je niets produceert. Ze blijven in totaal gelijk, maar per product worden ze lager naarmate je meer produceert. Voorbeelden: huur, loon vaste medewerkers, afschrijving. Variabele kosten nemen toe als je meer produceert en dalen als je minder produceert — maar per product blijven ze gelijk. Voorbeelden: grondstoffen, energie, loon flexwerkers.
Ines kan per marktdag maximaal 20 armbanden maken. Maar als ze haar werkplek beter organiseert — alles klaargezet, vaste volgorde — maakt ze er 25. Is dat realistisch? Hoeveel kan een bedrijf maximaal produceren? Dat is de productiecapaciteit — de maximale hoeveelheid die een bedrijf kan maken met de beschikbare mensen en machines. Een bedrijf produceert zelden op volle capaciteit. De arbeidsproductiviteit geeft aan hoeveel een medewerker in een bepaalde tijd produceert. Die kun je verhogen door te mechaniseren, automatiseren of werknemers beter op te leiden. Meer arbeidsproductiviteit = meer produceren met dezelfde mensen.
Bedrijven veroorzaken niet alleen winst, maar ook maatschappelijke kosten: vervuiling, files, geluidsoverlast. Maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) betekent dat een bedrijf rekening houdt met meer dan alleen winst. Het gaat om drie P's: People (eerlijke arbeidsomstandigheden), Planet (milieu en duurzaamheid) en Profit (financieel gezond blijven). Bedrijven die MVO serieus nemen zorgen zo dat hun activiteiten op lange termijn goed zijn voor mensen, milieu én bedrijfsresultaten.
Noah kijkt op het label van zijn nieuwe Jordans: 'Made in Vietnam'. Zijn telefoon: 'Assembled in China'. Bij de Jumbo verkoopt hij elke dag Spaanse tomaten en Keniaanse boontjes. Alles om hem heen komt van ergens anders. Waarom maakt Nederland die dingen niet zelf? Nederland is een kleine, open economie midden in Europa. We importeren wat we niet zelf kunnen maken of wat elders goedkoper wordt geproduceerd: grondstoffen die hier niet voorkomen, landbouwgewassen die niet in ons klimaat groeien, en producten die consumenten willen maar die hier niet worden gemaakt. We exporteren producten die in Nederland zijn gemaakt én producten die we eerst hebben ingevoerd en onbewerkt doorverkopen: dat heet wederuitvoer. Rotterdam als doorvoerhaven speelt daarin een grote rol.
Noah vraagt aan zijn moeder: 'Als Nederland zoveel importeert, heeft het dan niet steeds meer schulden?' Ze legt uit dat Nederland ook veel exporteert — meer dan het importeert. Dat staat allemaal op de betalingsbalans. Hoeveel geld gaat er in totaal het land in en uit door handel? Dat staat op de betalingsbalans: een overzicht van alle ontvangsten uit het buitenland en alle betalingen aan het buitenland. De invoerwaarde is het totale bedrag dat we voor import betalen; de uitvoerwaarde is wat we aan export verdienen. Als de uitvoerwaarde hoger is dan de invoerwaarde is er een handelsoverschot — het saldo op de betalingsbalans is dan positief.
Ines ziet op Etsy dat Chinese verkopers vergelijkbare armbanden aanbieden voor €1,50 — minder dan wat zij voor haar kralen betaalt. Hoe kan dat? Landen concurreren met elkaar op de wereldmarkt. Nederland heeft een sterke internationale concurrentiepositie: we kunnen beter en/of goedkoper produceren dan veel andere landen, dankzij goed onderwijs en goede infrastructuur. Internationale arbeidsverdeling houdt in dat elk land maakt waar het goed in is. Zo kunnen consumenten wereldwijd kiezen uit de beste producten tegen de laagste prijs — wat de welvaart in de wereld vergroot. De toename van wereldwijde handel en contacten heet globalisering. Multinationals zoals Shell, Ikea en McDonald's zijn niet meer aan één land gebonden.
Ines vraagt zich af: als de overheid een invoerrecht zou heffen op goedkope Chinese sieraden, zou ze dan makkelijker kunnen concurreren? Vrijhandel is goed voor de welvaart — maar niet voor elke sector in elk land. Soms beschermen landen hun eigen industrie met protectiemaatregelen zoals invoerrechten, importquota of exportsubsidies. Een invoerrecht maakt buitenlandse producten duurder, waardoor eigen producenten worden beschermd. Nadeel: consumenten betalen meer en de internationale welvaart daalt. De meeste economen zijn dan ook vóór vrijhandel en tégen protectie — maar politiek is dat een stuk gecompliceerder.
Op vakantie in Griekenland betaalde Noah gewoon met zijn pinpas — geen valuta wisselen, geen douane. Op de schoolreis naar Londen moest hij wél ponden wisselen. Waarom is dat zo anders? Nederland is één van de 27 lidstaten van de Europese Unie. Binnen de EU gelden speciale regels voor handel via de interne markt: grenzen spelen geen rol bij handel tussen EU-landen. De interne markt heeft drie vrijheden: vrij verkeer van goederen en diensten (vrijhandel), vrij verkeer van personen (wonen, werken, studeren in elk EU-land) en vrij verkeer van kapitaal (sparen, lenen en investeren in elk EU-land). Het CE-keurmerk geeft aan dat een product aan alle EU-eisen voldoet.
Noah wisselde in Londen €80 naar £68,80 (H3). Maar als hij een jaar later terugkomt en de koers is veranderd, krijgt hij voor diezelfde €80 misschien meer of minder pond. Bedrijven die elke dag handelen hebben daar veel last van. Handel buiten de eurozone betekent werken met wisselkoersen. Die kunnen veranderen — met grote gevolgen voor bedrijven en consumenten. Als de euro sterker wordt ten opzichte van de dollar, worden Europese producten duurder voor Amerikanen (minder export) maar goedkoper voor Europeanen om te importeren. Als de euro zwakker wordt, is het omgekeerde het geval. Bedrijven die veel internationaal handelen lopen daardoor wisselkoersrisico.
Voordelen van de euro: prijzen in eurolanden zijn direct vergelijkbaar, geen wisselkosten bij reizen of handel binnen de eurozone, geen wisselkoersrisico voor bedrijven die in de eurozone handelen.
Ines koopt haar kralen bij een handelaar die ze importeert uit Marokko. Ze vraagt zich af: hoeveel verdient de vrouw die deze kralen met de hand maakt? En hoe arm is Marokko eigenlijk vergeleken met Nederland? Om de welvaart van landen te vergelijken kijk je naar het inkomen per hoofd van de bevolking: het nationaal inkomen gedeeld door het aantal inwoners. Maar dat vertelt niet het hele verhaal. Je moet ook kijken naar de inkomensverdeling (in ontwikkelingslanden is die vaak erg ongelijk), naar zelfvoorziening en informele economie (tellen niet mee voor het nationaal inkomen maar zorgen wel voor welvaart), en naar de koopkracht (met hetzelfde inkomen koop je in een goedkoop land meer dan in een duur land).
De Marokkaanse kralenmaakster verdient weinig. Ze kan haar kinderen niet naar een goede school sturen. Zonder diploma's verdienen zij ook weinig. Armoede in ontwikkelingslanden heeft meerdere oorzaken die elkaar versterken. Ze zitten vast in een vicieuze cirkel: weinig inkomen → geen geld voor onderwijs → geen geschoolde arbeid → lage productiviteit → weinig inkomen. Andere oorzaken zijn slechte infrastructuur, politieke instabiliteit, corruptie, schulden aan rijke landen en klimatologische omstandigheden. Die cirkel doorbreken lukt zelden zonder hulp van buitenaf.
Cirkel doorbreken: beter onderwijs → kinderen gaan naar school → voldoende scholing → beter betaald werk → meer welvaart → kinderen hoeven niet te werken. Ontwikkelingssamenwerking, eerlijke handel en het afschaffen van protectiemaatregelen helpen hierbij.
Ines besluit bewust Fairtrade-kralen te kopen: €0,30 duurder per setje, maar de kralenmaakster in Marokko krijgt een eerlijke prijs. Ines vraagt zich af of dat echt helpt, of dat je voor echte verandering meer nodig hebt. Armoede bestrijden kan op twee manieren. Noodhulp reageert snel op acute crises zoals hongersnood, aardbevingen of overstromingen: voedsel, medicijnen en onderdak. Structurele hulp richt zich op de lange termijn: betere landbouwtechnieken, onderwijs, gezondheidszorg en het opbouwen van eigen industrie. Structurele hulp is effectiever omdat het landen helpt zichzelf te redden. Bekende voorbeelden van ontwikkelingsorganisaties: Oxfam Novib, UNICEF en de Wereldbank. Ook Fairtrade draagt bij: eerlijke prijzen voor producten uit ontwikkelingslanden.
Noah heeft er nooit bij stilgestaan, maar de overheid speelt elke dag een rol in zijn leven. De centrale overheid heet het Rijk. Het Rijk maakt wetten en regels die voor het hele land gelden — van Amsterdam tot Pijnacker. Ministers vormen het bestuur en zijn verantwoordelijk voor nationale zaken zoals defensie, het NS-spoornet en de snelwegen.
Noah fietst elke dag naar school over een fietspad — aangelegd door de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Soms gaat hij naar Zoetermeer via de provinciale N470, of neemt hij de bus naar Delft — beide geregeld door de provincie Zuid-Holland. En zijn vader rijdt dagelijks over de A12 — een rijksweg. Drie overheden, één gezin, één dag. Naast het Rijk zijn er lagere overheden die taken uitvoeren voor een kleiner gebied — jouw buurt, gemeente of regio. De provincie regelt regionale zaken: bedrijventerreinen aanwijzen, recreatiegebieden en aanleg van provinciale wegen. De gemeente regelt lokale zaken: jeugd- en ouderenzorg, afgifte paspoort en rijbewijs. Het waterschap zorgt voor maatregelen tegen overstromingen en de zuivering van afvalwater.
Noahs moeder overweegt zonnepanelen op het dak. Er is subsidie beschikbaar — de overheid betaalt een deel mee. Maar Noahs vader tankt nog benzine en betaalt daarvoor accijns: de overheid maakt fossiele brandstof bewust duur. Trekken en duwen tegelijk. De overheid wil dat mensen en bedrijven beter omgaan met het milieu en energie. Ze doet dat door gewenst gedrag te stimuleren met subsidies en belastingvoordelen — zoals subsidie voor zonnepanelen of een belastingkorting op een elektrische auto. Zo maakt de overheid duurzame keuzes aantrekkelijker.
Naast stimuleren kan de overheid ook ongewenst gedrag afremmen via heffingen en verboden. Accijns op tabak en alcohol maakt deze producten bewust duurder. Parkeergeld en tol remmen autogebruik in de stad. En uitstootnormen verbieden de meest vervuilende voertuigen. Zo stuurt de overheid gedrag zonder het te verbieden.
Noah gaat elke dag naar school. Zijn buurjongen ook — ook al verdienen zijn ouders veel minder. Dat is geen toeval: het is een bewuste keuze van de overheid. In Nederland zijn er veel voorzieningen waar iedereen gebruik van kan maken: onderwijs, gezondheidszorg, openbaar vervoer, defensie en dijken. Die voorzieningen worden betaald uit belastingen en noem je collectieve voorzieningen. Ze zijn er voor iedereen — ongeacht inkomen of vermogen.
Maar waarom betaalt de overheid voor Noahs school en niet hijzelf — of zijn ouders? En waarom kan Noah gratis gebruik maken van het fietspad ook al betaalt hij zelf geen belasting? De overheid zorgt voor collectieve voorzieningen om drie redenen: de markt brengt ze niet voort omdat niemand ervoor wil betalen als je er toch van kunt profiteren (free rider-probleem), ze zijn niet-uitsluitbaar (niemand uitsluiten van gebruik), en niet-rivaliserend (gebruik door één persoon vermindert gebruik door anderen niet). Straatverlichting en defensie zijn klassieke voorbeelden.
Er is een belangrijk onderscheid tussen organisaties die voor de overheid werken en bedrijven die voor de markt werken. De collectieve sector omvat de overheid en alle door haar gefinancierde instellingen — zoals scholen, ziekenhuizen en uitvoeringsorganisaties. Ze hoeven geen winst te maken. De particuliere sector bestaat uit bedrijven en zelfstandigen die wél winst willen maken.
Noah neemt weleens de bus van Connexxion naar Delft. Dat is een privaat bedrijf — maar het rijdt op een lijn die de provincie heeft aanbesteed. De overheid hoeft niet alles zelf te doen. Voor sommige taken — zoals het ophalen van vuilnis of het beheer van energienetwerken — kan ook een privaat bedrijf worden ingeschakeld. Als de overheid een taak overdraagt aan de markt heet dat privatisering. Het idee is dat concurrentie leidt tot lagere prijzen en betere kwaliteit (marktwerking). Maar privatisering heeft ook risico's: winst kan ten koste gaan van kwaliteit of toegankelijkheid.
Bekende voorbeelden van privatisering in Nederland zijn de NS (gedeeltelijk) en de energiebedrijven. Er is ook kritiek op privatisering: als een bedrijf winst wil maken, gaat kwaliteit soms omlaag of worden tarieven hoger.
Noahs vader is werkloos (H5). Hij heeft een WW-uitkering aangevraagd. Hoe werkt dat systeem? Waar komt dat geld vandaan? Iedereen heeft geld nodig om van te leven — voor eten, kleding en een dak boven je hoofd. Dat verdien je meestal met werk. Maar dat lukt niet altijd: misschien heb je geen baan, ben je ziek, of kun je door een beperking niet werken. In zulke situaties kun je geld krijgen van de overheid: een uitkering.
Naast uitkeringen zorgt de overheid ook voor andere hulp voor mensen met weinig geld:
Noahs moeder betaalt elke maand premie — ook al is ze nu gezond en werkt ze volop. Noahs vader heeft jarenlang premie betaald en krijgt nu een uitkering terug. Dat is geen toeval: het is het systeem. Al die hulp kost veel geld. Dat geld moet ergens vandaan komen. In Nederland geldt het idee van solidariteit: we helpen elkaar. Mensen die werken, betalen belasting en sociale premies — een deel van hun salaris. Daarmee wordt de uitkering betaald voor mensen die tijdelijk geen inkomen hebben.
Zo zorgen we er samen voor dat iedereen kan leven, ook als het even tegenzit.
De sociale zekerheid in Nederland bestaat uit twee soorten: sociale verzekeringen (waar je premie voor betaalt) en sociale voorzieningen (betaald met belastinggeld).
Uitkeringen waar je recht op hebt als je premie hebt betaald via je werk. Er zijn twee soorten:
Uitkeringen die de overheid betaalt via belastinggeld. Je hoeft er geen premie voor te betalen.
Al die uitkeringen kosten veel geld. Door de vergrijzing — steeds meer ouderen, steeds minder werkenden — wordt het steeds moeilijker om alles te betalen. De overheid neemt daarom maatregelen om sociale zekerheid ook in de toekomst betaalbaar te houden.
Noah kijkt naar zijn loonstrookje: er is loonbelasting ingehouden. Zijn moeder betaalt elke week btw bij de Jumbo. En de gemeente stuurt zijn ouders een rekening voor riool en afval. Allemaal belasting — maar waarom? De overheid geeft geld uit aan van alles: scholen, ziekenhuizen, wegen en uitkeringen. Maar dat geld moet ergens vandaan komen. Daarom betaalt iedereen in Nederland belasting. Er zijn verschillende soorten:
Belastingen kun je verdelen in twee groepen: directe belastingen (die je rechtstreeks betaalt) en indirecte belastingen (die al in de prijs zitten van wat je koopt).
Niet iedereen kan evenveel belasting betalen. Daarom geldt in Nederland het draagkrachtbeginsel: verdien je weinig, dan betaal je minder belasting. Verdien je veel, dan betaal je meer. Je betaalt altijd een percentage van je inkomen — maar dat percentage stijgt mee met je inkomen.
Rijke mensen betalen dus meer dan mensen met een lager inkomen — zo probeert de overheid het verschil tussen arm en rijk niet te groot te laten worden.
Wie ergens gebruik van maakt, heeft er profijt van — en betaalt mee aan de kosten. Automobilisten betalen extra belasting omdat ze de weg gebruiken.
Noah hoort op het nieuws dat er wordt bezuinigd op jeugdzorg. Zijn buurmeisje zat in een jeugdhulptraject — dat wordt nu beperkt. Tegelijk krijgt zijn school €500 extra budget per leerling voor laptops. Hoe beslist de overheid waar het geld naartoe gaat? De overheid heeft elk jaar veel plannen: geld voor scholen, zorg, wegen en veiligheid. Maar net als Noah met zijn €60 per week, moet de overheid goed nadenken over wat ze kan uitgeven. Op Prinsjesdag — de derde dinsdag in september — worden die plannen bekendgemaakt in Den Haag. De koning leest de troonrede voor, daarna presenteert de minister van Financiën de begroting.
Pas als de Tweede Kamer en Eerste Kamer akkoord gaan, mag de regering het geld ook echt gaan uitgeven. De Kamer heeft dus de laatste stem over de plannen van het kabinet.
De overheid geeft geld uit dat van alle burgers samen is — want het komt uit belastingen. Daarom moet ze goed nadenken waar het naartoe gaat. Ze kan niet alles doen en moet keuzes maken.
Elk jaar worden prioriteiten gesteld, afhankelijk van wat er speelt. Voorbeelden:
De twee grootste posten op de rijksbegroting zijn zorg (ziekenhuizen, dokters, medicijnen) en sociale zekerheid (uitkeringen en hulp). Samen beslaan ze meer dan de helft van alle overheidsuitgaven.
Noahs vader was werkloos — de overheid moest meer uitbetalen aan uitkeringen terwijl er minder belasting binnenkwam. Is dat een probleem? Ook de overheid kan geld tekortkomen — of juist geld overhouden. Je kunt het vergelijken met Noahs situatie: als hij meer uitgeeft dan hij verdient, heeft hij een probleem. Als je geld overhoudt, kun je dat opzij zetten.
Als er een tekort is, heeft de overheid twee opties:
Als de overheid te weinig geld heeft, moet ze geld lenen. Dat doet ze bij banken, pensioenfondsen, verzekeraars en soms ook bij gewone burgers. Door al die leningen uit het verleden is er een staatsschuld ontstaan.
Op haar eerste loonstrook van de supermarkt ziet Dunya dat er automatisch loonheffing wordt ingehouden op haar brutoloon — zonder dat ze daar zelf iets voor moet doen. Dit bedrag gaat rechtstreeks naar de Belastingdienst. Loonheffing bestaat uit loonbelasting en premies volksverzekeringen. Door deze inhouding is haar nettoloon lager dan haar brutoloon.
Inkomstenbelasting betaal je over je hele privé-inkomen van een heel jaar. De loonheffing die Dunya's werkgever inhoudt, is een voorheffing: een vooruitbetaling op die inkomstenbelasting. Één keer per jaar doet ze (straks, als dat verplicht wordt) aangifte: ze geeft haar inkomsten van het afgelopen jaar op. Daarna stuurt de Belastingdienst een aanslag met het definitieve bedrag. Is de inkomstenbelasting gelijk aan de loonheffing? Dan gebeurt er niets. Is er te veel loonheffing ingehouden? Dan krijgt ze geld terug. Is er te weinig ingehouden? Dan moet ze bijbetalen.
Inkomstenbelasting wordt berekend over verschillende soorten inkomens. Box 1 gaat over het belastbaar inkomen uit werk en eigen woning. Bram, die inmiddels een koophuis heeft en met zijn bedrijfsauto ook privé rijdt, ziet dat zijn belastbaar inkomen uit meer bestaat dan alleen zijn nettowinst.
Het belastbaar inkomen bestaat uit: inkomen uit werk (loon of de nettowinst van je bedrijf), het eigenwoningforfait (heb je een koophuis, dan telt de overheid een deel van de waarde van je huis bij je inkomen op), en de bijtelling (rij je privé in een auto van de zaak, dan telt een deel van de nieuwwaarde van die auto mee). Daar mag je aftrekposten van aftrekken: kosten die je belastbaar inkomen lager maken, zoals betaalde hypotheekrente, giften aan goede doelen, en reiskosten woon-werkverkeer met het openbaar vervoer.
Je belastbaar inkomen in box 1 bereken je met het schijventarief. Over je belastbaar inkomen tot €68.508 betaal je 37,1%* — de meeste mensen hebben alleen met dit tarief te maken. Is je belastbaar inkomen hoger dan €68.508? Dan betaal je over het deel daarboven 49,5%*.
Het tarief in schijf 2 is hoger dan in schijf 1. Over een hoger inkomen betaal je daardoor in verhouding (in %) meer belasting dan over een lager inkomen. Dit noem je een progressief belastingtarief. Bij een degressief tarief betaal je naar verhouding juist minder belasting als je inkomen toeneemt. Bij een proportioneel tarief (vlaktaks) is er één belastingpercentage voor alle inkomens.
Vermogen is je bezit in de vorm van spaargeld, beleggingen, enzovoort. Over je vermogen betaal je belasting in box 3: de vermogensrendementsheffing. Over de eerste €50.000 betaal je geen belasting — dat is het heffingsvrij vermogen. De rest van je vermogen is het belastbaar vermogen. Daarover berekent de Belastingdienst het fictief rendement: een veronderstelde opbrengst, ook als je in werkelijkheid minder hebt verdiend. In box 3 betaal je belasting over dat fictieve rendement.
Nadat je de belasting in box 1 en box 3 hebt berekend, mag je daarvan de heffingskorting aftrekken: een korting op de inkomstenbelasting. Na aftrek van de heffingskorting blijft het bedrag over dat je daadwerkelijk aan belasting moet betalen. Er zijn verschillende heffingskortingen, bijvoorbeeld de algemene heffingskorting (voor iedereen) en de arbeidskorting (voor werkenden).
Heb je geen loonheffing betaald? Dan betaal je het hele verschuldigde bedrag aan de Belastingdienst. Is er loonheffing op je loon ingehouden? Dan betaal je alleen het verschil tussen de verschuldigde belasting en de betaalde loonheffing — of je krijgt het verschil terug.
Actieven zijn mensen met betaald werk. Inactieven zijn mensen zonder betaald werk die een uitkering ontvangen. Actieven betalen premies en belasting; een deel daarvan gaat als uitkering naar de inactieven. Dit noem je de herverdeling van inkomens. Er moeten voldoende actieven zijn om de sociale zekerheid te kunnen betalen.
Dunya's oma ontvangt AOW (Algemene Ouderdomswet): zij is, samen met veel andere ouderen, een inactieve met een uitkering. Door vergrijzing groeit de groep inactieven sneller dan de groep actieven. Gevolg: actieven zoals Dunya's moeder betalen premie voor steeds meer inactieven. De oplossing van de overheid: de AOW-leeftijd is verhoogd. Daarmee wordt de groep actieven groter (meer premiebetalers, omdat mensen langer doorwerken) en het aantal inactieven kleiner (minder AOW-uitkeringen, omdat mensen later met pensioen gaan).
Met herverdeling van inkomens beïnvloedt de overheid de verhouding tussen hoge en lage inkomens. Dit kan onder andere door belastingheffing, premieheffing, het geven van uitkeringen, en het geven van subsidies en toeslagen.
Nivellering: het inkomensverschil wordt naar verhouding kleiner — lagere inkomens gaan er in verhouding meer op vooruit dan hogere inkomens. Denivellering: het inkomensverschil wordt naar verhouding groter — hogere inkomens gaan er in verhouding meer op vooruit dan lagere inkomens.
| Inkomen | Vóór | Na | Stijging |
|---|---|---|---|
| Laag | €18.000 | €19.800 | +10% |
| Hoog | €90.000 | €92.250 | +2,5% |
Het lage inkomen stijgt relatief veel harder dan het hoge inkomen — het verschil wordt naar verhouding kleiner: nivellering.
Dunya Bram
Een hoger inkomen betekent meer draagkracht. Volgens het draagkrachtbeginsel betaal je meer belasting als je meer inkomen hebt — zo betaalt Dunya inkomstenbelasting naar verhouding van haar (kleinere) inkomen, en Bram naar verhouding van zijn (grotere) winst. Een progressief belastingtarief, zoals het schijventarief, hoort bij dit beginsel.
Profijt hebben betekent: ergens voordeel van hebben. Volgens het profijtbeginsel betaal je belasting voor het gebruik van goederen of diensten die de overheid levert. Bram heeft voor zijn werk een auto nodig, en betaalt daarom motorrijtuigenbelasting (wegenbelasting): hij maakt met zijn auto gebruik van de wegen die de overheid aanlegt en onderhoudt. Motorrijtuigenbelasting is ook een houderschapsbelasting: je betaalt hem voor het bezit van een auto, ook als je hem niet gebruikt.
Via de belasting betalen we samen de collectieve voorzieningen. Wie opzettelijk te weinig belasting betaalt, doet aan belastingontduiking of belastingfraude. Belastingontduiking is strafbaar, kan leiden tot meer belastingontduiking door anderen, en kost de overheid naar schatting €22 miljard per jaar.
In spreektaal zeg je soms "dat is een risico" als iets gevaarlijk of onzeker voelt. Economen zijn preciezer: risico is een berekend begrip dat kans én schade combineert.
Een verzekering werkt goed als de verzekeraar het risico van elke klant goed kan inschatten. Maar de verzekeringsnemer weet altijd meer over zichzelf dan de verzekeraar. Dat informatieverschil leidt tot een ernstig marktprobleem.
Uiteindelijk: premie zo hoog dat de verzekering ophoudt te bestaan → marktfalen.
Hoe rijk of arm is een land? De meest gebruikte maatstaf is het inkomen per hoofd van de bevolking. Maar dat getal alleen vertelt niet het hele verhaal.
Arme landen blijven vaak arm, omdat de problemen elkaar versterken. Dat heet een vicieuze cirkel: de oorzaak van het ene probleem is het gevolg van een ander probleem.
Nederland is een van de grootste handelslanden ter wereld. Rotterdam is de grootste haven van Europa. Maar waarom handelen we eigenlijk zo veel met het buitenland? Bram merkt het ook met zijn huiswerkplanner-app: in Nederland alleen zijn er maar zoveel scholieren die hem kunnen downloaden. Zet hij zijn app ook in de Belgische en Duitse app store, dan exporteert hij eigenlijk een dienst — en heeft hij in één klap een veel grotere afzetmarkt.
De wisselkoers is de prijs van een valuta uitgedrukt in een andere valuta. Als de euro goedkoper wordt (koersdaling), worden onze producten goedkoper voor buitenlanders — goed voor de export, maar duurder voor ons om te importeren.
| Koersverandering euro | Effect op export | Effect op import |
|---|---|---|
| Euro daalt (goedkopere euro) | ↑ Neemt toe | ↓ Neemt af |
| Euro stijgt (duurdere euro) | ↓ Neemt af | ↑ Neemt toe |
Dunya werkt drie middagen per week als vakkenvuller bij de supermarkt. Haar loon is een primair inkomen: een bruto inkomen uit arbeid. Primaire inkomens zijn bruto inkomens uit arbeid (loon, vakantiegeld, winst uit een eigen zaak) of uit bezit (rente over spaargeld, dividend van aandelen, huur- en pachtopbrengsten). Door inhouding van belasting en sociale premies ontstaan secundaire inkomens: netto inkomens uit arbeid en bezit, én overdrachtsinkomens zoals een werkloosheidsuitkering, bijstandsuitkering of kinderbijslag. Met premies en belastingen wordt inkomen dus overgedragen naar uitkeringen.
Dunya merkt dat haar eigen bestedingen — haar uitgaven aan goederen en diensten — de laatste jaren flink zijn veranderd. Twee jaar geleden ging haar geld vooral naar snoep, nu meer naar kleding en uitjes met vrienden. Bestedingen veranderen als je behoeften veranderen: als je ouder wordt, als je interesses veranderen, als er nieuwe producten op de markt komen, of als producten op nieuwe manieren worden aangeboden. Maar bestedingen veranderen ook door marketing: producenten beïnvloeden je met de 6 P’s.
Bij de supermarkt waar Dunya werkt liggen de energiedrankjes opvallend op ooghoogte, vlak bij de ingang — precies waar jongeren als zij langslopen. Dat is geen toeval. Een doelgroep is een groep consumenten met dezelfde kenmerken voor wie een product of boodschap bedoeld is, en bedrijven richten hun winkel en marketing daar bewust op in.
Bij de supermarkt ziet Dunya twee soorten chocoladerepen naast elkaar liggen: één met een Fairtrade-keurmerk, én zonder. Ze vraagt zich af of dat verschil eigenlijk maakt. Alles wat je koopt is ergens geproduceerd — de vraag is hoe (vervuilend? diervriendelijk?) en door wie (kinderarbeid? onderbetaalde werknemers?). Duurzaam consumeren betekent dat je bij je aankopen rekening houdt met de gevolgen voor mens en milieu. Het gevolg daarvan: lagere maatschappelijke kosten.
Aan het eind van de maand krijgt Dunya haar eerste echte loonstrookje en schrikt: er staat een hoger bedrag boven dan wat er op haar rekening verschijnt. Dat verschil zit in drie soorten inkomen. Haar brutoloon is het loon dat is afgesproken met haar werkgever. Haar nettoloon is het loon dat ze daadwerkelijk ontvangt, na inhouding van loonbelasting en sociale premies. En haar besteedbaar inkomen is het deel van haar inkomen dat ze daarna nog vrij kan uitgeven — want ook na het nettoloon volgen nog verplichte uitgaven, zoals gemeentelijke heffingen en de premie zorgverzekering.
Dunya's moeder werkt op een kantoor en krijgt een loonsverhoging. Haar loon is €1.725 per maand, en ze krijgt 1,2% loonsverhoging. Hoeveel wordt haar nieuwe loon?
Dat kan ook sneller, met een groeifactor: je rekent in één keer uit hoeveel procent het nieuwe bedrag is van het oude bedrag.
Op het journaal hoort Dunya dat het modaal inkomen in Nederland ongeveer €35.000 per jaar is, en ze vraagt zich af waarom de buurman die in de bouw werkt zoveel meer verdient dan haar moeder. Inkomensverschillen ontstaan door verschillen in opleiding, ervaring, de aantrekkelijkheid van het werk (zwaarte, risico’s) en de verhouding tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt.
Dunya's economieleraar laat een grafiek zien die in één plaatje toont hoe ongelijk inkomens in een land verdeeld zijn: de Lorenzcurve. De Lorenzcurve laat zien hoe alle inkomens over de bevolking verdeeld zijn. Op de horizontale as staat de bevolking in groepen verdeeld, van minst naar meest verdienend. Op de verticale as staat het percentage van het nationaal inkomen dat die groep samen verdient.
De eerste 30% van de bevolking (de laagste inkomens) verdient samen maar 5% van het nationaal inkomen. De eerste 60% verdient samen 30% van het nationaal inkomen. De eerste 90% verdient samen 80% van het nationaal inkomen. Hoe verder de curve van de diagonaal (de stippellijn van volkomen gelijke verdeling) af buigt, hoe groter de inkomensongelijkheid.
Het nationaal inkomen is wat alle inwoners van een land samen aan inkomen hebben uit arbeid en bezit. Hoe de Lorenzcurve eruitziet, verschilt sterk van land tot land — afhankelijk van hoe groot de inkomensverschillen zijn.
Dunya's loon van de supermarkt is in de eerste week na de betaaldag alweer op: ze had te veel tegelijk willen kopen. Om in je behoeften te voorzien heb je middelen nodig: geld om te consumeren (goederen en diensten kopen) en tijd voor zelfvoorziening (dingen zelf doen of maken). De hoeveelheid middelen is beperkt, terwijl het aantal behoeften vrijwel oneindig is. Daarom moet je prioriteiten stellen: welke behoeften krijgen voorrang? Als je in meer behoeften kunt voorzien, neemt je welvaart toe.
Bij de supermarkt vult Dunya de bananenkist aan. Zijn bananen schaars? De natuur levert vrije goederen: zonlicht, regenwater, wind — die zijn er vanzelf. Andere goederen zijn schaars: ze zijn er niet vanzelf, er zijn productiemiddelen voor nodig om ze te maken. Bananen groeien dan wel aan een boom, maar er is een plantage, transport en arbeid voor nodig om ze tot in de supermarkt te krijgen — dus ja, ook al liggen ze overal, bananen zijn schaars. Voor schaarse goederen betaal je een prijs: hoe schaarser, hoe duurder.
Met haar bijbaantje verdient Dunya meer geld, maar ze heeft daardoor ook minder tijd om met vrienden af te spreken. Dat is precies het verschil tussen welvaart en welzijn. Welvaart is de mate waarin je in je behoeften kunt voorzien — je kunt het uitdrukken in geld: meer inkomen betekent meer welvaart. Welzijn is de kwaliteit van je leven, en dat is lastig in geld uit te drukken: denk aan een prettige woonomgeving, liefde en vriendschap, of gezondheid. Welvaart en welzijn samen noem je brede welvaart.
Een verandering in procenten bereken je met de oude en de nieuwe waarde:
Met indexcijfers kun je gegevens met elkaar vergelijken. Wil je een verandering over een bepaalde tijd laten zien, dan vergelijk je met het basisjaar: dat krijgt indexcijfer 100. Je kunt ook andere gegevens met elkaar vergelijken, bijvoorbeeld omzetcijfers van verschillende winkels — één van die gegevens is dan de basis, met indexcijfer 100.
Dunya merkt bij de kassa van haar eigen supermarkt dat haar boodschappen steeds meer kosten, terwijl haar loon gelijk blijft. Haar koopkracht — de hoeveelheid goederen en diensten die je met je inkomen kunt kopen — daalt daardoor. Door een stijging van je netto inkomen neemt je koopkracht toe; door inflatie neemt je koopkracht af. Inflatie is een algemene stijging van de prijzen.
Dunya hoort haar filiaalmanager klagen dat de inkoopprijzen van groente flink zijn gestegen. Prijzen kunnen stijgen als de vraag sneller stijgt dan het aanbod, als de productiekosten stijgen (bijvoorbeeld door loonstijgingen, waarbij producenten de hogere kosten doorberekenen in de verkoopprijzen), als ingevoerde grondstoffen duurder worden (zoals een stijging van de olieprijs), of als de overheid belastingtarieven verhoogt (zoals een verhoging van het btw-tarief).
Dunya vraagt zich af hoe het CBS precies bepaalt dat "de inflatie 3,6% is". Het CBS onderzoekt elke maand de prijsstijging van vrijwel alle goederen en diensten, verdeeld over veertien uitgavencategorieën met in totaal honderden producten. Hiermee berekent het CBS het consumentenprijsindexcijfer (cpi). In het basisjaar is het cpi altijd 100. Is het cpi nu bijvoorbeeld 103,6, dan is de inflatie 3,6%.
Elke uitgavencategorie heeft een eigen wegingsfactor: hoe groter het aandeel van die categorie in de gezinsuitgaven, hoe groter de wegingsfactor. De wegingsfactor van huisvesting is bijvoorbeeld vrij hoog, omdat huishoudens daaraan een groot deel van hun inkomen besteden.
Een inkomensstijging van bijvoorbeeld 2,5% is een nominale stijging. Bij een inflatie van bijvoorbeeld 1% neemt je koopkracht dan met 1,5% toe — dat is een reële stijging. Door inflatie kun je met één euro steeds minder kopen: dat heet geldontwaarding. Door inflatie in Nederland kan ook de concurrentiepositie ten opzichte van het buitenland verslechteren.
Dunya's moeder vraagt via haar vakbond om prijscompensatie, omdat de prijzen harder stijgen dan haar loon. Als inflatie groter is dan de loonstijging, daalt de koopkracht. Vakbonden willen dan dat lonen net zo veel stijgen als de prijzen. Maar voor werkgevers stijgen daardoor de loonkosten, en die berekenen zij weer door in hun prijzen — waardoor de inflatie verder toeneemt, vakbonden opnieuw prijscompensatie willen, enzovoort. Dit noem je een loon-prijsspiraal.
Dunya merkt dat haar loon van de supermarkt op heel verschillende manieren wordt uitgegeven. Soms gaat het op aan boodschappen voor zichzelf, soms aan haar telefoonabonnement, en af en toe aan iets groots zoals een nieuwe laptop. Dat zijn drie verschillende soorten uitgaven. Het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) geeft voorlichting over hoe je je inkomsten en uitgaven op elkaar kunt afstemmen.
Dunya besluit een budgetplan te maken: een overzicht van haar verwachte inkomsten en uitgaven. Dat heet ook wel budgetteren. Omdat haar loon per maand binnenkomt, maar haar telefoonabonnement per maand en haar verzekering per jaar wordt afgeschreven, moet ze tijdens het budgetteren alle bedragen omrekenen naar dezelfde periode. Vaak reken je daarvoor als tussenstap eerst alles om naar een bedrag per jaar.
Dunya gaat met vier vrienden twee weken kamperen. Ze huren samen een tent voor 5-8 personen, voor €130 per week. Over drie maanden moet Dunya betalen. Reserveren betekent: sparen om een grote, incidentele uitgave te kunnen betalen. Hoeveel moet ze vanaf nu per maand reserveren?
Het geld dat Dunya uitgeeft, komt vaak bij een producent terecht. Wat doet die producent eigenlijk met haar geld? Houdt hij rekening met het milieu? Zorgt hij goed voor zijn personeel? Ook als ze spaart, zet ze haar geld op de bank — en dan is de vraag: wat doet de bank met haar geld? Leent de bank het uit aan een producent die arbeiders uitbuit, of misschien wel aan de wapenindustrie?
Dunya spaart voor een nieuwe telefoon: ze wil over een paar maanden iets duurs kunnen kopen. Dat is één van de spaarmotieven: redenen om te sparen. Daarnaast houdt ze ook altijd een beetje geld achter de hand voor onverwachte uitgaven, zoals een kapotte fietsband. Een derde reden om te sparen is de rente — al geldt: is de rente heel laag, dan zullen nog maar weinig mensen daarvoor sparen.
Over je spaargeld ontvang je rente (of interest). De hoogte van de rente op je spaarrekening hangt af van het rentepercentage (vast of variabel), de hoogte van het spaarbedrag, en de periode dat het geld op je rekening staat. Dunya zet €2.500 op een spaardeposito: het geld staat een bepaalde tijd vast tegen een vaste rente van 1,6%. De rente wordt apart uitgekeerd, en het spaartegoed blijft daardoor elk jaar gelijk — dat heet enkelvoudige rente. Hoeveel rente krijgt ze over een periode van drie jaar?
Op haar gewone spaarrekening werkt het anders dan bij het spaardeposito. Daar krijgt Dunya samengestelde rente, ook wel ‘rente op rente’ genoemd: de rente wordt na elk jaar bijgeschreven bij het spaartegoed, en in het volgende jaar krijgt ze weer rente over haar spaarbedrag plus die bijgeschreven rente. Je berekent het spaartegoed met een groeifactor. Bij 1,2% rente is je tegoed na een jaar 100% + 1,2% = 101,2%. De groeifactor is dan 101,2 ÷ 100 = 1,012. Na drie jaar is je tegoed: spaarbedrag × 1,012 × 1,012 × 1,012.
De koopkracht van Dunya's spaargeld hangt af van de rente én de inflatie. De nominale rente is de rente waarmee de bank rekent: haar spaartegoed in euro's neemt daardoor toe. Maar door inflatie wordt haar spaargeld minder waard. De reële rente is de nominale rente gecorrigeerd met de inflatie, en laat zien of haar koopkracht ook werkelijk toeneemt.
Dunya's oudere broer overweegt daarom te beleggen: hij koopt iets waarvan hij verwacht dat de waarde zal stijgen, bijvoorbeeld aandelen, obligaties, goud of gebouwen. Wat hij daarmee verdient heet rendement, en dat kan hoger zijn dan de rente op een spaarrekening — maar ook lager. Een obligatie is een lening aan een bedrijf of aan de overheid tegen een vaste rente.
Een vriend van Dunya wil een nieuwe laptop voor zijn studie, maar heeft het geld er niet voor. Leenmotieven zijn redenen om te lenen: je wilt een dure aankoop niet uitstellen en meteen gebruikmaken van je aankoop, je moet een tijdelijk geldtekort overbruggen (bijvoorbeeld tot je binnenkort weer voldoende geld hebt), je hebt onverwacht dringend geld nodig (zoals voor een onverwachte reparatie), of je wilt een huis kopen — want sparen tot je genoeg hebt, zou veel te lang duren.
Voordat je leent, moet je jezelf afvragen: hoe hoog worden je maandlasten? Hoelang moet je die betalen? En kun je die extra maandlasten wel betalen?
Als je bij een bank een lening (krediet) hebt afgesloten, moet je er rente over betalen (een vergoeding voor het lenen) en de lening aflossen (het geleende bedrag terugbetalen). De rente en aflossing samen betaal je in termijnen. Alles wat je méér terugbetaalt dan je geleend hebt, zijn de kredietkosten — die bestaan uit rente, plus soms administratiekosten.
In de eerste maand is de schuld €5.000 (er is nog niets afgelost) bij een maandtermijn van €100 en een rente van 0,52% per maand.
In de volgende maanden betaal je telkens iets minder rente, want je schuld wordt steeds lager. Daardoor wordt de aflossing elke maand steeds iets meer.
Dunya's oudere broer overweegt een lening voor een tweedehands auto. Dat zou een consumptief krediet zijn: een lening voor de aankoop van een consumptiegoed, zoals een keuken, caravan of auto. Banken bieden daarvoor verschillende kredietvormen aan.
Ook leveranciers geven soms krediet. De meest voorkomende vormen daarbij zijn koop op afbetaling (het hele of een deel van het aankoopbedrag terugbetalen in termijnen, waarbij de verwerkte rente vaak hoog is) en private lease (vaak voor het gebruik van een auto: je betaalt maandelijks een vast bedrag inclusief onderhoud, wegenbelasting en verzekering, terwijl je de benzine zelf betaalt; na afloop mag je de auto vaak voor een bepaalde prijs overnemen).
Wil je later een huis kopen, dan sluit je een hypothecaire lening (hypotheek) af: een lening voor de aankoop van een woning, meestal met een looptijd van dertig jaar. Het huis is dan onderpand voor de bank — die mag het huis verkopen als je de rente en aflossing niet meer kunt betalen.
Dunya gebruikt geld op verschillende manieren: als ruilmiddel als ze iets koopt, als spaarmiddel als ze geld opzij zet voor later, en als rekenmiddel als ze de waarde van iets vaststelt (zoals wanneer ze de prijzen van twee telefoons met elkaar vergelijkt). Op haar telefoon checkt ze regelmatig haar banksaldo. Een creditsaldo is een positief saldo (‘in de plus’), een debetsaldo is een negatief saldo (rood staan, ‘in de min’).
Banken bemiddelen tussen de vraag naar geld en het aanbod van geld. Het aanbod van geld komt van spaarders zoals Dunya: de bank betaalt hen rente als vergoeding. De vraag naar geld komt van gezinnen en bedrijven die geld willen lenen: zij betalen daarvoor rente. Je kunt rente daarom zien als de prijs van geld. Is de rente hoog, dan sparen meer mensen en lenen minder mensen. Is de rente laag, dan gebeurt het omgekeerde: minder sparen, meer lenen. De ECB (Europese Centrale Bank) is de centrale bank voor de eurozone, en bepaalt voor alle eurolanden de basisrente.
De bank waar Dunya een rekening heeft, verdient geld op meerdere manieren: met het regelen van girale betalingen en ontvangsten, met sparen, met lenen, en met verzekeren. Bij sparen en lenen werkt de bank met twee verschillende rentes. De creditrente is de rente die de bank betaalt over tegoeden (zoals het spaargeld van Dunya), en die is lager dan de debetrente: de rente die de bank ontvangt over tekorten (zoals leningen). Het verschil tussen die twee is winst voor de bank.
Bram bouwt in zijn vrije tijd een huiswerkplanner-app voor scholieren. Om die te kunnen maken en aanbieden, gebruikt hij productiefactoren: zijn eigen tijd achter de laptop is arbeid, zijn laptop en de serverruimte waarop de app draait zijn kapitaal, en de beslissingen en het risico die hij neemt zijn ondernemerschap. Toegevoegde waarde is de extra waarde die ontstaat doordat Bram zijn programmeerwerk omzet in een werkende, verkoopbare app.
Bij Bram's app speelt de vierde productiefactor, natuur, maar een kleine rol: de stroom voor zijn laptop en de servers komt uiteindelijk wel uit energiebronnen, maar dat voelt voor hem niet als een directe kostenpost. Bij andere bedrijven is natuur juist heel direct zichtbaar: een bakker die brood verkoopt, heeft meel nodig dat van tarwe komt — en de boer die het land verhuurt waarop die tarwe groeit, ontvangt daarvoor pacht.
Wie een productiefactor levert, ontvangt daarvoor een beloning. Het totaal van alle beloningen is gelijk aan de totale toegevoegde waarde.
Bram betaalt elke maand een vast bedrag voor zijn serverruimte, hoeveel mensen de app ook downloaden — dat zijn vaste kosten: ze blijven gelijk, ongeacht de hoeveelheid productie. Maar voor elke betaalde aankoop in de app rekent een betalingsverwerker een klein bedrag per transactie — dat zijn variabele kosten: ze veranderen met de hoeveelheid productie (in dit geval: het aantal verkochte premium-abonnementen).
Bram investeert in een krachtigere laptop om sneller te kunnen programmeren: hij besteedt geld aan een kapitaalgoed. Zo'n laptop gaat niet voor altijd mee — elk jaar wordt hij minder waard. Die jaarlijkse waardevermindering heet afschrijving.
De kostprijs per product is de gemiddelde kosten voor het maken van één product (in Bram's geval: één premium-abonnement op zijn app). Voor een productiebedrijf geldt: kostprijs per product + winstopslag = verkoopprijs.
De verkoopprijs die Bram rekent voor zijn app-abonnement is opgebouwd uit de kostprijs plus een brutowinstopslag (ook wel brutowinstmarge): een percentage erbovenop voor zijn eigen kosten en winst. Bovenop de verkoopprijs komt nog de btw, en dat geeft de consumentenprijs: het bedrag dat de gebruiker uiteindelijk betaalt.
Bram's kostprijs voor honderd premium-abonnementen is €240. Hij rekent een brutowinstopslag van 30%, en moet 21% btw afdragen.
Met de consumentenprijs en het btw-tarief kun je ook terugrekenen naar de verkoopprijs: je deelt de consumentenprijs door (100 + btw-percentage) en vermenigvuldigt met 100.
Aan het einde van het jaar houdt Bram zijn cijfers bij. De omzet (verkoopopbrengst) is het totaalbedrag dat hij voor zijn app-abonnementen heeft ontvangen. Trek je daar de inkoopwaarde (de directe kosten van wat verkocht is, zoals zijn betalingsverwerkerskosten) van af, dan houd je de brutowinst over. Trek je daar ook de overige bedrijfskosten (zoals serverkosten en marketing) van af, dan houd je het nettoresultaat over: winst of verlies.
Bram werkt samen met een vriend aan nieuwe functies voor de app. De arbeidsproductiviteit is de productie per persoon in een bepaalde tijd — in hun geval: hoeveel nieuwe functies ze samen per week bouwen, gedeeld door het aantal personen. Arbeidsproductiviteit kan toenemen door technologische ontwikkelingen (bijvoorbeeld AI-tools die saaie programmeertaken overnemen), betere arbeidsverdeling (Bram doet de techniek, zijn vriend het ontwerp — ieder zijn eigen specialisatie), scholing (een online cursus volgen), of prestatiebeloning (een bonus bij een succesvolle nieuwe functie).
Hoeveel nieuwe functies kunnen Bram en zijn vriend maximaal per maand bouwen? Dat is hun productiecapaciteit: de maximale hoeveelheid producten die een bedrijf kan maken. Die hangt af van het aantal mensuren dat er gewerkt wordt (hoeveel uur Bram en zijn vriend per week beschikbaar zijn naast school) en de kapitaalgoederen die ze gebruiken (hun laptops en servercapaciteit). Werken ze allebei het maximale aantal uren met hun apparatuur volop benut, dan is de productiecapaciteit 100% benut.
Bram's app helpt leerlingen beter te plannen en minder stress te hebben — dat is een maatschappelijke opbrengst: een voordeel van productie voor de samenleving. Maar de servers waarop zijn app draait, verbruiken stroom, en dat heeft een milieueffect — dat zijn maatschappelijke kosten: negatieve gevolgen van productie, zoals milieuvervuiling of geluidsoverlast. Daarom kiest Bram bewust voor een hostingpartij die zijn stroom volledig uit windenergie haalt. Dat is een vorm van maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo): rekening houden met de gevolgen van je productie voor mens en milieu.
Er zijn concrete markten, zoals een supermarkt of een weekmarkt: een fysieke plek waar vraag en aanbod elkaar ontmoeten. Bram's app concurreert op een abstracte markt: de markt voor huiswerkplanner-apps is alle vraag en aanbod van dat soort apps samen, niet één fysieke plek. Andere voorbeelden van abstracte markten zijn de huizenmarkt, de arbeidsmarkt en de scootermarkt.
De vraag van gebruikers en het aanbod van app-bouwers zoals Bram bepalen de evenwichtsprijs: de prijs waarbij de vraag gelijk is aan het aanbod. De evenwichtshoeveelheid is het aantal gevraagde en aangeboden producten bij die evenwichtsprijs.
Het aanbod van huiswerkplanner-apps kan veranderen. Beginnen steeds meer leerlingen zoals Bram zelf met het bouwen van zo'n app, dan stijgt het aanbod: de aanbodlijn verschuift naar rechts, en er ontstaat een nieuwe (lagere) evenwichtsprijs en een hogere evenwichtshoeveelheid. Stoppen juist veel kleine app-bouwers (bijvoorbeeld omdat goede programmeurs schaars en duur worden), dan daalt het aanbod: de aanbodlijn verschuift naar links, met een nieuwe (hogere) evenwichtsprijs en een lagere evenwichtshoeveelheid.
Ook de vraag naar Bram's app kan veranderen. Wordt het schooljaar drukker (proefwerkweken), dan stijgt de vraag naar planner-apps: de vraaglijn verschuift naar rechts, met een nieuwe (hogere) evenwichtsprijs en een hogere evenwichtshoeveelheid. Kiezen scholieren liever voor een gratis alternatief van een ander bedrijf, dan daalt de vraag naar Bram's app: de vraaglijn verschuift naar links, met een nieuwe (lagere) evenwichtsprijs en een lagere evenwichtshoeveelheid.
Bij vrije marktwerking wordt de prijs volledig door vraag en aanbod bepaald. Een te hoge prijs is soms onwenselijk bij basisbehoeften, zoals sociale huur of medicijnen. Dan kan de overheid een maximumprijs vaststellen, of een subsidie of toeslag geven. Soms stelt de overheid juist een minimumprijs in, om een producent te beschermen tegen een te lage prijs — vroeger zat er bijvoorbeeld een minimumprijs op melk. Bij beide ingrepen ontstaat geen marktevenwicht: bij een maximumprijs onder de evenwichtsprijs blijft een structureel vraagoverschot bestaan, bij een minimumprijs boven de evenwichtsprijs een structureel aanbodoverschot.
In een transparante markt kun je aangeboden producten en prijzen goed vergelijken. In zo'n markt, met veel vragers en aanbieders, geldt: als de prijs van een product stijgt, dan daalt de vraag (mensen stappen over naar een aanbieder met een lagere prijs); en als de prijs daalt, dan stijgt het aanbod (meer aanbieders willen tegen die prijs verkopen). Een app store waar gebruikers prijzen en beoordelingen van vergelijkbare apps makkelijk naast elkaar kunnen zien, werkt in die zin als een transparante markt.
Bram's app concurreert met tientallen andere huiswerkplanner-apps. Zijn marktaandeel is zijn afzet (of omzet) in procenten van de totale afzet (of omzet) op die markt. Hij probeert dat aandeel te vergroten door marketinginstrumenten in te zetten — zoals een aantrekkelijke prijs of slimme promotie. Grotere bedrijven vergroten hun marktaandeel soms ook door een overname (het ene bedrijf koopt het andere) of een fusie (twee bedrijven vormen samen één nieuw bedrijf).
Een monopolie is een marktvorm met maar één aanbieder. In Nederland is dit zeldzaam, al bestaan er wel overheidsmonopolies: zo is er maar één beheerder van het landelijke hoogspanningsnet, en mag alleen de centrale bank bankbiljetten uitgeven.
De markt voor huiswerkplanner-apps, waarop Bram actief is, heeft heel veel aanbieders — maar elke app is anders: andere functies, ander design, ander gebruiksgemak. Gebruikers hebben dus een voorkeur voor een bepaalde app: de producten zijn heterogeen. Een marktvorm met heterogene producten en veel aanbieders heet monopolistische concurrentie. Ter vergelijking: bij volkomen concurrentie zijn er ook veel aanbieders, maar zijn de producten homogeen: in de ogen van klanten verschillen ze niet van elkaar — denk aan de graanmarkt of de aandelenmarkt, waar de herkomst van het product de koper niets uitmaakt.
Een oligopolie is een markt met een klein aantal aanbieders. Bij een oligopolie met een heterogeen product concurreren bedrijven op de eigenschappen van het product — zoals op de markt voor smartphones, waar fabrikanten zich onderscheiden op vormgeving, camera of opslagcapaciteit. Mocht Bram's planner-app-markt ooit verschralen tot drie of vier grote aanbieders, dan zou dat ook een oligopolie zijn. Bij een oligopolie met een homogeen product concurreren bedrijven juist vooral op prijs — zoals op de benzinemarkt, waar soms een prijzenoorlog ontstaat.
Een kartel is een afspraak tussen aanbieders om de onderlinge concurrentie te beperken, bijvoorbeeld over de prijs of de hoeveelheid aanbod op de markt. Kartelafspraken zijn verboden. De ACM (Autoriteit Consument & Markt) onderzoekt kartels en kan hoge boetes geven.
Dunya merkt dat ze als werknemer bij de supermarkt minder te zeggen heeft dan haar filiaalmanager. De werkgever kan personeel aannemen en ontslaan, betaalt het loon, bepaalt de functie en beslist over een eventuele promotie. De werknemer, zoals Dunya, kan wel solliciteren, maar beslist daarna weinig: zij is financieel afhankelijk van haar loon en moet haar functie zo goed mogelijk uitvoeren. Er is dus een duidelijk verschil in machtspositie tussen werkgever en werknemer.
Dunya is blij dat ze, ook als scholier met een bijbaantje, recht heeft op het wettelijk minimumloon en op doorbetaling van loon bij ziekte. Werknemers worden op verschillende manieren beschermd: door de overheid, en door de vakbond.
Met haar bijbaantje is Dunya nog niet economisch zelfstandig: dat ben je als je eigen inkomen minstens gelijk is aan het sociaal minimum (het bijstandsniveau, gelijk aan 70% van het minimumloon). Voor een scholier is dat ook geen verwachting — maar later, als ze een vaste baan heeft, is economische zelfstandigheid wel een belangrijk doel.
Op dit moment is ongeveer 1 op de 3 vrouwen niet economisch zelfstandig. Oorzaken: vrouwen werken vaker in een deeltijdbaan (vaak door de zorg voor kinderen — oplossingen zijn betere en goedkopere kinderopvang en flexibelere werktijden), werken vaker in minder goed betalende sectoren (zoals zorg en horeca), hebben minder vaak een topfunctie, en ervaren soms (onbewuste) achterstelling. De Algemene wet gelijke behandeling verbiedt achterstelling vanwege religie, gender of geslacht, leeftijd, en afkomst of etniciteit, en geeft recht op gelijke beloning voor gelijk werk en gelijke kansen bij het solliciteren.
Dunya werkt niet alleen voor het geld: ze vindt het ook leuk om klanten te helpen en haar collega's te zien. Dat zijn voorbeelden van arbeidsmotieven: redenen om te werken. Naast inkomen verdienen zijn dat ook je talent ontplooien, je nuttig maken, sociale contacten, en regelmaat in je tijdsindeling — en deze motieven gelden net zo goed voor onbetaald werk.
Dunya's baan bij de supermarkt is wit werk: betaald werk met een arbeidscontract, waarbij loonbelasting en sociale premies worden ingehouden, geregistreerd in de formele sector. Ter vergelijking: zwart werk is ook betaald, maar zonder contract, zonder belasting en premies, niet verzekerd en niet geregistreerd — en dat is verboden. Grijs werk is onbetaald werk, zoals vrijwilligerswerk, werk in het eigen huishouden of mantelzorg: ook niet geregistreerd, maar niet verboden. Dunya's oma die regelmatig op haar kleine nichtje past, verricht grijs werk.
Dunya Bram
Dunya heeft bij de supermarkt een vaste baan: een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, met ontslagbescherming en veel zekerheid. Ter vergelijking: een oproepkracht of een uitzendkracht heeft een flexibele baan: een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (een tijdelijke baan), met weinig zekerheid.
Bram is geen werknemer, maar zelfstandig ondernemer: hij verdient zijn inkomen met zijn eigen app-bedrijfje. Voordeel: alle inkomsten zijn voor hemzelf, en hij bepaalt zelf wat hij doet, wanneer hij werkt en hoe hard hij werkt. Risico's: bij te weinig opdrachten heeft hij minder werk en minder inkomen, bij te veel concurrentie moet hij misschien te lage prijzen rekenen om nog winst te maken, en hij heeft geen bescherming door werknemersverzekeringen zoals WW of WIA.
Bram begon zijn app-bedrijfje als eenmanszaak: hij is de enige eigenaar, al zou hij in principe personeel in dienst kunnen nemen. Stel dat Bram met een vriend die meehelpt aan het ontwerp besluit om samen verder te gaan: dan zouden ze een vennootschap onder firma (vof) kunnen oprichten, met twee of meer eigenaren (vennoten of firmanten). Voordelen daarvan zijn een duidelijke taakverdeling (Bram doet de techniek, zijn vriend het ontwerp), samen meer kunnen investeren, en de winst verdelen.
In beide gevallen betalen de eigenaars over de winst inkomstenbelasting, en zijn ze ook met hun privévermogen aansprakelijk voor schulden van de zaak — gaat het mis met Bram's bedrijfje, dan kunnen schuldeisers in het ergste geval ook zijn persoonlijke spaargeld aanspreken.
Mocht Bram's app ooit heel groot worden, zou hij kunnen overwegen er een besloten vennootschap (bv) van te maken: één of meer aandeelhouders, waarbij de aandelen niet vrij te verhandelen zijn. Wil hij zijn bedrijf later naar de beurs brengen, dan wordt een naamloze vennootschap (nv) relevant: dan kan iedereen aandelen kopen, die op de effectenbeurs worden verhandeld.
Voor beide geldt: de eigenaren zijn de aandeelhouders, en zij lopen alleen risico met hun aandeel (niet met hun hele privévermogen, zoals bij een eenmanszaak of vof). Bv's en nv's betalen over de winst vennootschapsbelasting. Aandeelhouders behalen rendement door dividend (winstuitkering) of door een stijging van de aandelenkoers.
Een stichting is opgericht voor een bepaald doel, bijvoorbeeld: Excelsior maakt betaald voetbal mogelijk, SIRE verzorgt ideële reclame, en Stichting Beter Leven komt op voor dierenwelzijn. Winst behalen mag bij een stichting geen doel zijn — eventuele winst is voor de stichting zelf, niet voor de oprichters. Inkomsten komen uit subsidie en donaties, en uit eigen inkomsten zoals entreegeld of sponsorgeld.
Dunya Bram
De economie is verdeeld in vier productiesectoren. Dunya's werk bij de supermarkt en Bram's app-bedrijfje vallen allebei onder de tertiaire sector: commerciële dienstverlening, zoals handel, transport, banken, verzekeraars en schoonmaak. Ter vergelijking: de boer die landbouwgrond verhuurt (uit hoofdstuk 3) werkt in de primaire sector — landbouw, visserij en mijnbouw, die voedsel en grondstoffen rechtstreeks vanuit de natuur leveren. De bakker die met dat meel brood bakt, werkt in de secundaire sector: industrie, bouw en ambachten, die grondstoffen verwerken tot (eind)producten. Onderwijs, gezondheidszorg en overheidsdiensten vallen onder de quartaire sector: niet-commerciële dienstverlening.
Bij gewone producten geldt: de vrager (consument) wil het product hebben en betaalt de prijs, de aanbieder (producent) wil het verkopen en ontvangt de prijs. Bij arbeid werkt het net zo, maar dan omgedraaid wat betreft wie vraagt en wie aanbiedt. Stel dat Bram een vriend inhuurt om mee te helpen aan zijn app: dan is Bram de vrager naar arbeid (hij heeft arbeidskracht nodig en betaalt daarvoor het loon), en is zijn vriend de aanbieder van arbeid (hij stelt zijn arbeidskracht beschikbaar en ontvangt het loon).
Werkgelegenheid is het totaal van alle banen die er zijn. Je kunt dit op twee manieren meten: werkgelegenheid in personen (alle mensen die werken, in voltijd én in deeltijd) en werkgelegenheid in arbeidsjaren (alle gewerkte uren omgerekend naar voltijdbanen).
Op de arbeidsmarkt bepalen vraag naar arbeid en aanbod van arbeid samen of er evenwicht is. Bij een ruime arbeidsmarkt is er meer aanbod dan vraag: veel werkloosheid. Bij een krappe arbeidsmarkt is er meer vraag dan aanbod: veel onvervulde vacatures, minder werkloosheid. Werkt de supermarkt waar Dunya werkt in een tijd met een krappe arbeidsmarkt, dan heeft ze meer onderhandelingsruimte om bijvoorbeeld een hoger loon te vragen — werkgevers hebben dan immers moeite om personeel te vinden.
Dunya Bram
Voor gegevens over de arbeidsmarkt kijkt het CBS naar de bevolking tussen 15 en 75 jaar. Dunya (met haar bijbaantje) en Bram (als zelfstandig ondernemer) horen beiden bij de beroepsbevolking en zijn werkzaam. Mensen die niet werken én niet willen of kunnen werken (zoals voltijd huisvrouw/-man of iemand die voltijd studeert zonder bijbaan) horen bij de niet-beroepsbevolking.
Arbeidsparticipatie (arbeidsdeelname) is het deel van de bevolking dat werkt of wil werken: de beroepsbevolking gedeeld door de totale bevolking van 15-75 jaar. In het CBS-voorbeeld: 9,7 ÷ 13,2 × 100% = 73,5%. Een hogere arbeidsparticipatie is een oplossing voor een krappe arbeidsmarkt.
Van de werklozen is een deel geregistreerd werkloos: ingeschreven bij het UWV. Een ander deel is verborgen werkloos: ze willen wel werken, maar hebben zich niet ingeschreven bij het UWV (bijvoorbeeld omdat ze studeren of fulltime huisvrouw/-man zijn).
Zou Dunya haar baan bij de supermarkt onverwacht verliezen, dan loopt ze niet alleen inkomen mis: ze ervaart ook onzekerheid, een gemis aan sociale contacten met collega's en klanten, mogelijk het gevoel nutteloos te zijn, en geen vast dagritme meer. Werkloosheid is dus een probleem voor de werkloze zelf. Het is ook een probleem voor de samenleving: het talent en de inzet van werklozen wordt niet benut, de samenleving betaalt de uitkeringen, en er ontstaat een welvaartsverschil tussen werkenden en werklozen.
Stel dat consumenten zoals Dunya, door een dalende koopkracht, minder gaan besteden. Daardoor heeft de supermarkt minder klanten te bedienen: minder productie, en daardoor minder personeel nodig — in een ernstig scenario zou dat zelfs Dunya's collega's hun baan kunnen kosten. Dit heet conjuncturele werkloosheid: het gevolg van minder vraag naar goederen en diensten door afnemende bestedingen.
Wat is hieraan te doen? De overheid kan de loonheffing verlagen (hoger nettoloon, waardoor de vraag toeneemt) of investeren, bijvoorbeeld in infrastructuur (waardoor de vraag ook toeneemt). Werkgevers kunnen de lonen verhogen, wat de vraag eveneens doet toenemen.
Stel dat concurrerende huiswerkplanner-apps, zoals die van Bram, door automatisering steeds minder programmeurs nodig hebben om nieuwe functies te bouwen. Dat kan structurele werkloosheid onder programmeurs veroorzaken: het gevolg van problemen aan de aanbodkant van de economie. Andere oorzaken: aanbod van verouderde producten (productie stopt), aanbod en productie die naar lagelonenlanden verhuist, en een aanbod van werkzoekenden met de 'verkeerde' opleiding (geen kans op werk).
Wat is hieraan te doen? Innovatie van producten (nieuwe producten waar wel vraag naar is), innovatie van productiemethoden (goedkoper produceren → meer vraag → meer productie → meer personeel nodig), en scholing van personeel voor banen die er wel zijn.
Naast conjuncturele en structurele werkloosheid bestaan er nog andere soorten werkloosheid. Frictiewerkloosheid: na een opleiding of ontslag heb je even tijd nodig om een nieuwe baan te vinden. Regionale werkloosheid: in een bepaald gebied is de werkloosheid hoger dan gemiddeld in het land. Seizoenwerkloosheid: bepaald werk kan niet het hele jaar door gedaan worden — denk aan werk op de kermis, dat 's winters stilligt.
Dunya rijdt elke dag langs de brandweerkazerne op weg naar haar werk, en weet dat als het ooit misgaat, de brandweer er gewoon is — zonder dat ze daarvoor apart moet betalen. Dat is een collectieve voorziening: een voorziening waarvan iedereen gebruik kan maken, en die door de overheid wordt betaald en geleverd.
Waarom doet de overheid dit, in plaats van het aan bedrijven over te laten? Omdat deze voorzieningen voor iedereen van belang zijn, de overheid zelf de kwaliteit ervan wil bewaken, je mensen er niet apart voor kunt laten betalen (denk aan dijken: je kunt niet alleen het huis van een betalende klant beschermen), en ze voor iedereen betaalbaar moeten blijven.
Bram leeft eigenlijk in twee werelden. Met zijn app-bedrijfje hoort hij bij de particuliere sector (ook wel marktsector): hij verkoopt een dienst, zijn doel is winst maken, en hij moet concurreren met andere app-bouwers om klanten te krijgen — dat heet marktwerking. Maar de gemeente waar Bram zelf woont, hoort bij de collectieve sector (ook wel publieke sector): de overheid en instellingen voor sociale zekerheid, die de collectieve voorzieningen leveren en geen winst hoeven te maken.
Privatisering is de verkoop van een dienst of activiteit door de overheid aan de particuliere sector. Bekende voorbeelden van bedrijven die geprivatiseerd zijn: het treinvervoer (NS), telefonie, en de post (PostNL).
Het tegenovergestelde heet nationaliseren: de overheid neemt dan juist een particulier bedrijf over. Dat gebeurt zelden, maar wel bijvoorbeeld in 2008: de overheid nationaliseerde de ABN AMRO-bank om de financiële dienstverlening in Nederland veilig te stellen, nadat de bank in grote problemen was gekomen.
Dunya Bram
Bram overweegt voor zijn bedrijf een elektrische auto aan te schaffen. De overheid maakt zulke aankopen goedkoper met subsidie — net als bij de aanschaf van zonnepanelen. Met subsidie moedigt de overheid bepaald gedrag aan.
Dunya's vader rookt, en merkt dat een pakje sigaretten flink duurder is dan de productiekosten alleen zouden verklaren. Dat komt door accijns: een belasting die bepaalde producten duurder maakt, zoals brandstof of de consumptie van alcohol en sigaretten. Met accijns ontmoedigt de overheid bepaald gedrag.
In elk land is de economie anders georganiseerd. De grote vraag is: bepalen vraag en aanbod de prijzen, of doet de overheid dat? Er zijn drie hoofdvormen.
De overheid kan voor economisch advies terecht bij drie instellingen.
Gaat het goed met de supermarkt waar Dunya werkt, en met heel veel andere bedrijven in Nederland, dan stijgt de totale productie in het land. Het bbp (bruto binnenlands product) is de totale waarde van de productie in een land. Stijgt de productie, dan neemt het bbp toe — dat heet economische groei. Nemen de winsten van bedrijven en de inkomens van werknemers (zoals Dunya) toe, dan stijgt het nationaal inkomen.
Economische groei is ook goed nieuws voor de overheid: ze krijgt meer inkomsten (meer btw, meer inkomstenbelasting, meer vennootschapsbelasting, want bedrijven zoals Bram's app-bedrijfje maken meer winst) en heeft minder uitgaven (minder uitkeringen, doordat de werkloosheid daalt).
Stel dat consumenten, door onzekere tijden, fors minder gaan besteden — ook aan apps zoals die van Bram. Daalt de economische groei twee kwartalen achter elkaar, en is die groei ook lager dan gemiddeld, dan is er een recessie. Duurt een recessie langere tijd, of krimpt het bbp zelfs, dan spreek je van een economische crisis.
Wat kan de overheid doen om de economie te stimuleren tijdens een recessie? Investeren in de infrastructuur, de inkomstenbelasting verlagen (zodat mensen meer te besteden hebben), vernieuwende bedrijven — zoals Bram's app-bedrijfje — subsidie geven, en investeren in verbetering van het onderwijs.
Dunya's moeder werkt en betaalt inkomstenbelasting. Daarmee draagt ze, zonder dat ze er dagelijks bij stilstaat, bij aan de zorgtoeslag van een buurman met een laag inkomen. Dat is het solidariteitsbeginsel: iedereen met een inkomen staat een deel ervan af voor mensen zonder inkomen of met een laag inkomen. Dit zorgt voor een redelijke verdeling van de welvaart.
Sociale verzekeringen zijn er voor als je zonder inkomen komt te zitten. Er zijn twee soorten.
Sociale voorzieningen worden betaald met belastinggeld, niet met premies. Voorbeelden: de bijstandsuitkering, de huurtoeslag, de zorgtoeslag. Sociale verzekeringen en sociale voorzieningen vormen samen de sociale zekerheid.
Het sociaal minimum is het bedrag dat je minimaal nodig hebt om van te leven. Door de sociale zekerheid krijgt iedereen ten minste het sociaal minimum. Naast de sociale zekerheid is de overheid ook verantwoordelijk voor gezondheidszorg, huisvesting en onderwijs. Nederland is daarom een verzorgingsstaat.
| Soort | Voor wie? | Voorbeelden |
|---|---|---|
| Werknemersverzekering | Mensen in loondienst | WW, WIA |
| Volksverzekering | Alle inwoners NL | AOW, Anw, Wlz |
| Sociale voorziening | Mensen zonder andere mogelijkheden | Bijstand, huurtoeslag, zorgtoeslag |
Net als een huishouden heeft de overheid inkomsten en uitgaven. Die staan elk jaar in de rijksbegroting: de verwachte uitgaven en inkomsten van de overheid in het komende jaar. In de miljoenennota worden de gemaakte keuzes uitgelegd. Doordat de overheid leent, is er een staatsschuld.
Worden er meer uitgaven dan inkomsten verwacht? Dan is er een begrotingstekort. Worden er meer inkomsten dan uitgaven verwacht? Dan is er een begrotingsoverschot.
Bram leest een nieuwsbericht: "De overheid investeert 5 miljard euro in het spoor." Hij vraagt zich af hoeveel dat in miljoenen is. Als je rekent met de overheidsfinanciën, heb je vaak met miljarden en miljoenen te maken — en het is handig om snel tussen die twee te kunnen omrekenen.
Op haar loonstrook ziet Dunya dat er, naast loonbelasting, ook sociale premies worden ingehouden — geld dat is bedoeld voor de uitkeringen van de sociale verzekeringen. De overheid heeft drie soorten inkomsten.
Belastingen kun je in twee groepen verdelen. Directe belastingen betaal je rechtstreeks aan de Belastingdienst (fiscus): denk aan loonbelasting, inkomstenbelasting, en de vennootschapsbelasting die Bram zou betalen als zijn app-bedrijfje ooit een bv wordt. Indirecte belastingen betaal je met een omweg aan de Belastingdienst: via een (web)winkel, die op zijn beurt de accijns en btw afdraagt.
Dunya's ouders krijgen elk jaar een aanslag gemeentelijke belastingen. Het grootste deel van de inkomsten van de gemeente komt echter niet van burgers, maar uit het Gemeentefonds van het Rijk. Daarnaast betalen burgers en bedrijven gemeentelijke belastingen en heffingen.
Module 7 stapt over van individuele markten naar de economie als geheel. Het verschil tussen micro- en macro-economie is het analyseniveau.
Tess is net klaar met haar examens en begint een eigen kraampje met zelfgebrouwen kombucha (gefermenteerde thee) op de zomerse foodtruckmarkt in haar stad. Op haar eerste marktdag staat ze tussen tientallen andere kraampjes met sapjes, smoothies en frisdrank. In dit hoofdstuk volgen we hoe Tess' marktpositie verandert.
De foodtruckmarkt waar Tess staat, is een concrete markt: vragers en aanbieders ontmoeten elkaar op een vaste plek. Maar Tess concurreert niet alleen met de kraampjes om haar heen — ze concurreert met alle aanbieders van drankjes in haar stad, ook de supermarkt en de horeca. Samen vormen al die vragers en aanbieders de abstracte markt voor drankjes: een markt zonder vaste ontmoetingsplek.
Tess merkt al snel dat ze de prijs van haar kombucha niet zomaar kan verhogen. Een deel van haar klanten koopt dan liever een sapje bij het kraampje ernaast. Dat is concurrentie-intensiteit: de mate waarin de totale winst (TW) van een aanbieder beïnvloed wordt door andere aanbieders. Bij Tess is die concurrentie-intensiteit hoog: ze heeft veel concurrenten met een vergelijkbaar product, dus haar prijs kan ze nauwelijks zelf bepalen.
Stel dat Tess de enige kombucha-brouwer in de stad zou zijn — dan zou ze de prijs wél flink kunnen verhogen zonder klanten te verliezen, want ze hebben dan nergens anders kombucha te koop. De concurrentie-intensiteit op de kombuchamarkt wordt bepaald door drie marktkenmerken, die hierna één voor één aan bod komen.
Om de prijs op een markt te begrijpen, moet je de concurrentie-intensiteit kennen. Die wordt beïnvloed door drie marktkenmerken: het aantal aanbieders, de toetredingsbarrières en de mate van productdifferentiatie. Samen vormen deze kenmerken de marktstructuur van een markt. Het eerste marktkenmerk is het aantal aanbieders.
Constante kosten vormen een toetredingsbarrière: een abstracte drempel die een nieuwe aanbieder 'overheen moet stappen' om te kunnen produceren. De toetredingsbarrière is hoger als de constante kosten hoger zijn. Bij een hogere toetredingsbarrière lukt het minder aanbieders om over de drempel heen te stappen, waardoor er minder aanbieders op de markt zijn en de concurrentie-intensiteit lager is.
| Markt | Toetredingsbarrières |
|---|---|
| Kombuchakraampjes | Vergunning marktplaats, brouwbenodigdheden |
| Fastfood | Reclamekosten, huisvestingskosten A-locaties binnensteden |
| Personenauto's | Ontwerpkosten nieuwe auto, investeringskosten autofabriek |
| Olie | Bouwkosten raffinaderij, aankoop olievelden |
| Streamingdiensten | Ontwerp- en onderhoudskosten platform, productiekosten content |
Toetredingsbarrières verschillen sterk per markt. Voor Tess is de toetredingsbarrière laag: een brouwketel en een marktvergunning zijn betaalbaar, dus elke week kunnen er nieuwe kraampjes bijkomen. Voor een chipfabriek zoals die van ASML kost de fabriek alleen al miljarden euro's — een zeer hoge toetredingsbarrière. Daardoor zijn er wereldwijd maar een paar chipmachinefabrikanten, maar honderden kombucha- en sapkraampjes.
Bij de afleiding van de aanbodlijn geldt: de GTK-lijn daalt eerst bij een grotere productieomvang. De winst van een aanbieder is gelijk aan TW = (p − GTK) × q. Bij een lagere prijs moet een aanbieder dus meer verkopen om geen verlies te maken. Stel dat Tess bij prijs p = €6 minimaal 200 bekers kombucha per week moet verkopen om geen verlies te maken. Komt er een tweede kombuchakraam bij, dan moeten beide kraampjes hun prijs verlagen om de klanten te verdelen — en moet ieder kraampje meer dan de helft van 200 bekers verkopen om quitte te spelen, omdat de GTK bij een lagere prijs hoger ligt dan bij de oorspronkelijke 200 bekers. Bij twee kraampjes is in totaal 900 bekers per week nodig: 450 per kraampje, ruim meer dan de 200 die volstonden voor één aanbieder.
Hoe kleiner het aantal klanten in een afzetgebied, hoe minder ruimte er is om de prijs te verlagen. Is het benodigde aantal klanten niet aanwezig, dan loont een tweede kraampje niet. Dat verklaart waarom je in een klein dorp vaak maar één bakker vindt, en in een grote stad tien.
Op de meeste markten zijn er meerdere producenten. Zij produceren twee soorten producten: homogene producten of heterogene producten. Homogene producten voorzien in dezelfde behoefte en zijn in de ogen van de consumenten niet verschillend van elkaar. Heterogene producten voorzien ook in dezelfde behoefte, maar zijn in de ogen van consumenten wel verschillend van elkaar.
| Mate van productdifferentiatie | Product |
|---|---|
| Homogeen | Elektriciteit |
| Zwak heterogeen | Melk |
| Gematigd heterogeen | Frisdrank / kombucha |
| Sterk heterogeen | Tassen |
Tess' kombucha is een gematigd heterogeen product: net als bij frisdrank verschilt de smaak per merk merkbaar, maar consumenten kunnen nog steeds relatief makkelijk overstappen naar een andere smaak of brouwer. Een homogeen product als melk verschilt maar zwak per merk; een sterk heterogeen product als een tas (een Chanel-tas vergeleken met een tas van de Action) verschilt juist enorm.
De concurrentie-intensiteit op een markt neemt af bij een grotere mate van productdifferentiatie. Bij homogene producten kan een aanbieder zijn prijs niet zomaar verhogen: consumenten kopen precies hetzelfde product bij een andere aanbieder. Maar als producten sterk gedifferentieerd zijn, kan een producent veel gemakkelijker zijn prijs verhogen. Voor consumenten bestaat er dan geen of nauwelijks vergelijkbaar alternatief.
Tess is net klaar met haar examens en begint een eigen kraampje met zelfgebrouwen kombucha (gefermenteerde thee) op de zomerse foodtruckmarkt in haar stad. Ze staat tussen tientallen andere kraampjes met sapjes, smoothies en frisdrank. In dit hoofdstuk volgen we hoe Tess' marktpositie verandert — van een kraampje tussen veel concurrenten tot een unieke aanbieder met eigen prijsmacht.
Een marktvorm is de indeling van een markt op basis van het aantal aanbieders én de mate van productdifferentiatie. De marktvorm bepaalt hoeveel invloed een individuele aanbieder heeft op de prijs: is hij een hoeveelheidsaanpasser, prijsbeïnvloeder of prijszetter?
| Marktvorm | Aanbieders | Product | Rol aanbieder |
|---|---|---|---|
| Volkomen concurrentie | Veel | Homogeen | Hoeveelheidsaanpasser |
| Monopolistische concurrentie | Veel | Heterogeen | Beperkte prijsinvloed |
| Oligopolie (homogeen) | Weinig | Homogeen | Prijsbeïnvloeder |
| Oligopolie (heterogeen) | Weinig | Heterogeen | Prijsbeïnvloeder |
| Monopolie | Één | Onafhankelijk | Prijszetter |
De vijf marktvormen kun je rangschikken naar concurrentie-intensiteit. Daarbij neemt de invloed van een individuele aanbieder op zijn eigen prijs af naarmate de concurrentie-intensiteit lager is.
| Marktvorm | Concurrentie-intensiteit | Invloed op de eigen prijs |
|---|---|---|
| Volkomen concurrentie | Zeer hoog | Geen |
| Monopolistische concurrentie | Hoog | Nauwelijks |
| Homogeen oligopolie | Gemiddeld | Beperkt |
| Heterogeen oligopolie | Laag | Veel |
| Monopolie | Afwezig | Volledig |
Bij volkomen concurrentie zijn er veel aanbieders van een homogeen product. Het is de enige marktvorm waarbij een aanbodlijn kan worden afgeleid en waarbij individuele aanbieders geen invloed hebben op de prijs van hun product: iedere aanbieder is een hoeveelheidsaanpasser. Een monopolie biedt de laagst mogelijke concurrentie-intensiteit: er is sprake van een monopolie als één enkel bedrijf de markt bedient. Die ene aanbieder bepaalt helemaal zelf de prijs van zijn product; een monopolist is prijszetter.
Iedere marktvorm ontstaat vanuit een monopolie. Gaandeweg komen er meer producenten die hetzelfde of een vergelijkbaar product aanbieden. Als deze nieuwe producenten hetzelfde product aanbieden als de monopolist, ontstaat een homogeen oligopolie. Toetreding geeft een homogeen oligopolie als de toetredende producenten een andere variant van het product produceren. Bij lage toetredingsbarrières blijven nieuwe producenten toetreden tot de markt. Een homogeen oligopolie kan dan veranderen in een markt met volkomen concurrentie, maar alleen als het aantal toetreders zo groot is dat een individuele aanbieder geen invloed meer heeft op de prijs van zijn product. Toetreding met heterogene producten kan ook net zo lang doorgaan totdat geen enkel product nog winst maakt. In dat geval is een heterogeen oligopolie veranderd in een markt met monopolistische concurrentie.
Op een markt wordt de concurrentie-intensiteit bepaald door het aantal aanbieders en de mate van productdifferentiatie. Dat geeft vijf verschillende marktvormen. Bij volkomen concurrentie zijn er veel producenten die allemaal hetzelfde, homogene product aanbieden. Het is de enige marktvorm waarbij een aanbodlijn afgeleid kan worden en waarbij individuele producenten geen invloed hebben op de prijs van hun product. Iedere producent is een hoeveelheidsaanpasser. De concurrentie-intensiteit bij volkomen concurrentie is zeer hoog. Bij monopolistische concurrentie bieden veel producenten een heterogeen product aan. De concurrentie-intensiteit is hoog. Er is sprake van een monopolie als één enkel bedrijf de markt bedient; die bepaalt helemaal zelf de prijs van zijn product. Een monopolie biedt de laagst mogelijke concurrentie-intensiteit. Bij een homogeen oligopolie bieden weinig producenten hetzelfde, homogene product aan. De concurrentie-intensiteit van een homogeen oligopolie is gemiddeld. Als producenten bij een oligopolie een gedifferentieerd product aanbieden, is er sprake van een heterogeen oligopolie. De concurrentie-intensiteit van een heterogeen oligopolie is laag.
Op de eerste marktdag heeft Tess geen idee welke prijs ze moet vragen voor haar kombucha. Te duur, en niemand koopt; te goedkoop, en ze is binnen het uur uitverkocht maar verdient nauwelijks iets. Ergens tussenin ligt de prijs waarbij haar aanbod precies aansluit op de vraag. Bij iedere marktvorm wordt het marktevenwicht bereikt als aan dezelfde twee voorwaarden is voldaan. De manier waarop aan die voorwaarden wordt voldaan, verschilt per marktvorm.
De twee voorwaarden voor marktevenwicht pakken per marktvorm wel verschillend uit. Daarbij geldt dat de prijs bij marktevenwicht lager is bij een hogere concurrentie-intensiteit.
Op de foodtruckmarkt staan 8 sapjeskraampjes naast Tess — allemaal met identiek appel-perensap. Dit is volkomen concurrentie: veel aanbieders, homogeen product, vrije toetreding, transparante markt, dezelfde technologie. Niemand kan de prijs beïnvloeden; alle aanbieders zijn hoeveelheidsaanpassers. De constante kosten per kraampje zijn €16. In de linker grafiek zie je dat bij de evenwichtsprijs van €50 ieder kraampje 5 bekers verkoopt — daar snijdt de MO-lijn de MK-lijn in punt B. De GTK bij q = 5 is €33,20 (punt C): elk kraampje maakt winst. De winst is het groene vlak ABCD: (€50 − €33,20) × 5 = €84 per kraampje. In de rechter grafiek: bij 8 kraampjes worden er 40 bekers verkocht (punt E) tegen €50.
Die winst van €84 per kraampje blijft niet onopgemerkt. Vier nieuwe kraampjes besluiten ook sapjes te gaan verkopen — vrije toetreding, zoals voorwaarde 3 voorschrijft. Nu staan er 12 kraampjes. Het collectieve aanbod stijgt, waardoor de aanbodlijn naar rechts kantelt. De nieuwe evenwichtsprijs daalt naar €42, bij een hoeveelheid van 48 bekers op die marktdag. Voor elk kraampje verschuift het MO=MK-snijpunt naar punt B bij q = 4. De winst is geslonken tot (€42 − €30) × 4 = €48 per kraampje — nog steeds winst, maar minder dan voorheen.
Toetreding van nieuwe aanbieders verlaagt de prijs en de winst van alle individuele aanbieders. Nieuwe aanbieders blijven toetreden zolang ze hun break-evenhoeveelheid kunnen behalen. Anders gezegd: nieuwe aanbieders treden er net zo lang toe totdat individuele producenten geen winst meer maken. Dan is het langetermijn-marktevenwicht bereikt. Kortom, bij volkomen concurrentie op lange termijn geldt:
1. de vraaglijn snijdt de aanbodlijn;
2. de MO-lijn snijdt de MK-lijn;
3. TW van iedere producent is gelijk aan 0.
Stel dat er uiteindelijk 32 sapjeskraampjes staan: de evenwichtsprijs is gedaald naar €26, bij Q = 64. Bij elk kraampje ligt het MO=MK-snijpunt nu precies bij q = 2 — en dat is exact het laagste punt van de GTK-lijn. Daar is GTK ook €26: p = MK = GTK, en de winst is nul. Iedere aanbieder produceert precies de productieomvang van het break-evenpunt.
| Termijn | Marktevenwicht | Winst | Toetreding |
|---|---|---|---|
| Korte termijn | Qv = Qa, p = MO = MK > GTK | TW > 0 | Ja |
| Lange termijn | Qv = Qa, p = MO = MK = GTK | TW = 0 | Nee |
Op korte termijn maakt elk kraampje €84 winst. Maar het individuele producentensurplus (PS) is groter dan alleen de winst. Het producentensurplus is het voordeel dat een aanbieder behaalt met zijn productie: gelijk aan zijn TW plus zijn constante kosten (CK). De verhuurder van het marktkraampje en de leverancier van de bekers maken immers ook winst uit de CK die Tess betaalt — zij horen ook bij het producentensurplus.
| Individueel producentensurplus | ||
|---|---|---|
| Methode 1 | Oppervlakte onder de prijs boven de MK-lijn | 0,5 × (€50 − €10) × 5 = €100 |
| Methode 2 | Optelsom van de winst en de constante kosten | €84 + €16 = €100 |
| Collectief producentensurplus | ||
| Methode 1 | Oppervlakte onder de prijs boven de aanbodlijn | 0,5 × (€50 − €10) × 40 = €800 |
| Methode 2 | Optelsom van individueel PS van alle producenten | 8 × €100 = €800 |
In §1 zagen we hoe Tess op de foodtruckmarkt begon als één van de acht sapjeskraampjes — volkomen concurrentie. In §2 was ze de enige drankjesverkoper op het festival — een monopolist. Nu komen we toe aan de tussenvormen. Toetreding bij een monopolie verloopt anders dan bij volkomen concurrentie. Bij een monopolie is er geen aanbodlijn; de invloed van toetreding verloopt via de vraaglijn. Tess was als enige aanbieder de monopolist op het festival: bij Q = 20 bekers was de prijs €6. Op dag 3 komt er een nieuw kraampje bij. Wat gebeurt er nu met de vraaglijn van Tess? De vraaglijn verschuift naar links: het deel van de oorspronkelijke vraag dat overblijft na toetreding, heet de residuele vraaglijn.
Het nieuwe kraampje op dag 3 verkoopt ook kombucha — een homogeen product. De formule van de vraaglijn als monopolist was: Qv = 50 − 5p, herschreven: p = 10 − 0,2Q. Het nieuwe kraampje verkoopt zelf 20 bekers. De residuele vraaglijn van Tess: q = Qv − 20 = 30 − 5p. Herschreven: p = 6 − 0,2q. De bijbehorende MO-lijn: MO = 6 − 0,4q.
De MO-lijn snijdt de MK-lijn bij q = 10. Prijs: p = 6 − 0,2 × 10 = €4. GTK bij q = 10 is €3,80. Winst: TW = (€4 − €3,80) × 10 = €2. Collectief Q = 20 + 10 = 30; CS = 0,5 × (€10 − €4) × 30 = €90. Door de komst van de nieuwe kombucha-aanbieder daalde de prijs van €6 naar €4 en steeg het collectieve aanbod van 20 naar 30 bekers. Lernerindex: (€4 − €2) / €4 × 100% = 50% — lager dan bij het monopolie (67%) maar hoger dan bij volkomen concurrentie (0%).
Op dag 4 verschijnt er naast Tess een limonadekraampje. Limonade en kombucha zijn niet volledig inwisselbaar: een deel van de festivalgangers heeft een voorkeur voor kombucha, maar bij een te hoge prijs stappen ze over. Daardoor verschuift Tess' vraaglijn minder ver naar links: slechts 11 bekers. Residuele vraaglijn: q = 50 − 5p − 11 = 39 − 5p. Herschreven: p = 7,8 − 0,2q. MO-lijn: MO = 7,8 − 0,4q.
MO = MK bij q = 12. Prijs: p = 7,8 − 0,2 × 12 = €5,40. GTK bij q = 12 is €3,40. Winst: TW = (€5,40 − €3,40) × 12 = €24. CS op Tess' deelmarkt: 0,5 × (€7,80 − €5,40) × 12 = €14,40. Vergelijk met homogeen oligopolie (winst €2): Tess verdient veel meer bij het heterogeen oligopolie omdat limonade geen goede vervanger is voor kombucha — haar klanten blijven trouwer.
Bij heterogeen oligopolie ontstaan er deelmarkten: een apart deelmarkt per variant. Iedere producent is monopolist op zijn eigen deelmarkt. Je berekent het totale CS en PS door de deelmarkten bij elkaar op te tellen.
Terug naar de foodtruckmarkt. Tess heeft haar kombucha een eigen smaakprofiel gegeven: gember-kurkuma, in een opvallend label met haar eigen merknaam. Ze is nu een minimonopolist in haar eigen niche — al staan er nog steeds tientallen andere drankjesverkopers om haar heen. Dit is monopolistische concurrentie: veel concurrenten met gedifferentieerde producten. Iedere aanbieder heeft enige marktmacht (zijn product is uniek), maar de concurrentie beperkt die marktmacht sterk.
Het langetermijn-marktevenwicht bij MC lijkt op dat bij volkomen concurrentie: toetreding gaat door tot TW = 0. De residuele vraaglijn van Tess raakt de GTK-lijn precies op één punt. Tegelijkertijd maximaliseert Tess haar winst: de MO-lijn snijdt de MK-lijn. Dit is punt F: de prijs is gelijk aan GTK, maar hoger dan het minimum van GTK. Dat verschil met VC zorgt voor een iets minder efficiënte markt.
| Marktvorm | Prijs bij evenwicht | TW | Relatieve efficiëntie |
|---|---|---|---|
| Volkomen concurrentie | = GTK-minimum | 0 (lange termijn) | 100% |
| Monopolistische concurrentie | > GTK-minimum, = GTK | 0 (lange termijn) | Hoog |
| Homogeen duopolie (Tess) | €4 > GTK-min | €2 | Gemiddeld |
| Heterogeen duopolie (Tess) | €5,40 > GTK-min | €24 | Lager |
| Monopolie (Tess op festival) | €6 > GTK | €50 | Laagst |
Relatieve efficiëntie = (TS huidige marktvorm / TS volkomen concurrentie) × 100%. Hoe lager de prijs bij evenwicht, hoe groter de bijdrage aan de welvaart.
Het lokale zomerfestival vraagt Tess als enige drankjesverkoper voor hun kombuchatap binnen het terrein — geen andere aanbieder mag naar binnen. Plotseling is Tess de enige aanbieder op die markt: een echte monopolist. Een monopolist is de enige aanbieder. Hij kán de prijs verhogen — maar dat kost hem klanten (wet van de vraag). Hij kiest de prijs die zijn winst maximaliseert: niet de hoogst mogelijke prijs, maar de optimale combinatie van prijs en hoeveelheid.
Laten we Tess' festivaltap precies doorrekenen met grafieken. Omdat zij de enige aanbieder binnen het terrein is, bestaat er geen aanbodlijn meer — alleen een vraaglijn. Bij een gegeven vraaglijn kiest Tess één prijs die haar winst maximaliseert.
In de grafiek hierboven kun je voor elke hoeveelheid de bijbehorende prijs aflezen: bijvoorbeeld bij 20 bekers op het festival is de betalingsbereidheid €6. Maar om te weten welke hoeveelheid Tess écht moet aanbieden, heeft ze de MO-lijn nodig. De MO-lijn heeft hetzelfde startgetal als de vraaglijn en snijdt de x-as op precies de helft van de productieomvang waarbij de vraaglijn de x-as raakt. De vraaglijn raakt de x-as bij Q=50 (niemand wil nog kopen tegen prijs €0); de MO-lijn snijdt de x-as dan bij Q=25.
Met de MO-lijn en de MK-lijn kan Tess het marktevenwicht bepalen. Bij volkomen concurrentie wordt de evenwichtsprijs bepaald door het snijpunt van vraag- en aanbodlijn. Bij een monopolie is er geen aanbodlijn. Het marktevenwicht wordt bepaald door het snijpunt van de MO-lijn met de MK-lijn.
De MO-lijn snijdt de MK-lijn bij Q=20 (punt B). De bijbehorende evenwichtsprijs volgt uit de vraaglijn: bij Q=20 is p=€6 (punt E). Tess zet dus 20 bekers kombucha af op het festival, tegen €6 per beker. De bijbehorende GTK volgt uit de GTK-lijn en is gelijk aan €3,50 (punt C). Bij marktevenwicht is de winst van Tess gelijk aan TW = (p − GTK) × Q = (€6 − €3,50) × 20 = €50.
Bij volkomen concurrentie hadden Tess en de andere sapjeskraampjes geen invloed op de prijs: p = MK = €26 op lange termijn. Als enige drankjesverkoper op het festival heeft Tess echter veel invloed: ze vraagt €6, terwijl haar marginale kosten slechts €2 zijn. Het verschil tussen de prijs en de MK noemen we marktmacht. Hoe groter het verschil, hoe meer marktmacht een aanbieder heeft.
Voor Tess op het festival: p = €6, MK = €2. Lernerindex = (€6 − €2) / €6 × 100% = 67%. Dit betekent dat 67% van de prijs die Tess vraagt meer is dan haar marginale kosten — een hoge marktmacht, kenmerkend voor een monopolie. Bij haar sapjeskraampje op de foodtruckmarkt (volkomen concurrentie op lange termijn) was p = MK = €26, dus L = 0%.
Tess merkt op het festival dat ze als enige aanbieder nog meer winst kan maken. Niet alle festivalgangers hebben dezelfde betalingsbereidheid: bezoekers met een studentenkortingspas hebben minder te besteden dan de gewone festivalgangers. Een slimme monopolist vraagt niet één prijs aan iedereen, maar probeert de betalingsbereidheid van elk segment af te romen. Dat heet prijsdiscriminatie. Om dit te kunnen doorvoeren, moeten aan drie voorwaarden zijn voldaan.
In het dorp zijn er twee groepen festivalgangers met een verschillende betalingsbereidheid voor kombucha: gewone bezoekers en bezoekers met een studentenkortingspas. De linker grafiek hieronder toont de samengevoegde vraaglijn van beide groepen. De knik ontstaat door de lagere betalingsbereidheid van de kortingspashouders: bij prijzen boven €8 kopen alleen gewone bezoekers kombucha. Bij lagere prijzen telt Tess de vraag van beide groepen bij elkaar op.
In de middelste grafiek snijdt de MO-lijn van de gewone bezoekers de MK-lijn bij Q=14, met bijbehorende prijs p=€7. De GTK is dan €3,50. De winst bij gewone bezoekers is TW = 14 × (€7 − €3,50) = €49. Bij de kortingspashouders (rechter grafiek) snijdt de MO-lijn de MK-lijn bij Q=10, met prijs p=€5 en eveneens GTK=€3,50. De winst bij kortingspashouders is TW = 10 × (€5 − €3,50) = €15.
Door haar markt te segmenteren, verdient Tess €64 in plaats van €50 — €14 extra winst. Bovendien verkoopt ze in totaal meer kombucha (14+10=24 bekers in plaats van 20): ook de kortingspashouders, die bij een uniforme prijs van €6 niet zouden kopen, doen nu mee. Prijsdiscriminatie is dus niet alleen goed voor Tess' winst, maar zorgt er ook voor dat meer mensen een kombucha kunnen kopen die anders buiten de boot zouden vallen.
Tess' kombucha wordt zo populair dat drie grote frisdrankmerken — vergelijkbaar met Coca-Cola, Pepsi en AA Drink — allemaal hun eigen kombucha in de supermarkt zetten. Met hun budgetten en distributienetwerk kan Tess natuurlijk niet concurreren, maar de drie merken letten wel scherp op elkaar: verlaagt het ene merk de prijs, dan volgen de andere meteen. Bij een oligopolie zijn er maar weinig aanbieders die samen de markt domineren. Ze zijn elkaars grootste concurrenten — en ze letten voortdurend op elkaars gedrag. Dat maakt oligopolie strategisch: verlaag jij je prijs, dan doet je concurrent dat ook.
Toetreding bij een monopolie verloopt anders dan toetreding op een markt met volkomen concurrentie. Bij een monopolie is er geen aanbodlijn; de invloed van toetreding op het marktevenwicht verloopt via de vraaglijn. Tess was als enige aanbieder op het festival een monopolist (zie §4): bij Q=20 was de prijs €6. Op de tweede festivaldag komt er een nieuw kraampje bij. Wat gebeurt er nu met de vraaglijn van Tess als er een nieuwe aanbieder bijkomt? De vraaglijn verschuift naar links, als er op een markt nieuwe, substitueerbare producten bijkomen. De verschoven vraaglijn is dan het deel van de oorspronkelijke vraag dat overblijft voor Tess. Deze verschoven vraaglijn heeft een speciale naam: de residuele vraaglijn.
De afstand waarover de vraaglijn naar links verschuift, hangt af van de mate waarin het product van de nieuwe aanbieder lijkt op het product van Tess. Is de nieuwe aanbieder ook een kombucha-kraampje, of bijvoorbeeld een limonadekraampje? Bij homogene producten is de onderlinge substitueerbaarheid maximaal: in de ogen van de festivalganger zijn kombucha's van verschillende kraampjes volledig inwisselbaar. In dat geval verschuift bij toetreding de vraaglijn over de grootste afstand naar links. Heterogene producten zijn onderling minder goed inwisselbaar. Verschuift er een limonadekraampje naast Tess, dan verschuift haar vraaglijn over een minder grote afstand naar links dan bij de komst van een nieuw kombucha-kraampje.
Stel het nieuwe kraampje op de tweede festivaldag verkoopt ook kombucha — een homogeen product. De formule van de vraaglijn van Tess als monopolist was Qv = 50 − 5p, of herschreven: p = 10 − 0,2Qv. Het nieuwe kraampje verkoopt zelf, als zelfstandige aanbieder, 20 bekers kombucha. De residuele vraaglijn van Tess krijg je door deze 20 bekers van de oorspronkelijke vraaglijn af te trekken: q = Qv − 20 = 30 − 5p. Herschreven: p = 6 − 0,2q.
De bijbehorende MO-lijn is op de gebruikelijke manier gedefinieerd: hetzelfde startgetal als de residuele vraaglijn, en snijdt de x-as op de helft van het punt waar de residuele vraaglijn de x-as raakt. De residuele vraaglijn raakt de x-as bij q=30, dus de MO-lijn snijdt de x-as bij q=15: MO = 6 − 0,4q.
In de grafiek hierboven snijdt de MO-lijn de MK-lijn bij q=10 (punt B). De bijbehorende prijs volgt uit de residuele vraaglijn: p = 6 − 0,2 × 10 = €4 (punt E). Kortom, als er een nieuw, homogeen kombucha-kraampje toetreedt, maximaliseert Tess haar winst door 10 bekers te verkopen tegen €4 per beker. De bijbehorende GTK volgt uit de GTK-lijn en is gelijk aan €3,50 (punt C). Het bijbehorende TW = (p − GTK) × q = (€4 − €3,50) × 10 = €5. Dat is veel minder dan de €50 winst die Tess als monopolist maakte!
Marktmacht. In een homogeen duopolie hebben producenten nog steeds invloed op de prijs van hun product: ze beschikken over marktmacht. De mate van marktmacht meet je met de Lernerindex: 100% × (p − MK) / p. Bij Tess als monopolist (§4) was de Lernerindex 100% × (€6 − €2) / €6 = 66,7%. Na toetreding van het tweede kraampje is de Lernerindex 100% × (€4 − €2) / €4 = 50%. De mate van marktmacht is dus kleiner geworden, maar nog steeds aanwezig: want ook in een homogeen duopolie moeten beide producenten rekening houden met de concurrent.
Het marktevenwicht van een heterogeen oligopolie leid je op dezelfde manier af als bij een homogeen oligopolie. Stel het nieuwe kraampje op de tweede festivaldag verkoopt geen kombucha, maar verse limonade. Limonade en kombucha zijn niet volledig inwisselbaar: een deel van de festivalgangers drinkt liever limonade dan kombucha, maar de meesten blijven bij hun eigen voorkeur. Daardoor verschuift de vraaglijn van Tess niet over een afstand van 20 bekers naar links, zoals bij een homogeen product, maar over een kleinere afstand: 11 bekers. De residuele vraaglijn van Tess wordt dan: q = Qv − 11 = 50 − 5p − 11 = 39 − 5p. Herschreven: p = 7,8 − 0,2q.
Voor Tess snijdt de MO-lijn de MK-lijn nu bij q=12 (punt B). De bijbehorende prijs volgt uit de herschreven residuele vraaglijn: p = 7,8 − 0,2 × 12 = €5,40 (punt E). Kortom, bij marktevenwicht verkoopt Tess 12 bekers kombucha voor een prijs van €5,40. De bijbehorende GTK is gelijk aan €3,40, zodat de winst van Tess gelijk is aan TW = (p − GTK) × q = (€5,40 − €3,40) × 12 = €24.
Vergelijk dit met homogeen oligopolie: daar verkocht Tess maar 10 bekers voor €4 (winst €5). Bij heterogeen oligopolie verkoopt ze meer (12 bekers) tegen een hogere prijs (€5,40), met een veel hogere winst (€24). Dat komt omdat limonade een minder goede vervanger is voor kombucha dan een andere kombucha: Tess houdt een trouwere klantenkring over.
Zo ontstaan er bij een heterogeen oligopolie deelmarkten: een apart deel van de markt voor iedere variant van het product. Iedere producent is monopolist op zijn deel van de markt. De berekening van het consumenten- en producentensurplus verloopt weer op dezelfde manier als bij een monopolie. Alleen moet je het consumenten- en producentensurplus voor iedere deelmarkt apart berekenen en bij elkaar optellen om het totale surplus van de hele heterogene markt te krijgen.
Tess' kombuchastand op de foodtruckmarkt komt via vraag en aanbod uit op een evenwichtsprijs van €26. Maar is dat ook een gewenste uitkomst? Een consument die krap bij kas zit, vindt €26 misschien te hoog. Een kombucha-boer die de grondstoffen levert, vindt het misschien te laag. De overheid kan een marktevenwicht om twee redenen ongewenst vinden: politieke overtuiging of marktfalen.
Op het festival was Tess de enige drankjesverkoper — een monopolist. Ze vroeg €6 terwijl haar marginale kosten €2 waren (Lernerindex 67%). Die hogere prijs verhoogt haar producentensurplus, maar verlaagt het consumentensurplus. De daling van het consumentensurplus is groter dan de stijging van het producentensurplus — er gaat welvaart verloren. Producenten met marktmacht vragen een hogere prijs dan bij volkomen concurrentie: de markt levert minder welvaart op dan mogelijk is. Dat is marktfalen door marktmacht.
Tess' kraampje heeft effecten die verder gaan dan haar eigen transacties. Haar kombucha maakt klanten gezonder — maar die gezondheidswinst zit niet in de prijs die ze betalen. Haar plastic bekers veroorzaken afval dat de gemeente moet opruimen — maar die opruimkosten zitten niet in haar kostprijs. Dit zijn externe effecten: effecten van productie of consumptie die niet in de marktprijs worden weerspiegeld, maar de maatschappij wel raken.
Tess' kombucha bevat probiotica die de gezondheid van klanten verbeteren. Een klant betaalt €26 op basis van zijn eigen betalingsbereidheid — maar de maatschappij heeft er ook baat bij: een gezondere consument kost het zorgsysteem minder geld. Dat maatschappelijk voordeel zit niet in de prijs. Daardoor is de maatschappelijke vraag groter dan de individuele vraag: de maatschappij wil eigenlijk meer kombucha dan de vrije markt levert.
De grafiek laat dit zien. Bij vrijemarktwerking snijden vraag en aanbod bij punt E (Q=4, p=€6). Maar de maatschappelijke vraaglijn ligt hoger: bij elk aantal kombucha-flessen is de maatschappelijke betalingsbereidheid groter dan de individuele. Het maatschappelijk optimum ligt bij Q=5, p=€7. Bij vrijemarktwerking wordt er te weinig geproduceerd en is de prijs te hoog.
Tess' kraampje gebruikt plastic wegwerpbekers. De gemeente moet het festivalterrein daarna opruimen — maar die opruimkosten zitten niet in de prijs van haar kombucha. De maatschappelijke productiekosten zijn daardoor hoger dan Tess' individuele productiekosten. Bij vrijemarktwerking houdt ze geen rekening met die externe kosten en produceert ze te veel voor een te lage prijs.
De grafiek laat dit zien. Bij vrijemarktwerking snijden vraag en aanbod bij punt E (Q=4, p=€6). Maar de maatschappelijke aanbodlijn ligt hoger: de echte kosten per eenheid zijn €2 hoger door de externe kosten. Het maatschappelijk optimum ligt bij Q=3, p=€7. Bij vrijemarktwerking wordt er te veel geproduceerd en is de prijs te laag.
Tess verkoopt haar kombucha per flesje — wie betaalt, krijgt het. Wie niet betaalt, krijgt niets. Dat is een gewoon particulier goed. Maar de dijk die het festivalterrein droog houdt beschermt iedereen — of ze er nu voor betaald hebben of niet. En de veiligheid op het festival geldt voor alle bezoekers tegelijk. Dit zijn collectieve goederen: de markt brengt ze niet voort omdat niemand bereid is er vrijwillig voor te betalen.
Tess' kombuchastand draait goed — maar de overheid bemoeit zich met haar markt. Er zijn vier manieren waarop de overheid een marktevenwicht kan beïnvloeden: de marktwerking geleiden, prijzen reguleren, belastingen en subsidies inzetten, of zelf als producent optreden. In deze paragraaf staat de eerste manier centraal: marktwerking geleiden via de Mededingingswet.
Stel dat Tess en alle andere kombuchaverkopers op het festival samen afspreken om allemaal €8 per flesje te vragen — terwijl ze zonder die afspraak zouden concurreren op prijs. De consument betaalt dan meer, de concurrentie verdwijnt en de welvaart daalt. Precies dit soort afspraken verbiedt de Mededingingswet: de wet die de vrijemarktwerking in goede banen leidt door marktmacht te beteugelen. De wet bestaat uit drie onderdelen.
De Mededingingswet heeft alleen effect als er ook iemand op de naleving ervan let. Dat is de taak van de Autoriteit Consument & Markt (ACM): de Nederlandse toezichthouder die erop toeziet dat bedrijven zich aan de Mededingingswet houden. Bij overtredingen kan de ACM boetes opleggen tot 10% van de wereldwijde omzet van het bedrijf. Er bestaat ook een Europese Mededingingswet — de Europese Commissie ziet toe op naleving daarvan.
Tess overweegt haar kombucha-onderneming verder uit te breiden en denkt aan crowdfunding — investeerders die een deel van haar bedrijf kopen. Zodra ze dat doet, valt ze onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Financiële markten zijn extra kwetsbaar: als een supermarkt failliet gaat, sluiten mensen hun boodschappen ergens anders. Maar als een bank omvalt, zijn alle rekeninghouders hun spaargeld kwijt. Daarom is er naast de ACM een aparte toezichthouder voor financiële markten.
Naast marktwerking geleiden heeft de overheid nog drie andere instrumenten om markten te sturen. Deze komen in §3 uitgebreid aan bod.
Tess hoort dat de gemeente een maximumhuurprijs instelt voor commerciële marktplaatsen. Dat klinkt goed voor Tess — maar de gemeente heeft er maar 4 plekken voor en er zijn 8 gegadigden. Er ontstaat een vraagoverschot. Tegelijk garandeert de vaste boekenprijs (een minimumprijs) dat uitgevers genoeg verdienen om bijzondere titels te kunnen uitgeven. Bij een bindende maximumprijs daalt de prijs onder het evenwicht; bij een bindende minimumprijs stijgt de prijs erboven.
De grafiek toont een bindende maximumprijs (p_max = €4, onder evenwichtsprijs €6). Bij p=4 wordt Q=6 gevraagd maar slechts Q=2 aangeboden → vraagoverschot van 4.
Tess wil een vriendin inhuren om twee dagen per week te helpen op het kraampje. Volgens het wettelijke minimumjeugdloon moet ze haar minstens €14,20 per uur betalen. Het minimumloon is een minimumprijs op de arbeidsmarkt. Als het minimumloon boven het evenwichtsloon ligt, kan onvrijwillige werkloosheid ontstaan.
De gemeente geeft maar 2 vergunningen uit voor festivalplaatsen per dag — terwijl bij vrije marktwerking er 4 kraampjes zouden staan. Dat is een productiequotum: een door de overheid vastgestelde maximale productieomvang. Een bindend productiequotum ligt onder de evenwichtshoeveelheid. Gevolg: de prijs stijgt — consumenten willen meer betalen omdat er minder aanbod is.
Tess' plastic bekers krijgen een milieubelasting van €0,10 per beker. Die belasting is voor haar een extra kostenpost — haar MK-lijn verschuift omhoog. Daardoor verschuift ook haar aanbodlijn omhoog. Bij het nieuwe marktevenwicht is de prijs gestegen maar de hoeveelheid gedaald. Een deel van de belasting betaalt de consument (hogere prijs), een deel betaalt Tess zelf (lagere opbrengst per beker).
Tess krijgt een subsidie van €0,50 per flesje kombucha omdat haar product gezond is (positief extern effect). Die subsidie verlaagt haar productiekosten — haar MK-lijn verschuift omlaag. De aanbodlijn verschuift naar rechts/omlaag. Bij het nieuwe marktevenwicht is de prijs gedaald en de hoeveelheid gestegen. Een deel van de subsidie gaat naar de consument (lagere prijs), een deel naar Tess zelf (hogere opbrengst per flesje).
Er zijn goederen waarvoor wél vraag is, maar die de markt nooit zal produceren — simpelweg omdat er geen winst mee te maken is. Die goederen noem je collectieve goederen. De overheid is de enige die ze kan voortbrengen.
Voorbeelden collectieve goederen: dijkbescherming, defensie, straatverlichting, politie, kustbewaking, waterkeringenbeheer. Allen: niet-uitsluitbaar én niet-rivaliserend.
Tess studeert economie op de HAVO — haar onderwijs wordt grotendeels door de overheid betaald. Onderwijs is geen puur collectief goed (je kunt er in principe van worden uitgesloten), maar het heeft grote positieve externe effecten. Daarom noem je het een quasi-collectief goed: het lijkt op een collectief goed maar voldoet niet volledig aan beide kenmerken. De markt brengt het wel voort maar faalt: er wordt te weinig van geproduceerd voor een te hoge prijs.
| Goed | Niet-uitsluitbaar | Niet-rivaliserend | Type |
|---|---|---|---|
| Defensie | ✅ | ✅ | Collectief |
| Dijkbescherming | ✅ | ✅ | Collectief |
| Onderwijs | Deels | Deels | Quasi-collectief |
| Zorg | Deels | Deels | Quasi-collectief |
| OV | Deels | Deels | Quasi-collectief |
Jims favoriete artiest verkoopt T-shirts op de merchandise-stand. Jim overweegt er meerdere te kopen — voor zichzelf, en als cadeau. Maar hoe meer shirts hij al heeft, hoe minder een extra shirt hem nog waard is. Zijn betalingsbereidheid daalt dus per shirt:
Bij een prijs van €16 per shirt koopt Jim shirt 1, 2 en 3 — voor elk van die shirts is zijn betalingsbereidheid minstens €16. Shirt 4 (betalingsbereidheid €8) koopt hij niet: dat zou hem meer kosten dan het hem waard is.
In werkelijkheid verkopen veel winkels T-shirts niet per stuk met een vaste prijsstap, maar via aanbiedingen die elke prijs mogelijk maken (denk aan korting per shirt). Dan kun je de vraag van Jim weergeven als een doorlopende vraaglijn in plaats van losse staafjes.
De vraaglijn van Jim is: q = 8 − ¼p. Bij een prijs van €16 vraagt hij dus q = 8 − ¼ × 16 = 4 shirts.
Bekijk factor 3 nog eens goed: wat gebeurt er met Jims hele vraaglijn als die nep-merchandise-stand opduikt?
De hele vraaglijn verschuift naar onder: bij elke prijs is Jims betalingsbereidheid nu lager, omdat hij een goedkoper alternatief heeft. Let op: bij q=8 (shirts gratis) blijft zijn vraag gelijk — een gratis shirt wil hij nog steeds, substituut of niet. Maar zodra er een prijs gevraagd wordt, vraagt hij bij elke prijs minder dan voorheen.
In §1 zag je Jims individuele vraaglijn naar T-shirts: qJim = 8 − ¼p. Mila is ook fan, maar iets minder gretig dan Jim: haar vraaglijn is qMila = 4 − ⅛p. De collectieve vraag is de optelsom van alle individuele vragen samen — in dit geval van Jim en Mila.
Bij een prijs van €16 vraagt Jim q = 8 − ¼×16 = 4 shirts, en Mila q = 4 − ⅛×16 = 2 shirts. Samen is dat Q = 6 shirts — exact het punt in de rechter grafiek.
Het collectieve consumentensurplus is de mate waarin de consumptie van een product bijdraagt aan het welbevinden van alle consumenten samen. Je kunt het op twee manieren berekenen — en die geven exact hetzelfde antwoord.
Mila zit in een fanclub van 12 leden die allemaal naar hetzelfde concert willen. Om het simpel te houden, gaan we ervan uit dat elk fanclublid dezelfde individuele vraaglijn heeft naar een concertkaartje: q = 2 − 1⁄40p.
Bij een prijs van €40 vraagt elk fanclublid 1 kaartje. Met 12 leden is de collectieve vraag dus 12 kaartjes. Hoe meer fanclubleden, hoe verder de vraaglijn naar rechts kantelt — bij elke prijs wordt er meer collectief gevraagd.
De prijselasticiteit meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid reageert op een prijsverandering. Het is een verhoudingsgetal: hoe groot is de procentuele verandering in hoeveelheid ten opzichte van de procentuele prijsverandering?
De prijs van een concertkaartje stijgt van €60 naar €72 (+20%). De gevraagde hoeveelheid daalt van 30 naar 18 (−40%).
Dezelfde prijsstijging van 20% geldt voor gitaarsnaren: van €50 naar €60. De gevraagde hoeveelheid daalt veel minder: van 20 naar 18 sets (−10%).
Jims voorbeeld hierboven (Ep=−2) gebruikte bewust een hoog prijspunt. Maar zijn vraaglijn naar concertkaartjes (q = 90 − p) is steeds dezelfde lijn — alleen verandert de prijselasticiteit afhankelijk van waar op de lijn je meet.
Bij lage prijzen (onderaan de lijn, veel kopers) is de vraag inelastisch: een prijsstijging van 20% verandert de hoeveelheid maar weinig (Ep=−0,29). Bij hoge prijzen (bovenaan de lijn, weinig kopers) is dezelfde vraag elastisch: dezelfde 20% prijsstijging verandert de hoeveelheid nu juist sterk (Ep=−2,00). Dezelfde procentuele prijsverandering leidt dus bij verschillende prijzen tot verschillende procentuele veranderingen van de vraag.
Toch verschillen producten gemiddeld sterk in hoe elastisch hun vraag doorgaans is. Drie factoren bepalen dat:
Voor Mila's gitaarsnaren geldt: er is geen substituut (ze moet ze vervangen om te kunnen spelen) én ze besteedt er maar een klein deel van haar inkomen aan. Beide factoren maken dat haar vraag, bij het prijspunt dat we hierboven bekeken, relatief inelastisch is.
Een verkoper die de prijs verhoogt, krijgt twee tegengestelde effecten: per verkocht stuk meer opbrengst, maar minder stuks verkocht. Welk effect het sterkst is, hangt af van de prijselasticiteit.
| Waarde prijselasticiteit | Type vraag | Gevolg van een prijsverhoging |
|---|---|---|
| Ep = 0 | Volkomen inelastisch | Omzet stijgt |
| Ep tussen 0 en −1 | Inelastisch (Mila's punt) | Omzet stijgt |
| Ep = −1 | Niet-inelastisch en niet-elastisch | Omzet blijft gelijk |
| Ep kleiner dan −1 | Elastisch (Jims punt) | Omzet daalt |
Jim krijgt bij zijn bijbaantje een loonsverhoging van 10%. Voorheen ging hij 4 keer per jaar naar een concert. Met zijn extra inkomen gaat hij er nu 6 keer per jaar naartoe.
Na de loonsverhoging verschuift Jims hele vraaglijn naar rechts: bij elke prijs vraagt hij nu meer concertkaartjes dan voorheen. Bij een prijs van €60 vroeg hij eerst 4 kaartjes, nu 6.
Mila's inkomen (royalty's van Spotify, zie H3) stijgt ook met 10%. Maar in plaats van méér tweedehands kleding te kopen via Vinted, koopt ze juist minder: van 20 naar 15 items per jaar. Met meer geld stapt ze liever over op nieuwe kleding.
Mila's vraaglijn naar tweedehands kleding verschuift naar links: bij elke prijs vraagt ze nu minder dan voorheen. Dat is het omgekeerde van wat er bij Jim gebeurde.
Mila's fanclub (zie M2 H1) groeit gestaag, en steeds meer fans vragen waar ze iets met haar logo kunnen kopen. Mila besluit zelf T-shirts te laten bedrukken en te verkopen. Daarmee is ze niet langer alleen artiest, maar ook ondernemer: ze moet productiefactoren combineren om haar shirts te kunnen maken.
Jim helpt Mila met het bedrukken van shirts. Hoe meer uur hij werkt, hoe meer shirts er klaar zijn — maar niet evenredig: na een paar uur wordt hij moe en kost elk volgend shirt hem meer tijd. Dat verband tussen arbeidsuren en aantal shirts heet de productiefunctie.
| Aantal shirts (q) | Arbeidsuren (a) | Extra tijd voor dit shirt |
|---|---|---|
| 1 | 0,50 uur | 0,50 uur |
| 2 | 1,17 uur | 0,67 uur |
| 3 | 2,00 uur | 0,83 uur |
| 4 | 3,00 uur | 1,00 uur |
| 5 | 4,25 uur | 1,25 uur |
| 6 | 5,67 uur | 1,42 uur |
Mila's merchandisebedrijfje draait goed: ze verkoopt T-shirts met haar eigen logo aan haar fanclub. Jim bedrukt de shirts voor haar op de bedrukkingsmachine die ze huurt.
Hoe meer shirts Jim op een dag bedrukt, hoe meer tijd elk volgend shirt hem kost — hij werkt de hele dag door en raakt vermoeid, en de machine warmt op. De productiefunctie laat zien hoeveel uren (a) Jim nodig heeft bij een bepaald aantal shirts (q). Vermenigvuldig je de uren met het uurloon van €12, dan krijg je de VK-lijn.
Aan het eind van de week wil Mila weten hoeveel haar bedrijfje haar nu eigenlijk in totaal heeft gekost — niet alleen het loon dat ze aan Jim betaalt, maar ook de huur van de bedrukkingsmachine die ze toch al moet betalen. Tel je de constante kosten (CK) en de variabele kosten (VK) bij elkaar op, dan krijg je de totale kosten (TK):
Deel je de TK door het aantal shirts (q), dan krijg je de gemiddelde totale kosten (GTK). Net zo bereken je de gemiddelde constante kosten (GCK) en de gemiddelde variabele kosten (GVK):
Bij Mila zie je dat de GTK-lijn eerst daalt (de huur van €24 wordt over steeds meer shirts verdeeld) en daarna weer licht stijgt (de oplopende GVK gaat overheersen). Het laagste punt ligt bij 4 en 5 shirts: GTK = €15,00.
Mila overweegt om Jim nóg een shirt te laten bedrukken. Voordat ze dat doet, wil ze weten wat dat ene extra shirt haar precies kost — niet de kosten van alle shirts samen, maar alleen van dat laatste, extra shirt. De marginale kosten (MK) zijn de extra kosten van één extra shirt:
Mila ziet dat haar gemiddelde variabele kosten (GVK) niet bij elk bedrijf hetzelfde verloop hebben. Of de GVK-lijn stijgt, horizontaal loopt of daalt, hangt af van wat er met Jim gebeurt naarmate hij meer shirts bedrukt — en dat verloop bepaalt rechtstreeks hoe de MK-lijn eruitziet.
Scenario 1 — Jim raakt vermoeid (progressief). Elk volgend shirt kost Jim meer tijd en moeite dan het vorige. De constante kosten (CK) zijn €5. De GVK stijgt van €7 naar €12 — en de MK-lijn stijgt mee, van €7 naar €17.
Scenario 2 — elk shirt kost evenveel tijd (proportioneel). Jim werkt elk shirt in precies dezelfde tijd. De GVK blijft constant op €6 — en daardoor is de MK-lijn ook constant op €6. GVK en MK lopen hier zelfs over elkaar heen.
Scenario 3 — Jim wordt steeds sneller (degressief). Door ervaring drukt Jim elk volgend shirt vlotter af dan het vorige. De GVK daalt van €12 naar €7 — en de MK-lijn daalt mee, van €12 naar €2.
Mila verkoopt haar shirts voor €16 per stuk. Haar shirt is een uniek, gedifferentieerd product — nergens anders te koop dan bij haar — dus ze heeft wél enige prijsmacht. Maar ze kan niet onbeperkt verhogen: zoals je in H1 hebt gezien, daalt de gevraagde hoeveelheid als de prijs stijgt (de wet van de vraag), en bestaan er substituten zoals T-shirts van andere artiesten of merken. In deze paragraaf gaan we ervan uit dat Mila voor €16 verkoopt, en bekijken we wat dat betekent voor haar opbrengsten.
Hoeveel shirts moet Jim eigenlijk per dag bedrukken? Bedrukt hij er te weinig, dan verdient Mila de huur van de bedrukkingsmachine (CK = €24) niet eens terug. Bedrukt hij er te veel, dan wordt hij zo moe dat elk extra shirt meer kost dan het opbrengt. Daartussen ligt het antwoord.
Volg de stippellijnen door alle drie de grafieken: bij q₁=3 en q₂=7 shirts snijdt de TO-lijn de TK-lijn (boven), gaat de TW-lijn precies door nul (midden), en raakt de GTK-lijn de MO-lijn (onder) — dat zijn de twee break-evenpunten. Het winstmaximum ligt daartussen, bij q=5,5 shirts: daar snijdt de MK-lijn de MO-lijn, en precies op die plek heeft de TW-lijn zijn hoogste punt.
Bij Mila's bedrijfje geldt: CK = €24, uurloon Jim = €12, verkoopprijs p = €16 per shirt. De tabel laat zien hoe je van de productiefunctie (a) naar de winst (TW) rekent. Bij 1, 2 en 4 shirts staat alles al voor je uitgewerkt. Reken nu zelf de hele rij bij 3 shirts uit.
| q (shirts) |
a (uren) |
TK (€) |
GTK (€) |
MK (€) |
TO (€) |
GO (€) |
MO (€) |
TW (€) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1 | 0,50 | 30 | 30,00 | 6 | 16 | 16 | 16 | −14 |
| 2 | 1,17 | 38 | 19,00 | 8 | 32 | 16 | 16 | −6 |
| 3 | 2,00 | |||||||
| 4 | 3,00 | 60 | 15,00 | 12 | 64 | 16 | 16 | 4 |
In de vorige paragraaf zag je Mila's MK-lijn en GTK-lijn. Die twee lijnen zijn afgeleid van dezelfde TK-lijn, en de MK-lijn snijdt de GTK-lijn precies in het minimum van GTK.
Het groen gemarkeerde deel van de MK-lijn (vanaf het minimum van GTK) is de individuele aanbodlijn van Mila. Dat is geen toeval: de MK-lijn geeft namelijk de minimaal noodzakelijke prijs om geen verlies te maken bij elke productieomvang. Onder die prijs biedt Mila niets aan, want dan maakt ze verlies. Kortom: de MK-lijn is de individuele aanbodlijn.
De prijs om iets aan te bieden moet voor Mila minimaal €4 zijn: dat is het snijpunt van haar aanbodlijn met de y-as. Bij een prijs van €16 zal Mila 6 shirts aanbieden.
Senna speelt drums in Mila's band, en heeft inmiddels ook een eigen klein fanbestand. Op het fanevenement waar Mila haar shirts verkoopt, staat dit jaar ook een tweede kraam: die van Senna. Anders dan Mila huurt Senna geen eigen bedrukkingsmachine — ze laat haar shirts extern bedrukken bij een drukkerij in de stad. Dat is makkelijker, maar wel duurder per shirt: de drukkerij rekent een vast tarief per stuk, zonder de korting die Mila krijgt door haar machine over veel shirts te verdelen. Senna's individuele aanbodlijn ziet er daardoor anders uit dan die van Mila. Mila en Senna zijn dus, op het fanevenement, twee aanbieders op dezelfde markt — elk met hun eigen aanbodlijn.
Tel je de aanbodlijnen van Mila en Senna bij elkaar op, dan krijg je het collectieve aanbod: bij elke prijs is dat de som van wat Mila én Senna samen aanbieden.
De formule van Mila's individuele aanbodlijn is qMila = 0,5p − 2. De formule van Senna's individuele aanbodlijn is qSenna = p − 4. Het verschil in helling komt direct uit hun kostenstructuur: Mila profiteert van haar eigen machine zodra ze meer shirts laat bedrukken, terwijl Senna bij de drukkerij voor elk shirt steeds hetzelfde vaste tarief betaalt — daardoor reageert haar aanbod sterker op een prijsstijging. De formule van de collectieve aanbodlijn is de optelsom van deze twee:
Bij een prijs van bijvoorbeeld €6 per shirt is het totale aanbod QA = 1,5 × 6 − 6 = 3. Het snijpunt van de aanbodlijn met de y-as is weer de minimale prijs waarvoor de formule geldt. En dat is het geval bij p=€4, want dan geldt QA=0.
Het jaar erop staan er op het fanevenement niet twee, maar vier kramen met vergelijkbare merchandise. Mila merkt dat ze haar shirts niet meer voor €16 kan verkopen zoals voorheen — bij die prijs blijven nu shirts liggen. Hoe komt dat? De aanbodlijn heeft een belangrijke eigenschap: de lijn kantelt naar rechts als er meer producenten zijn. Want bij meer producenten wordt het aanbod van een groter aantal producenten bij elkaar opgeteld, en daardoor kantelt de aanbodlijn naar rechts.
Net zoals het consumentensurplus verandert bij een prijsverandering, verandert ook het producentensurplus. Maar precies het omgekeerde gebeurt: bij een lagere prijs daalt het producentensurplus.
In de vorige hoofdstukken hebben we de vraaglijn en de aanbodlijn los van elkaar afgeleid. Voor de markt van Mila's shirts geldt: de collectieve vraaglijn van haar fans is Qv = 24 − 1,5p. De collectieve aanbodlijn van Mila en Senna samen (uit het vorige hoofdstuk) is QA = 1,5p − 6. Gezamenlijk bepalen vraag en aanbod de prijs. Hoe dat in zijn werk gaat, leggen we in dit hoofdstuk uit.
De prijs komt tot stand bij marktevenwicht: de situatie waarbij de gevraagde hoeveelheid gelijk is aan de aangeboden hoeveelheid. In het marktevenwicht snijden de vraag- en aanbodlijn elkaar. Want alleen in dat snijpunt zijn de twee lijnen en daarmee de gevraagde en de aangeboden hoeveelheid aan elkaar gelijk.
Bij het marktevenwicht horen ook het consumentensurplus en het producentensurplus. Het consumentensurplus is de groene driehoek tussen de vraaglijn en de evenwichtsprijs. Het producentensurplus is de rode driehoek tussen de aanbodlijn en de evenwichtsprijs.
Mila experimenteert een tijdje met haar prijs. Op een dag zet ze hem op €14, een andere dag op €6 — allebei niet de evenwichtsprijs van €10. Ze ziet allebei keren iets anders misgaan. Bekijk de prijzen €14 en €6 op de markt voor Mila's shirts.
Dit proces gaat door totdat de gevraagde en aangeboden hoeveelheid weer aan elkaar gelijk zijn: bij p=€10. Dit mechanisme — waarbij vraag en aanbod de markt vanzelf in evenwicht brengen, zonder dat iemand de prijs bewust bepaalt — heet de onzichtbare hand.
Hoe komt het marktevenwicht tot stand? Is er iemand die voor ieder product een figuur zoals hierboven tekent en dan uitrekent wat de evenwichtsprijs is? Dat klinkt misschien verbazingwekkend, maar op sommige markten is dit inderdaad het geval.
Stel dat Mila en Senna hun shirts niet los verkopen, maar via een gezamenlijk verkoopplatform waarbij een app vooraf alle bestellingen en alle aanbod verzamelt, en dan zelf de prijs vaststelt. Die app is dan de marktmeester: hij berekent de vraag- en aanbodlijn op basis van alle wensen, bepaalt pe=€10, en laat precies 9 shirts verkopen — geen shirt te veel, geen fan met lege handen.
In de meeste gevallen bestaat er geen marktmeester die het marktevenwicht berekent. Dan brengen de krachten van vraag en aanbod de markt vanzelf in evenwicht, zoals je in de vorige kaart zag: via de onzichtbare hand. Verkoopt Mila haar shirts gewoon los op haar fanclub-pagina, dan past zij de prijs zelf steeds een beetje aan op basis van wat ze ziet gebeuren — net zo lang totdat vraag en aanbod in evenwicht zijn.
Jim koopt regelmatig een T-shirt uit Mila's merchandise-lijn. Daalt de prijs een keer tijdens een actie, dan koopt hij er soms twee. Dat is een beweging langs de vraaglijn: alleen de prijs verandert, de lijn zelf blijft op zijn plek. Maar stel dat Mila's nieuwste nummer plotseling viral gaat — dan wil Jim, en duizenden andere fans, bij elke prijs meer shirts kopen dan voorheen. Dat is geen beweging langs de lijn, maar een verschuiving van de hele vraaglijn.
Mila's nieuwste nummer gaat viral. Bij elke prijs willen nu veel meer fans een shirt met haar logo — de vraaglijn verschuift naar rechts. Het oude evenwicht lag bij Q = 9 shirts, P = €10. Bij die oude prijs van €10 ontstaat door de toegenomen populariteit nu een vraagoverschot: er wordt veel meer gevraagd dan Mila aanbiedt. Daardoor stijgt de prijs, tot het nieuwe evenwicht bij Q = 15 shirts, P = €14 is bereikt.
De bedrukkingsinkt die Jim gebruikt op Mila's bedrukkingsmachine wordt duurder. Bij elke prijs kan Mila nu minder shirts winstgevend aanbieden: de aanbodlijn verschuift naar links (of: omhoog). Het evenwicht verschuift van Q = 9, P = €10 naar Q = 6, P = €12 — minder shirts, en een hogere prijs.
| Verandering | Pe | Qe |
| Vraag stijgt (lijn rechts) | ↑ | ↑ |
| Vraag daalt (lijn links) | ↓ | ↓ |
| Aanbod stijgt (lijn rechts) | ↓ | ↑ |
| Aanbod daalt (lijn links) | ↑ | ↓ |
| Nieuw substituut komt op markt | ↓ | ↓ |
Jim is zestien en speelt al sinds zijn achtste bij de plaatselijke voetbalclub. Sinds kort heeft hij ook een bijbaantje bij de supermarkt om de hoek. Beide kosten tijd — en op zaterdag heeft Jim maar één blok van vier uur vrij.
Zijn trainer biedt die middag een extra training aan vóór de wedstrijd van morgen. Zijn werkgever biedt hem in datzelfde tijdsblok extra uren. Jim kan niet allebei volledig doen — zijn behoefte (basisplek én geld) is groter dan zijn middel (vier vrije uur). Dat is schaarste in de praktijk, en het dwingt Jim een keuze te maken.
Om te bepalen welke aanwendingsrichting de beste is, zet je de kosten en baten van beide opties naast elkaar. Let op: niet alleen geld telt mee — ook tijd, moeite en gemiste kansen zijn kosten en baten.
Voor Jim: kiest hij trainen, dan is de bate de grotere kans op een basisplek (hij waardeert dat op €150). De kosten zijn de 4 misgelopen werkuren × €9 = €36. Kiest hij werken, dan is de bate het loon (4 × €9 = €36), maar de kosten zijn de gemiste trainingswaarde — Jim schat zijn kans op een basisplek dan flink lager in, gewaardeerd op €90.
De nettobaten van een aanwendingsrichting zijn de baten minus de kosten. De aanwendingsrichting met de hoogste nettobaten is economisch gezien de beste keuze.
Voor Jim: nettobaten trainen = €150 − €36 = €114. Nettobaten werken = €36 − €90 = −€54. Trainen heeft de hoogste (en enige positieve) nettobaten — dat is voor Jim de verstandige keuze.
Mila moet op zaterdagmiddag kiezen tussen twee dingen die ze allebei graag zou doen: een repetitie met haar bandje, of een betaalde fotoshoot voor een kledingmerk. De repetitie levert haar plezier en bandervaring op die ze waardeert op €80, tegen €20 reis- en spullenkosten — nettobaten €60. De fotoshoot levert €120 op (vergoeding plus portfoliomateriaal), tegen €30 kosten (reistijd, kleding) — nettobaten €90. Mila kiest de fotoshoot, want die heeft de hoogste nettobaten. Maar daarmee laat ze de repetitie wél lopen — en dat heeft een naam.
Mila's keuze is verstandig: de nettobaten van de fotoshoot (€90) zijn hoger dan de opofferingskosten (€60 — wat ze had kunnen verdienen met de repetitie). Zou de repetitie juist €100 aan nettobaten hebben opgeleverd, dan waren de opofferingskosten van de fotoshoot hoger dan de baten ervan — en was de fotoshoot geen goede keuze meer geweest.
Voor het nieuwe voetbalseizoen heeft Jim €20 gespaard van zijn bijbaantje. Hij wil twee dingen kopen: nieuwe voetbalsokken (€4 per paar) en energierepen voor tijdens de wedstrijden (€2 per stuk). Met een beperkt budget moet Jim kiezen welke combinatie hij koopt — dat leg je vast in een budgetlijn.
Koopt Jim geen sokken, dan kan hij 10 repen kopen (€20 ÷ €2). Koopt hij geen repen, dan kan hij 5 paar sokken kopen (€20 ÷ €4). Het blauwe punt op de lijn (2 paar sokken + 6 repen = €8 + €12 = €20) toont een andere combinatie die precies binnen zijn budget past.
De budgetlijn verschuift als je budget of een prijs verandert. Jim heeft op een schoolweekend 16 uur beschikbaar, te verdelen tussen zijn bijbaan (€9 per uur, net als in §1) en vrije tijd.
Werkt Jim niets, dan houdt hij 16 uur vrije tijd over en heeft €0 inkomen. Werkt hij alle 16 uur, dan heeft hij €0 vrije tijd en (bij €9 per uur) €144 inkomen. Stijgt zijn loon naar €12 per uur, dan kantelt de lijn: bij dezelfde 16 uur werken verdient hij nu €192. Het eindpunt bij "16 uur vrije tijd, €0" blijft gelijk — alleen het andere eindpunt verschuift.
Jims voetbalschoenen zijn te klein geworden. Voor hem zijn ze niets meer waard om te gebruiken — hij waardeert ze voor zichzelf op €8. Zijn teamgenoot Sven heeft net een nieuwe outfit gekocht en wil de schoenen van Jim graag hebben; hij waardeert ze op €20.
Sven heeft op zijn beurt 3 sets scheenbeschermers liggen die hij niet meer gebruikt. Jim waardeert die 3 sets samen op €18 — méér dan wat zijn schoenen hem zelf waard zijn. Ze ruilen rechtstreeks: 1 paar schoenen tegen 3 sets scheenbeschermers, zonder dat er geld bij komt. Dat is de ruilverhouding van deze ruil.
Een ruil komt alleen tot stand als dit totale voordeel groot genoeg is om de moeite van het regelen waard te zijn — denk aan de tijd om af te spreken en de spullen uit te wisselen. Is die moeite te groot in verhouding tot het voordeel, dan gaat de ruil vaak niet door.
Ruilen is de overdracht van eigendomsrechten. Toen Jim zijn voetbalschoenen ruilde met Sven (zie hierboven), droeg hij het eigendomsrecht over de schoenen aan Sven over — en Sven droeg op zijn beurt het eigendomsrecht over de scheenbeschermers aan Jim over. Dat kon alleen omdat beiden duidelijk eigenaar waren van wat ze inbrachten. Zonder dat eigendomsrecht is een eerlijke ruil onmogelijk: stel dat de schoenen niet eens van Jim waren, dan zou Sven ze niet veilig kunnen overnemen.
Mila maakt in haar vrije tijd eigen muziek en zet die op Spotify. Zodra ze een nummer uploadt, heeft ze automatisch het auteursrecht erop. Niemand anders mag haar nummer zomaar gebruiken, kopiëren of verkopen zonder haar toestemming — ook al staat het gratis online.
Voor een schoolproject ontwierp Mila ook een handig opvouwbaar statiefje voor je telefoon tijdens het filmen van dansvideo's. Als ze dat ontwerp laat patenteren, krijgt ze tijdelijk het exclusieve recht om het te produceren en te verkopen — niemand anders mag het zonder haar toestemming namaken.
Stel dat Sven de scheenbeschermers niet wilde, en Jim zijn schoenen in plaats daarvan aan een onbekende moet verkopen. Dan moet hij eerst iemand vinden die geïnteresseerd is, onderhandelen over de prijs, een manier vinden om te betalen, en erop vertrouwen dat de koper niet alleen het geld pakt zonder te betalen. Al die kosten — naast de prijs van de schoenen zelf — heten transactiekosten.
Daarom gebruikt Jim een tweedehands-app: die laat zien wie zijn schoenmaat zoekt (lagere zoekkosten), regelt de betaling via de app zelf (lagere controlekosten) en biedt kopersbescherming (lagere vertrouwenskosten). De app is een institutie: ze verlaagt Jims transactiekosten structureel.
Voorbeelden van instituties: Marktplaats en Vinted (verlagen zoekkosten), Autoriteit Consument & Markt / ACM (verlaagt vertrouwenskosten), notaris (verlaagt contractkosten bij huisaankoop), Funda (maakt woningmarkt transparant).
Jim biedt zijn oude voetbaltas aan op een ruilplatform voor tweedehands sportspullen. Een jongen uit een stad 80 kilometer verderop wil hem wel hebben — in ruil voor een setje keepershandschoenen die Jim goed kan gebruiken. Op papier is er wederzijds voordeel: Jim waardeert de handschoenen hoger dan zijn eigen tas, en de jongen waardeert de tas hoger dan zijn eigen handschoenen. Maar geen van beiden wil de reis van 80 kilometer maken om de spullen persoonlijk uit te wisselen, en verzendkosten plus het risico dat het pakket kwijtraakt wegen niet op tegen het voordeel. Jim laat de ruil lopen.
Vroeger moest Jim fysiek naar een sportwinkel of een advertentie in de krant zetten om tweedehands spullen te verkopen — torenhoge zoekkosten, want hij wist niet wie er geïnteresseerd was. Nu plaatst hij in twee minuten een foto op een ruilapp en heeft binnen een uur al drie reacties. Het internet heeft de zoekkosten van vrijwel elke ruil drastisch verlaagd: een geschikte ruilpartner vinden kost nu seconden in plaats van dagen. Zodra de besparing op transactiekosten groter is dan de moeite om dat te organiseren, loont het om transactiekosten te verlagen.
Ook instituties verlagen transactiekosten — maar dan structureel, voor een hele groep mensen tegelijk. Mila is op zoek naar een bijbaantje naast school. Zonder hulp zou ze zelf bij tientallen winkels langs moeten gaan om te vragen of ze personeel zoeken — torenhoge zoekkosten. Via een uitzendbureau hoeft ze maar één keer haar gegevens (beschikbaarheid, ervaring, voorkeuren) door te geven. Het uitzendbureau kent honderden werkgevers en koppelt Mila razendsnel aan een winkel die net iemand zoekt.
| Institutie | Doel van de institutie | Verlaagde transactiekosten |
|---|---|---|
| Kaasmarkt | Vragers en aanbieders van kaas bij elkaar brengen | Zoek- en transportkosten |
| School | Overbrengen van kennis en vaardigheden | Zoek- en vervoerskosten |
| Ziekenhuis | Artsen en patiënten bij elkaar brengen | Zoek- en vervoerskosten |
| Bibliotheek | Schrijvers en lezers bij elkaar brengen | Zoekkosten |
| Makelaar in huizen | Vragers en aanbieders van huizen bij elkaar brengen en helpen bij de ruil | Administratieve kosten en zoekkosten |
| Uitzendbureau | Werkgevers en werkzoekenden bij elkaar brengen | Zoekkosten |
Een uitzendbureau verlaagt de transactiekosten op de arbeidsmarkt. Mila hoeft maar één keer haar gegevens achter te laten; de winkels die personeel zoeken hoeven ook maar één keer aan te geven welke werknemer ze nodig hebben. Het uitzendbureau zoekt vervolgens uit welke werknemer bij welke werkgever past. Daardoor komt de wederzijds voordelige ruil "tijd voor salaris" voor Mila veel makkelijker tot stand dan wanneer ze zelf alle winkels langs had moeten gaan.
Voor economie moeten Jim en Mila samen een presentatie maken over de gevolgen van inflatie. In het begin proberen ze om beurten alles te doen: om en om onderzoek doen, om en om slides maken, om en om oefenen met presenteren. Dat schiet niet erg op — ze zijn allebei middelmatig in alles en het kost ontzettend veel tijd.
Mila is handig met video — ze monteert immers al haar eigen muziekclips. Zij neemt de slides en het filmpje voor haar rekening.
Jim is dan weer goed in cijfers en duidelijk uitleggen aan zijn jongere broertje — hij neemt het economische onderzoek en de presentatie zelf voor zijn rekening.
Het resultaat: in de helft van de tijd hebben ze een veel beter eindproduct dan toen ze om beurten alles deden. Dat is specialisatie en arbeidsdeling in actie — precies hetzelfde principe waarmee bedrijven werken.
Na zijn succesvolle ruil met Sven (schoenen tegen scheenbeschermers, zie H2) wil Jim nu zijn oude trainingsbal ruilen voor een nieuwe sporttas. Het probleem: de eerste teamgenoot die een sporttas heeft wil geen bal, hij wil liever grip-tape. De tweede teamgenoot wil wél een bal — maar heeft geen sporttas, alleen oude voetbalkaartjes. Niemand heeft precies wat Jim zoekt én wil precies wat Jim aanbiedt.
Dat is het probleem van directe ruil: je moet een partner vinden met een dubbele wens-overeenkomst — jij wilt wat hij heeft, en hij wilt wat jij hebt. Bij twee spullen lukt dat soms (zoals bij Sven), maar zodra er meer mensen en meer spullen bij komen, wordt dat al snel onbegonnen werk.
Daarom verkoopt Jim zijn bal uiteindelijk gewoon voor €15 aan wie hem maar wil hebben, en koopt hij met dat geld zijn sporttas bij een derde teamgenoot. Geld maakt hem onafhankelijk van wie toevallig wil ruilen met wie — dat is precies waarom geld is uitgevonden.
Geld maakt ook het bijhouden van ruilverhoudingen (zie H2) ineens veel eenvoudiger. Zonder geld heeft elk paar spullen zijn eigen ruilverhouding — bal-tegen-tas, bal-tegen-schoenen, tas-tegen-scheenbeschermers, enzovoort. Met geld heeft elk spul maar één ruilverhouding nodig: zijn prijs in euro's.
Bij meer spullen wordt dit verschil nog veel groter: bij 100 verschillende spullen zijn dat 4.950 losse ruilverhoudingen zonder geld, tegen maar 100 prijzen met geld. Geld verlaagt dus de transactiekosten van ruilen enorm (zie H2) — je hoeft alleen de prijs van elk middel te kennen, niet de ruilverhouding met elk ander middel apart.
Niet alles kan als geld dienen. Geld moet aan vier technische eisen voldoen. En de vorm van geld is door de eeuwen heen veranderd: van goudmunten naar papiergeld naar digitale rekeningen naar crypto.
Jims loon van zijn bijbaantje (zie H1) komt elke maand op zijn bankrekening — hij ziet alleen een getal op zijn telefoon stijgen. Als hij op een zaterdag een wedstrijd fluit voor de jeugd, krijgt hij daarvoor wel eens een briefje van €10 in de hand gedrukt. Dat zijn twee heel verschillende vormen van geld.
Mila's nummers op Spotify (zie H2) leveren haar elke maand een paar euro aan royalty's op — automatisch overgemaakt naar haar bankrekening. Ze heeft die euro's nooit fysiek in handen, en toch kan ze er net zo goed mee betalen als met een briefje van €10. Het werkt alleen omdat zowel Mila als de winkel waar ze betaalt, erop vertrouwen dat dat saldo echt geld waard is.
Een vriend van Mila betaalde haar ooit terug in Bitcoin in plaats van euro's. Ze kon er niets mee — geen winkel in haar buurt accepteerde het, en de waarde schommelde de volgende dag al met 8%. Dat liet haar zien waarom Bitcoin niet werkt zoals "echt" geld.
Geld heeft niet één, maar vier verschillende soorten waarde. Het begrijpen van dit onderscheid is essentieel voor macro-economische analyse — en voor jouw eigen financiële beslissingen.
Jim spaart voor nieuwe voetbalschoenen. Hij begint te sparen als de schoenen €80 kosten, en zet zijn €80 op een spaarrekening met 2% rente per jaar. Een jaar later heeft hij €81,60 gespaard — maar de schoenen kosten dan, door prijsstijgingen, €86,40. Zijn geld is in euro's wel meer geworden, maar hij kan er minder mee kopen dan een jaar geleden.
Dit is precies waarom rente alléén niet genoeg is om koopkracht te behouden: als prijzen sneller stijgen dan je spaarrente, verlies je reële waarde, ook al staat er nominaal steeds meer op je rekening.
Wet van Gresham: "Slecht geld verdrijft goed geld." Als twee munten dezelfde nominale waarde hebben maar verschillende intrinsieke waarde, houden mensen de waardevolle munt vast (sparen) en geven ze de mindere munt uit. Hierdoor verdwijnt "goed geld" uit de circulatie.
Geld ontstaat niet vanzelf. Alleen de Centrale Bank mag officieel geld scheppen. In de eurozone is dat de Europese Centrale Bank (ECB) — met De Nederlandsche Bank (DNB) als onderdeel van dat netwerk.
De ECB stuurt de geldhoeveelheid via het monetaire beleid. Te veel geld in de economie leidt tot inflatie; te weinig tot deflatie. De ECB streeft naar 2% inflatie per jaar als optimum.
In 2022 steeg de inflatie in de eurozone naar 10% — ver boven de 2%-doelstelling. De ECB verhoogde daarom de rente 10 keer achter elkaar, van -0,5% naar 4%. Voor Jims schoenenfonds (zie §3) was dat goed nieuws: zijn spaarrekening ging plotseling een veel hogere rente uitkeren dan de 2% waarmee hij begon. Dat hielp zijn spaargeld beter in de pas te blijven lopen met de stijgende schoenenprijs.
Tegelijk werd lenen duurder: als Jim een lening had willen afsluiten om zijn schoenen meteen te kopen, had hij daar nu veel meer rente over moeten betalen. Dat is precies de bedoeling van een renteverhoging: sparen wordt aantrekkelijker, lenen en uitgeven worden afgeremd, en de inflatie daalt geleidelijk weer richting 2%.
In de meeste markten ben je niet alleen. Wat jij doet heeft invloed op de concurrent — en wat de concurrent doet, beïnvloedt jou. Dat is wederzijdse afhankelijkheid. Speltheorie is de wiskundige gereedschapskist om die situaties te analyseren.
Bij gelijktijdig kiezen maken beide spelers tegelijkertijd hun actie — zonder te weten wat de ander doet. Om zo'n situatie te analyseren gebruik je drie stappen: context → matrix → oplossing.
Beide bedrijven overwegen: hoge prijs houden of prijs verlagen. Ze beslissen tegelijkertijd, zonder te weten wat de ander doet.
| Pepsi: Hoge prijs | Pepsi: Lage prijs | |
| Coca-Cola: Hoge prijs | (200, 200) | (50, 300) |
| Coca-Cola: Lage prijs | (300, 50) | (100, 100) |
Hoe lees je de matrix af?
Kies een cel en lees: eerste getal = opbrengst rijspeler (Coca-Cola), tweede getal = opbrengst kolomspeler (Pepsi). Linksboven (200, 200): beiden hoge prijs → beiden €200M. Rechtsonder (100, 100): beiden lage prijs → beiden €100M.
Dominante strategie bepalen voor Coca-Cola:
Lage prijs is in beide gevallen beter → dominante strategie Coca-Cola: lage prijs. Dezelfde analyse geldt voor Pepsi (matrix is symmetrisch) → ook Pepsi's dominante strategie is lage prijs.
Nash-evenwicht:
Beide spelers volgen hun dominante strategie → uitkomst: (100, 100). Niemand wil eenzijdig afwijken: als Pepsi laag kiest en Coca-Cola zou switchen naar hoog, daalt zijn winst van €100M naar €50M. Dus blijft Coca-Cola bij laag — en andersom.
Het prisoner's dilemma:
Het Nash-evenwicht (100, 100) is stabiel, maar suboptimaal: als beide bedrijven hoog zouden kiezen, verdienen ze ieder €200M. Maar ze vertrouwen elkaar niet — want wie hoog kiest terwijl de ander laag kiest, verdient maar €50M. Individueel rationeel gedrag leidt zo tot een collectief slechter resultaat: de prijzenoorlog.
Bij volgtijdelijk kiezen kiest één speler als eerste — de andere ziet die keuze en reageert daarop. Dit verandert de analyse fundamenteel: de tweede speler heeft informatie die de eerste niet had.
Eerste-keuze-voordeel: De speler die als eerste kiest in een volgtijdelijk spel kan soms één van de Nash-evenwichten "opsluiten" — het evenwicht dat voor hem het meest voordelig is. Door als eerste te kiezen dwing je de ander tot een reactie. Dit is waarom tech-bedrijven zo snel mogelijk markten willen betreden: wie als eerste een standaard zet, bepaalt de speluitkomst.
In H1 leerde je het Nash-evenwicht bepalen. Soms leidt dat evenwicht tot een uitkomst die voor iedereen slechter is dan een andere mogelijke uitkomst. Dat conflict tussen eigenbelang en collectief belang heet het gevangenendilemma.
Twee kledingwinkels besluiten tegelijkertijd of ze uitverkoop houden of niet. De opbrengsten (in € per week):
| Zara: Geen uitverkoop | Zara: Wel uitverkoop | |
| H&M: Geen uitverkoop | (500, 500) | (200, 750) |
| H&M: Wel uitverkoop | (750, 200) | (350, 350) |
Analyse:
Dominante actie H&M: wel uitverkoop. Idem voor Zara (symmetrisch).
Nash-evenwicht: {wel uitverkoop, wel uitverkoop} → (350, 350)
Gezamenlijke verbetering: {geen uitverkoop, geen uitverkoop} → (500, 500) — maar dat bereiken ze niet vanuit eigenbelang. Dit is het gevangenendilemma.
Een belangrijke taak van de overheid is het voortbrengen van collectieve goederen. Maar waarom doet de markt dat niet? Omdat collectieve goederen een bijzonder kenmerk hebben dat meeliftgedrag uitlokt — en dat brengt ons direct bij het gevangenendilemma.
Twee buren overwegen samen te betalen voor straatverlichting. De opbrengsten:
| Buur B: Bijdragen | Buur B: Niet bijdragen | |
| Buur A: Bijdragen | (6, 6) | (2, 8) |
| Buur A: Niet bijdragen | (8, 2) | (3, 3) |
Dominante actie voor beiden: niet bijdragen (meeliftgedrag).
Nash-evenwicht: {niet bijdragen, niet bijdragen} → (3, 3) — geen straatverlichting.
Gezamenlijke verbetering: {bijdragen, bijdragen} → (6, 6) — maar die bereiken ze niet vanuit eigenbelang. Gevangenendilemma.
Wat als hetzelfde gevangenendilemma meerdere keren wordt gespeeld? Bij een herhaald spel weten spelers bij het begin van elke ronde wat de andere speler in de vorige ronde deed. Dat maakt reputatie mogelijk — en biedt kansen voor samenwerking via de vergeldingsstrategie.
Stel H&M en Zara spelen het spel precies twee keer. Redeneer dan terug vanuit de laatste ronde:
Conclusie: als het gevangenendilemma twee keer wordt gespeeld, is het Nash-evenwicht hetzelfde als bij eenmalig spelen: beide spelers schenden de afspraak vanaf ronde 1. De vergeldingsstrategie lost het dilemma niet op bij een eindig herhaald spel.
Het Nash-evenwicht van het gevangenendilemma staat een gezamenlijke verbetering toe — maar die wordt niet bereikt vanuit eigenbelang. Er zijn vier manieren om toch uit het slechte evenwicht te komen.
| Oplossing | Hoe werkt het? | Uitkomst |
| Collectieve opbrengsten | Beide winkels kijken naar gezamenlijke winst | {geen, geen} → (500, 500) |
| Sociale norm | "Eerlijke concurrentie" — uitverkoop is onbehoorlijk | {geen, geen} → (500, 500) |
| Zelfbinding | H&M: "wij houden geen uitverkoop" — geloofwaardig via reputatie | {geen, geen} → (500, 500) |
| Collectieve dwang | Contract of overheidsregel verbiedt uitverkoop | {geen, geen} → (500, 500) |
Niet elk economiespel heeft één oplossing. Als er meerdere Nash-evenwichten zijn, is er geen duidelijke voorspelling meer — en hebben de spelers een meningsverschil over welk evenwicht het beste is. Dan is onderhandelen de oplossing.
Soms kun je een spel in jouw voordeel sturen door vooraf een specifieke investering te doen. De sleutel: de investering is alleen waardevol bij jouw gewenste actie, en je kunt hem niet terugdraaien. Daarmee maak je jouw actie geloofwaardig en dwing je de ander tot een reactie.
Specifieke investeringen zijn krachtig — maar gevaarlijk. Als jij investeert en de ander dat weet, kan hij die kennis misbruiken om jou te "beroven" van je investering. Dat is het berovingsprobleem.
Bij onderhandelen over de verdeling van surplus is de volgorde van kiezen cruciaal. Wie als eerste een bod doet, kan het meest voordelige evenwicht "opsluiten". Het ultimatumspel is het meest extreme voorbeeld: de eerste speler heeft alle macht.
Het ultimatumspel stap voor stap:
1. €1.000 ligt op tafel.
2. Speler 1 biedt een verdeling: bijv. (€999, €1).
3. Speler 2: accepteert → beiden krijgen hun deel. Weigert → beiden €0.
Nash-evenwicht: speler 2 accepteert elk bedrag > €0 (want €1 > €0). Speler 1 weet dit → biedt €1 aan → houdt €999. Maar in de praktijk: mensen weigeren "oneerlijke" biedingen uit principe.
Als je ervoor kiest om iets niet meteen te kopen maar pas later, stel je je consumptie uit. Daardoor mis je het voordeel en plezier dat je nu al van het product zou kunnen hebben. Dat ongemak noemen we de prijs van tijd.
Hoe hoog die prijs van tijd is, verschilt per persoon en per product. Sommige mensen willen producten het liefst direct hebben, terwijl anderen prima kunnen wachten. Heb je honger, dan wil je eten meteen hebben. Maar voor een nieuwe televisie kun je vaak nog wel even wachten als je oude tv het nog doet.
De Europese Centrale Bank (ECB) stuurt de economie via twee rentetarieven.
Wanneer mensen sparen of lenen, verschuiven ze koopkracht van het ene moment naar het andere in de tijd. Dit noemen we intertemporele ruil — ruilen over de tijd.
Of je spaart of leent hangt af van jouw individuele prijs van tijd vergeleken met de marktrente. Door te sparen of te lenen kun je consumptie verschuiven — dat noemen we intertemporele substitutie.
Of je spaart of leent hangt af van je individuele prijs van tijd ten opzichte van de algemene rente.
De individuele prijs van tijd hangt af van: tijdsvoorkeur (geduldig of ongeduldig), risicobereidheid en het product dat je wilt kopen.
Het algemeen prijspeil is de gemiddelde prijs van een verzameling goederen. Stijgt dit, dan is er inflatie — je kunt voor hetzelfde geld minder kopen.
De inflatie wordt gemeten via de consumentenprijsindex (CPI). Het CBS volgt een goederenmandje en geeft elke productgroep een wegingsfactor op basis van hoe veel een gemiddeld gezin er aan uitgeeft.
Het CBS stelt via een budgetonderzoek de wegingsfactoren vast. Stel dat voor een gemiddeld gezin de volgende gegevens gelden ten opzichte van het basisjaar:
| Productgroep | Wegingsfactor | Partieel indexcijfer | Gewogen uitkomst |
|---|---|---|---|
| Wonen | 30 | 107 | 30 × 107 = 3.210 |
| Voeding & drinken | 22 | 103 | 22 × 103 = 2.266 |
| Transport | 18 | 98 | 18 × 98 = 1.764 |
| Vrije tijd | 14 | 104 | 14 × 104 = 1.456 |
| Kleding & verzorging | 16 | 101 | 16 × 101 = 1.616 |
| Totaal | 100 | — | 10.312 |
Een stijgende CPI betekent niet automatisch dat je armer wordt — dat hangt af van of je inkomen even hard of harder stijgt. Stijgt je loon met 3% maar de inflatie met 5%, dan daalt je reële koopkracht.
De ECB streeft naar 2% inflatie — genoeg om deflatie te voorkomen, niet zo hoog dat het inkomen uitholst.
Een mensenleven bestaat uit drie fases: leren, werken en pensioen. In de leerfase investeer je in jezelf — dat heet menselijk kapitaal.
De arbeidsproductiviteit van mensen verandert tijdens hun leven. In de eerste jaren is de arbeidsproductiviteit nul — kinderen werken immers nog niet. Door opvoeding en onderwijs leren mensen steeds meer, waardoor hun arbeidsproductiviteit stijgt.
Ook wanneer iemand begint met werken, neemt de arbeidsproductiviteit vaak nog verder toe. Werknemers doen ervaring op en krijgen extra opleidingen of trainingen. Na een aantal jaren bereikt de arbeidsproductiviteit een maximum. Daarna blijft deze meestal lange tijd hoog genoeg om door te werken tot aan het pensioen. Soms daalt de arbeidsproductiviteit echter eerder, waardoor iemand moet stoppen met werken.
Bij economie gaat ruilen over de tijd over keuzes die je nu maakt om later meer inkomen of voordeel te hebben. Een goed voorbeeld is onderwijs volgen. Je investeert tijd en geld nu, zodat je later een hogere productiviteit en een hoger loon hebt. Hoe hoger je opleiding, hoe hoger je startsalaris — en hoe sneller je loon daarna stijgt. Een opleiding is een investering die zichzelf terugbetaalt. Het looninkomen ontwikkelt zich in drie fasen.
Mensen streven naar een stabiel consumptieniveau gedurende hun hele leven — ook als het inkomen fluctueert. Dat doen ze door slim te sparen en te lenen.
De overheid heeft een lange tijdshorizon: ze investeert vandaag in collectieve goederen waarvan toekomstige generaties profiteren.
Collectieve goederen zijn goederen waarbij het onmogelijk is om mensen die niet betalen uit te sluiten van het gebruik van het goed, en waarbij de consumptie door de één niet ten koste gaat van de consumptie door de ander.
| Soort goed | Omschrijving | Voorbeelden |
|---|---|---|
|
🍎
Individuele
goederen |
• Het is mogelijk om mensen die niet betalen uit te sluiten van gebruik, én … • … consumptie door de één gaat ten koste van consumptie door de ander (= rivaliserend) | Bijna alle goederen (bijv. een appel van de Lidl) |
|
🌊
Collectieve
goederen |
• Het is onmogelijk om mensen die niet betalen uit te sluiten van gebruik, én … • … consumptie door de één gaat niet ten koste van consumptie door de ander (= niet-rivaliserend) | • Dijken • Rechtspraak • Defensie |
|
🎓
Quasi-collectieve
goederen |
• Individuele goederen die door de overheid worden geproduceerd en geleverd • Bijv. vanwege maatschappelijke redenen | • Onderwijs • Snelwegen |
Onderwijs verhoogt de arbeidsproductiviteit: mensen die beter opgeleid zijn, produceren meer waarde per gewerkt uur. Een goed opgeleide bevolking creëert bovendien positieve externe effecten — voordelen die verder gaan dan het individu en de hele samenleving ten goede komen.
Door te investeren in onderwijs stijgt de arbeidsproductiviteit: werknemers kunnen meer en beter werk leveren in dezelfde tijd. Dit heeft directe gevolgen voor de economische groei.
De stijging van de productiviteit is belangrijk voor economische groei: de procentuele verandering van het BBP. Hoe hoger het BBP, hoe meer welvaart — en hoe meer geld de samenleving heeft om uit te geven aan zorg, onderwijs, infrastructuur en andere collectieve goederen.
Hogere arbeidsproductiviteit → hogere productie → hoger BBP → meer welvaart → meer geld voor collectieve voorzieningen.
Producten met positieve externe effecten worden door de markt ondergeproduceerd. Waarom? Consumenten zien de volledige maatschappelijke waarde niet terug in hun persoonlijke voordeel. Hierdoor is hun betalingsbereidheid lager dan de werkelijke waarde, waardoor producenten de kosten niet kunnen terugverdienen via de marktprijs alleen.
De belangrijkste redenen waarom dit gebeurt:
Dit geldt ook voor onderwijs. Daarom investeert de overheid in onderwijs: zij kan de maatschappelijke baten meewegen die de markt negeert.
De positieve externe effecten van onderwijs voor de samenleving:
Investeringen in onderwijs zijn ook een vorm van ruilen over de tijd. De huidige beroepsbevolking betaalt belasting en met deze opbrengst betaalt de overheid het onderwijs van de jeugd: de toekomstige beroepsbevolking. De investering in onderwijs wordt in de toekomst terugverdiend — via hogere productiviteit, hogere belastinginkomsten en meer welvaart.
De huidige beroepsbevolking betaalt belasting → de overheid investeert dit in onderwijs voor de jeugd → de toekomstige beroepsbevolking is productiever.
De overheid geeft geld uit aan verschillende zaken, zoals onderwijs, zorg, sociale zekerheid en defensie. Om deze uitgaven te betalen ontvangt de overheid inkomsten, vooral uit belastingen. De verwachte inkomsten en uitgaven worden ieder jaar vastgelegd in de rijksbegroting. Op Prinsjesdag — de derde dinsdag van september — presenteert de regering deze begroting voor het volgende jaar. In de Miljoenennota worden de plannen en financiële verwachtingen verder uitgelegd. Vóór de begroting stelt het kabinet een regeerakkoord op: een lijst met maatregelen voor de komende vier jaar.
Niet alle overheidsuitgaven zijn hetzelfde. Sommige uitgaven komen elk jaar terug — die zijn structureel. Denk aan het salaris van leraren, de kosten van ziekenhuizen of het onderhoud van wegen. Andere uitgaven zijn incidenteel: ze ontstaan onverwacht en hoef je maar één keer te betalen. Denk aan de steunmaatregelen tijdens corona of extra kosten door een vluchtelingencrisis. Dit onderscheid is belangrijk voor de begroting: structurele uitgaven moeten elk jaar worden gedekt door vaste inkomsten, terwijl incidentele uitgaven soms tijdelijk worden geleend.
Elk jaar vergelijkt de overheid haar inkomsten met haar uitgaven. Als de inkomsten hoger zijn dan de uitgaven, is er een financieringsoverschot en kan de overheid schulden aflossen. Als de uitgaven hoger zijn dan de inkomsten, is er een financieringstekort en moet de overheid lenen. Al die tekorten bij elkaar vormen de staatsschuld: het totale bedrag dat de overheid heeft geleend en nog moet terugbetalen.
Stabiliteits- en Groeipact (eurozone): financieringstekort maximaal 3% van bbp, staatsschuld maximaal 60% van bbp.
Als de overheid een staatsschuld heeft, kan zij ervoor kiezen een deel van die schuld af te lossen. Aflossen betekent dat de overheid een deel van een eerder geleend bedrag terugbetaalt aan de schuldeisers. Hoe meer de overheid aflost, hoe sneller de staatsschuld afneemt.
Aflossingen worden gezien als een uitgave van de overheid. Daarom tellen ze mee bij de overheidsuitgaven en hebben ze invloed op het begrotingssaldo.
Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen het begrotingstekort en het financieringstekort:
Financieringstekort = Begrotingstekort − Aflossingen
| Gegevens | Bedrag |
|---|---|
| Overheidsuitgaven | € 320 miljard |
| Belastinginkomsten | € 295 miljard |
| Aflossingen | € 10 miljard |
| Staatsschuld begin jaar | € 140 miljard |
Stap 1: Begrotingstekort
Begrotingstekort = overheidsuitgaven − belastinginkomsten
€ 320 − € 295 = € 25 miljard
Stap 2: Financieringstekort
Financieringstekort = begrotingstekort − aflossingen
€ 25 − € 10 = € 15 miljard
Stap 3: Nieuwe staatsschuld
De staatsschuld neemt toe met het financieringstekort.
€ 140 + € 15 = € 155 miljard
Controle (alternatieve methode)
Trek eerst de aflossingen uit de overheidsuitgaven: € 320 − € 10 = € 310 miljard.
€ 310 − € 295 = € 15 miljard ✓
Pensioen is uitgestelde consumptie: je spaart tijdens je werkzame leven zodat je later kunt stoppen met werken. Het Nederlandse pensioenstelsel rust op drie pijlers: het basispensioen van de overheid (AOW), het aanvullend pensioen via de werkgever en individueel pensioensparen. Het omslagstelsel en het kapitaaldekkingsstelsel zijn twee manieren waarop de oudedagsvoorziening in Nederland wordt gefinancierd.
Door inflatie verliest een uitkering koopkracht. De overheid past de AOW jaarlijks aan.
Sam heeft van zijn opa leren naaien, en samen met zijn klasgenoot Noor bedenkt hij een klein plan: ze gaan voor andere leerlingen op school kapotte ritsen repareren en oude spijkerbroeken ombouwen tot tasjes. Maar zodra ze willen beginnen, merken ze dat ze daarvoor niet zomaar iets kunnen produceren — ze hebben productiefactoren nodig: de middelen die nodig zijn om producten en diensten te maken. Dat geldt voor hun reparatieservice net zo goed als voor een multinational als Jumbo.
Er zijn vier soorten productiefactoren: natuur, arbeid, kapitaal en ondernemerschap.
Noor en Sam produceren goederen en diensten — samen producten genoemd. Een goed is tastbaar, zoals het tasje dat ze maken uit een oude spijkerbroek. Een dienst is niet tastbaar: het repareren van een rits is een dienst, je kunt de reparatie zelf niet vastpakken.
Voor bijna alle producten zijn productiefactoren nodig om erover te kunnen beschikken. Zulke producten noem je schaarse goederen. Voor het tasje dat Noor ontwerpt zijn bijvoorbeeld stof, garen, een naaimachine en haar eigen arbeid nodig — het tasje is dus schaars.
Omdat productiefactoren beperkt zijn, kunnen ze niet overal tegelijk voor worden ingezet. Het garen dat Sam gebruikt om een rits vast te naaien, kan hij in die tijd niet ook gebruiken voor een ander tasje. De tijd die hij aan een reparatie besteedt, kan hij niet ook aan huiswerk besteden. Schaarste dwingt dus tot het maken van keuzes — en dat is precies de kern van het vak economie.
Sam zou het liefst een hele nieuwe naaimachine kopen, een eigen werkruimte huren én elk weekend vrij hebben om aan ontwerpen te werken. Dat kan allemaal niet: hij heeft maar een beperkt zakgeld en een beperkt aantal uren in de week. Mensen hebben allerlei behoeften: behoefte aan een nieuwe scooter, lekker eten, goede muziek, maar ook behoefte aan vriendschap of mooi weer. Het vak economie houdt zich alleen bezig met de behoeften die je probeert te bevredigen met schaarse goederen en diensten. Je behoefte aan zonnig weer of aan een leuke relatie hoort daar dus niet bij — daarvoor is namelijk geen keuzeprobleem nodig, want het zijn vrije "goederen".
De behoefte aan schaarse goederen en diensten is altijd groter dan de hoeveelheid middelen die mensen tot hun beschikking hebben. Denk aan een actie bij een winkel waarbij je één minuut gratis mag winkelen: binnen die minuut ligt je winkelwagentje overvol, want je behoeften zijn vrijwel onbeperkt. Zou je achteraf moeten afrekenen, dan zou je heel andere — en minder — keuzes maken, want je middelen zijn wél beperkt.
Sam's opa gebruikte zijn naaimachine vroeger alleen om zelf kleren te verstellen. Om zo goed mogelijk in je behoeften te voorzien, heb je namelijk twee mogelijkheden: je maakt het product zelf, of je koopt het.
Sam en Noor verhogen hun prijzen een beetje: een ritsreparatie gaat van €4 naar €4,60, en het ombouwen van een spijkerbroek tot tasje gaat van €8 naar €8,60. Bij welke van de twee stijgt de prijs relatief het hardst? In euro's is het verschil precies gelijk: allebei €0,60 meer. Maar zegt dat alles?
Door de stijging in procenten uit te drukken, krijg je een beter beeld van hoe groot een verandering werkelijk is ten opzichte van het bedrag waar je vandaan komt. Bij de ritsreparatie is dat €0,60 : €4 × 100% = 15%. Bij het tasje is het €0,60 : €8 × 100% = 7,5%. De ritsreparatie wordt dus relatief veel duurder, ook al is het bedrag in euro's hetzelfde.
Procenten kun je ook gebruiken om twee verschillende bedragen met elkaar te vergelijken — niet alleen om een verandering in de tijd te berekenen. Stel: Sam verdient in een week €20 met reparaties, Noor verdient €28. Is dat een groot verschil? Dat ligt eraan hoeveel ze allebei precies verdienen.
Het verschil is €8. Vergeleken met Sam's bedrag (€20) is dat €8 : €20 × 100% = 40% meer. Zou Sam €200 verdienen en Noor €208, dan is het verschil in euro's nog steeds €8 — maar procentueel nog maar €8 : €200 × 100% = 4%.
Noor verkoopt een omgebouwd tasje voor €18, een klasgenoot met een vergelijkbaar project verkoopt een soortgelijk tasje voor €16. Hoeveel procent meer krijgt Noor? Het verschil is €2. Het bedrag waarmee je vergelijkt, is de prijs van de klasgenoot. Dus: €2 : €16 × 100% = 12,5%.
Soms ken je wel het percentage, maar wil je weten hoeveel euro dat precies is — de absolute verandering. Sam en Noor's leverancier verhoogt de prijs van een rol garen van €240 (voor een grote voorraad) met 5%. Hoeveel euro gaat dat hen dan meer kosten?
Je rekent dan eerst uit hoeveel 1% is: €240 : 100 = €2,40. De verhoging is dan 5 × €2,40 = €12.
Vaak wil je weten hoeveel een bepaald deel van een totaal in euro's waard is, als je het percentage van dat deel al weet. Sam en Noor verdienen samen €50 in een week. Ze besteden 40% daarvan weer aan nieuw garen en stof. Hoeveel euro is dat?
Je rekent dan: het totale bedrag × percentage : 100. Dus: €50 × 40 : 100 = €20.
Procentpunten gebruik je wanneer de twee getallen waarmee je rekent, zelf ook al percentages zijn. Vorige maand was 80% van Sam en Noor's klanten tevreden over de reparatie, deze maand is dat 84%.
De procentuële stijging is dan 4 : 80 × 100% = 5%. Maar je kunt ook zeggen: de stijging is 84% − 80% = 4 procentpunt.
Stel dat de rente op je spaarrekening dit jaar 1,7% is. Banken kondigen aan dat de rente volgend jaar met 1 procentpunt stijgt. Wat is de nieuwe rente dan? Reken zelf uit: 1,7% + 1 procentpunt = 2,7%.
Noor merkt dat het aantal klasgenoten dat een reparatie laat doen, sterk afhangt van de prijs die zij en Sam ervoor vragen. Bij een lage prijs willen veel klasgenoten een reparatie; bij een hoge prijs vallen er klanten af. Deze relatie tussen prijs en de hoeveelheid die mensen willen kopen, leg je vast in een vraaglijn.
In de grafiek hieronder zie je de vraaglijn naar hun reparaties per maand. Bij een prijs van €4 willen 24 klasgenoten een reparatie. Bij een prijs van €8 willen nog maar 12 klasgenoten een reparatie — hoe hoger de prijs, hoe lager de gevraagde hoeveelheid.
De hoeveelheid bij een bepaalde prijs kun je aflezen in de grafiek, maar ook berekenen met de vergelijking van de vraaglijn: Qᵛ = −3P + 36. Bij een prijs van €6 is de gevraagde hoeveelheid dan: −3 × 6 + 36 = 18 reparaties.
Een vraaglijn is een verzameling prijzen met bijbehorende gevraagde hoeveelheid. Bij iedere prijs kun je op de vraaglijn aflezen hoeveel stuks consumenten willen kopen. Bij een prijsverandering kun je dus op de vraaglijn aflezen hoeveel de gevraagde hoeveelheid verandert.
Stel: de prijs van een reparatie stijgt van €5 naar €7. Op de vraaglijn in de grafiek zie je dat de gevraagde hoeveelheid daalt van 21 naar 15 reparaties per maand.
Het is ook mogelijk dat de vraaglijn zelf verschuift. Stel dat het zakgeld van klasgenoten gemiddeld stijgt, bijvoorbeeld doordat de meeste leerlingen een nieuw bijbaantje krijgen. Een stijgend inkomen heeft een positief effect op de koopkracht: ze kunnen meer goederen en diensten kopen. Bij dezelfde prijs zullen er dan meer reparaties gevraagd worden. Er is sprake van een verschuiving van de vraaglijn.
Er zijn verschillende oorzaken van een verschuiving van de vraaglijn:
Bij paragraaf 1 en 2 zijn de vraaglijn en de aanbodlijn los van elkaar besproken. In deze paragraaf komen vraag en aanbod bij elkaar. Samen bepalen ze de prijs op de markt.
Stel: behalve Sam en Noor begint ook Mert, een klasgenoot uit een parallelklas, met een vergelijkbare reparatieservice. In de grafiek hieronder zie je de vraaglijn en de aanbodlijn voor reparaties op de hele school. Bij een prijs van €10 worden er per maand 300 reparaties aangeboden, terwijl er 900 gevraagd worden. De gevraagde hoeveelheid is dan veel groter dan de aangeboden hoeveelheid: er is een vraagoverschot.
Bij een vraagoverschot kunnen niet alle geïnteresseerde klanten een reparatie laten doen. Een deel van de vragers is bereid om een hogere prijs te betalen om toch geholpen te worden. Vragers gaan dus ‘tegen elkaar opbieden’, waardoor de prijs stijgt. De prijs blijft stijgen totdat de gevraagde hoeveelheid gelijk is aan de aangeboden hoeveelheid. Dat is het geval bij een prijs van €20. Bij deze prijs kruisen de vraaglijn en de aanbodlijn elkaar: er is een marktevenwicht.
Bij een prijs voor reparaties boven de €20 zal het marktmechanisme er automatisch voor zorgen dat de marktprijs weer gelijk wordt aan de evenwichtsprijs. Bij een te hoge prijs is de aangeboden hoeveelheid groter dan de gevraagde hoeveelheid. Er is een aanbodoverschot.
In de grafiek hierboven zie je dat bij een prijs van €30 de aangeboden hoeveelheid (900 reparaties) veel groter is dan de gevraagde hoeveelheid (300 reparaties). Sam, Noor en Mert krijgen samen niet genoeg klanten en zijn bereid hun prijs te verlagen. De prijs zal dalen totdat de evenwichtsprijs is bereikt.
De evenwichtsprijs blijft €20, zolang de vraaglijn of de aanbodlijn niet verschuift. Verschuift de vraaglijn naar rechts, bijvoorbeeld doordat steeds meer leerlingen hun kleding willen laten repareren in plaats van weggooien, dan ontstaat bij €20 een vraagoverschot. Hierdoor zal de marktprijs stijgen tot de evenwichtsprijs is bereikt waarbij de aanbodlijn de nieuwe vraaglijn kruist.
Verschuift de aanbodlijn naar rechts, bijvoorbeeld doordat nóg een klasgenoot met een vergelijkbare reparatieservice begint, dan ontstaat bij €20 een aanbodoverschot. Daardoor daalt de prijs en ontstaat er een lagere evenwichtsprijs.
Stel: rond de feestdagen is een reparatie aan een wintervest erg gewild bij Sam en Noor. De vraag naar deze reparatie wordt gegeven door de vergelijking Qᵛ = −40P + 2.000 (Qᵛ = vraag naar de reparatie in aantal stuks, P = prijs per reparatie in euro’s).
Het marktevenwicht is het punt waar de gevraagde hoeveelheid gelijk is aan de aangeboden hoeveelheid. In het evenwicht zijn de uitkomsten van beide vergelijkingen aan elkaar gelijk: Qᵛ = Qᵃ.
Het aanbod van de wintervest-reparatie is gegeven met de vergelijking Qᵃ = 60P − 500. Om de evenwichtsprijs te berekenen, stel je de vraagfunctie en de aanbodfunctie aan elkaar gelijk:
Bij oefenopgaven moet je vaak herkennen of een nieuwe vergelijking een verschuiving van de lijn betekent, en in welke richting. Je herkent dit door de nieuwe vergelijking te vergelijken met de oude vergelijking.
Stel: de vraag naar de wintervest-reparatie verandert van Qᵛ = −40P + 2.000 naar Qᵛ = −40P + 2.500. Bij elke prijs is de gevraagde hoeveelheid nu 500 stuks hoger dan voorheen. De vraaglijn verschuift naar rechts — bijvoorbeeld doordat Sam en Noor's reparaties via een video op school populair zijn geworden.
Verandert de vergelijking in plaats daarvan naar Qᵛ = −60P + 2.000, dan blijft de gevraagde hoeveelheid bij P = 0 gelijk (2.000), maar reageert de vraag sterker op een prijsverandering: de lijn wordt steiler. Dit is geen verschuiving, maar een verandering van de helling van de lijn.
Lina ziet dagelijks klasgenoten een lege deodorantstick weggooien — een plastic koker die na gebruik meteen bij het afval verdwijnt. Ze ontwikkelt een alternatief: een navulbare deodorantroller. Je koopt één keer de roller, en vult hem daarna steeds bij met een klein navulzakje. Via de schoolwebshop test ze haar eerste 800 rollers.
Het aantal stuks dat een bedrijf verkoopt, is de afzet (q). De omzet van een bedrijf is de afzet vermenigvuldigd met de prijs (p) van het verkochte product. De omzet wordt ook totale opbrengst (TO) of verkoopwaarde genoemd. In formule: TO = p × q.
Bijvoorbeeld: Lina verkoopt 800 deodorantrollers met een prijs van €12,50 per stuk. De afzet is dan 800 stuks. De omzet is 800 × €12,50 = €10.000.
Van de omzet (totale opbrengst) moeten de totale kosten (TK) betaald worden. Het restant van de opbrengst is de totale winst (TW). Dus: totale opbrengst − totale kosten = totale winst. In formule: TO − TK = TW.
Bijvoorbeeld: de totale kosten van Lina's deodorantrollers zijn €6.000. De totale winst is dan €10.000 − €6.000 = €4.000.
De totale kosten zijn te verdelen in vaste kosten en variabele kosten.
Vaste kosten zijn kosten die niet afhangen van het aantal geproduceerde goederen of diensten. Lina huurt een klein opslagkastje op school om haar voorraad rollers en navulzakjes te bewaren — die huur moet ze ook betalen als ze een maand niks verkoopt. Andere voorbeelden van vaste kosten zijn de premie voor een verzekering en de kosten van haar website. Een ander woord voor vaste kosten is constante kosten.
Variabele kosten zijn kosten die wel afhangen van het aantal geproduceerde goederen of diensten. Voor Lina is het navulzakje met deodorant zelf een voorbeeld van variabele kosten. Maakt ze geen rollers, dan hoeft ze ook geen navulzakjes in te kopen. Stijgt het aantal verkochte rollers, dan stijgen de uitgaven aan navulzakjes mee.
De totale kosten per product noemen we de kostprijs van het product of de dienst. De kostprijs is afhankelijk van de hoeveelheid producten.
Blijven Lina's variabele kosten per product constant, dan daalt haar kostprijs als ze meer rollers verkoopt: de vaste kosten worden dan over meer stuks verdeeld. In de praktijk kunnen de variabele kosten per product wel veranderen, bijvoorbeeld door kwantumkorting bij een grotere inkoop van navulzakjes.
Voordat Lina haar eerste deodorantroller verkoopt, moet ze een aantal zaken regelen. Als startende ondernemer is het verstandig om informatie in te winnen bij de Kamer van Koophandel (KvK). Bij de KvK kun je veel te weten komen over vergunningen, wetgeving en btw.
De KvK adviseert startende ondernemers om een ondernemingsplan te maken. Lina schrijft daarin onder andere welke vergunningen ze nodig heeft, op welke markt ze wil opereren en hoeveel geld ze nodig denkt te hebben. Wil een startende ondernemer geld lenen bij een bank, dan is een goed ondernemingsplan ook daarvoor nodig.
De KvK houdt bovendien een handelsregister bij. In het handelsregister staan alle bedrijven ingeschreven, met hun belangrijkste gegevens. Schrijft Lina haar bedrijfje in, dan kan iedereen via het handelsregister opzoeken dat haar onderneming echt bestaat.
Wie voor zichzelf begint en geen werknemers in dienst heeft, wordt zzp'er genoemd: zelfstandige zonder personeel. Vaak worden zzp'ers ook aangeduid met freelancer. Freelancer en zzp'er zijn geen officiële begrippen. Voor de Belastingdienst zijn het ondernemers. Bij een freelance-opdracht krijgt de freelancer een opdracht van een opdrachtgever.
Ondernemer is een ruim begrip. Volgens de economieboeken combineert een ondernemer de productiefactoren natuur, arbeid en kapitaal om een product of dienst te maken waarmee geld (winst) verdiend wordt. Lina is volgens deze definitie dus een ondernemer.
De Belastingdienst heeft criteria om te beoordelen welke zzp'ers in Nederland ondernemer zijn. De belangrijkste criteria:
Ondernemers krijgen van de Belastingdienst speciale belastingvoordelen. Vanaf 2020 heeft de overheid de voordelen voor zelfstandigen wel beperkt: zo is de zelfstandigenaftrek de laatste jaren sterk verlaagd.
Wie een eigen zaak begint, staat voor een belangrijke vraag: welke ondernemingsvorm krijgt het bedrijf? De meeste mensen die een eigen bedrijfje beginnen, kiezen bij de start voor een eenmanszaak als ondernemingsvorm — net als Lina. Een eenmanszaak is een onderneming waarin één persoon, de eigenaar, de leiding heeft.
De Nederlandse wet maakt geen verschil tussen de onderneming en de eigenaar van de zaak. Je zegt dan: de eenmanszaak is geen rechtspersoon. Lina is dus zelf, met haar privévermogen, aansprakelijk. Als de zaak failliet gaat, moet zij de overblijvende schulden met haar privévermogen terugbetalen. Met andere woorden: de eigenaar is hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de onderneming.
Een tweede nadeel van de eenmanszaak is dat er meestal weinig geld beschikbaar is. Want er is maar één eigenaar die geld in de zaak kan steken. En banken zijn niet bereid om aan een eenmanszaak veel krediet te verstrekken: het voortbestaan van de zaak is ook slecht geregeld — als de eigenaar ziek wordt, ligt de zaak stil.
De eenmanszaak heeft ook voordelen. Één persoon heeft de leiding, dus die persoon kan snel beslissingen nemen. Alle winst is voor één persoon: de eigenaar.
Als iemand samen met een partner of een vriend een bedrijf wil beginnen, is een vennootschap onder firma (vof) mogelijk. Bij een vof zijn twee of meer personen eigenaar van één onderneming. De vennoten van een vof zijn, net als bij de eenmanszaak, ook met hun privévermogen aansprakelijk voor alle schulden van de vof. Want de vof is, net als de eenmanszaak, geen rechtspersoon.
De vof heeft een aantal voordelen ten opzichte van de eenmanszaak: de eigenaren kunnen overleggen, het werk kan verdeeld worden, er is meer geld beschikbaar (en banken willen aan een vof over het algemeen meer geld uitlenen dan aan een eenmanszaak), en als één vennoot ziek wordt, kan het werk doorgaan.
Bij een naamloze vennootschap (nv) wordt de waarde van het bedrijf in stukjes gehakt. De stukjes worden aandelen genoemd. Aandelen zijn vrij verhandelbaar en worden op de aandelenbeurs verhandeld. Wie een aandeel koopt, is voor een klein deel eigenaar van het bedrijf en krijgt als eigenaar per aandeel een winstuitkering, als de behaalde winst dat mogelijk maakt.
Er is een officiële scheiding tussen het eigendom van de zaak (de aandeelhouders) en de dagelijkse leiding (de directieleden in loondienst). Een nv is een rechtspersoon. Gaat de nv failliet, dan gaat alleen het bedrijf failliet: de aandeelhouders zijn niet hoofdelijk aansprakelijk. Zij kunnen niet meer verliezen dan de waarde van hun aandelen.
Een besloten vennootschap (bv) lijkt op een nv: ook bij een bv is het vermogen in aandelen verdeeld, en ook een bv is een rechtspersoon met een officiële scheiding tussen eigendom en leiding. Het verschil: de aandelen van een bv worden niet openbaar verkocht zoals bij een nv. Omdat de aandelen niet vrij overdraagbaar zijn, wordt deze vennootschap een besloten vennootschap genoemd.
| Vorm | Aantal eigenaren | Rechtspersoon? | Aansprakelijkheid eigenaar |
|---|---|---|---|
| Eenmanszaak | 1 | Nee | Hoofdelijk (privé) |
| Vof | 2 of meer | Nee | Hoofdelijk (privé) |
| Bv | 1 of meer (aandelen) | Ja | Beperkt tot aandelen |
| Nv | Veel (vrij verhandelbaar) | Ja | Beperkt tot aandelen |
Voordat Lina haar eerste navulbare deodorantroller verkoopt, moet ze eerst geld investeren. Net als elke startende ondernemer maakt ze daarom een investeringsbegroting. Met deze begroting maak je een inschatting van hoeveel geld je nodig hebt om de eigen zaak te kunnen beginnen.
De inventaris bestaat uit de apparatuur en spullen die Lina nodig heeft: een kleine vulmachine om de navulzakjes mee te vullen, een werktafel en wat opslagrekken. De voorraad goederen bestaat bij Lina's bedrijfje uit de eerste lading rollers en navulzakjes met deodorant die ze inkoopt voordat ze iets verkocht heeft. Daarnaast wil Lina een bedrag op haar zakelijke bankrekening hebben staan, en is er geld in de kas nodig om wisselgeld te kunnen geven op een marktdag.
Tel je deze posten bij elkaar op, dan krijg je het totale bedrag dat Lina nodig heeft om te kunnen beginnen: het totale vermogen.
| Post | Bedrag |
|---|---|
| Inventaris (vulmachine, werktafel, rekken) | € 1.800 |
| Voorraad goederen | € 600 |
| Banksaldo | € 400 |
| Geld in de kas | € 100 |
| Totale investering | € 2.900 |
Een investeringsbegroting geeft een goed overzicht van hoeveel geld er nodig is om een zaak te beginnen. Dat is nuttig voor Lina, maar ook voor een bank die misschien geld aan haar wil lenen. Maar de bank wil ook een tweede overzicht zien: de resultatenbegroting van het eerste jaar van de zaak. Een resultatenbegroting geeft een overzicht van de verwachte toekomstige kosten en opbrengsten. Hiermee kan de bank inschatten of Lina in staat is om een lening later weer terug te betalen.
Lina verkoopt in haar eerste jaar 800 deodorantrollers met een prijs van €12,50. Dat levert haar een omzet (inclusief btw) op. De btw moet ze afdragen aan de Belastingdienst, dat is geen omzet voor haar. Daarvan moet zij zelf de inkoopwaarde van de rollers en navulzakjes betalen. Dat noem je de inkoopwaarde van de omzet. Het verschil is de brutowinst.
Naast de inkoopwaarde van de omzet heeft Lina nog allerlei andere kosten: de huur van haar opslagkastje, de premie voor een verzekering, en de afschrijvingskosten op haar vulmachine (de waardevermindering omdat de machine ouder en minder waard wordt). Dit zijn bij elkaar de bedrijfskosten. De brutowinst verminderd met de bedrijfskosten is de nettowinst. Deze winst is het inkomen van Lina.
Uit deze uitleg volgen dus twee formules:
| Post | Bedrag |
|---|---|
| Omzet | € 10.000 |
| Inkoopwaarde van de omzet | € 3.600 |
| Brutowinst | € 6.400 |
| Bedrijfskosten | € 2.400 |
| Nettowinst | € 4.000 |
Verkoopt Lina haar deodorantroller voor €12,50 inclusief 9% btw, dan is niet het hele bedrag omzet voor haar. De btw moet ze afdragen aan de Belastingdienst. Om van een bedrag inclusief btw terug te rekenen naar een bedrag exclusief btw, deel je door 109% (1,09) en vermenigvuldig je met 100%.
Lina weet nu dat ze €2.900 nodig heeft om te beginnen (bron 1). Maar waar komt dat geld vandaan? Dat staat in haar financieringsplan.
Het geld dat Lina zelf als eigenaar in de zaak investeert, is het eigen vermogen van de zaak. Lina heeft €900 gespaard van oppasklusjes en steekt dat in haar bedrijfje. Het overige geld leent ze: van haar ouders en van twee vriendinnen. Geleend geld is het vreemd vermogen. Eigen vermogen en vreemd vermogen bij elkaar opgeteld is het totaal vermogen — precies het bedrag uit de investeringsbegroting.
| Post | Bedrag |
|---|---|
| Eigen vermogen Lina | € 900 |
| Lening ouders | € 1.500 |
| Lening van vriendinnen | € 500 |
| Totale financieringsbehoefte | € 2.900 |
Lina financiert haar bedrijfje dus voor een groot deel met vreemd vermogen: €2.000 : €2.900 = 69% van het totale vermogen is geleend geld. In de loop van de tijd kan het aandeel eigen vermogen toenemen:
Lina stelde in §4.1 een investeringsbegroting, resultatenbegroting en financieringsplan op. Dit alles om haar droom — een eigen deodorantroller-bedrijfje — werkelijkheid te laten worden. Met behulp van deze gegevens kan ze ook een balans opstellen die past bij de begrote cijfers. Deze balans geeft een overzicht van al haar bezittingen en schulden op het moment dat het bedrijfje van start gaat.
Een balans heeft een vaste indeling. Aan de linkerkant (debet) staan de bezittingen (activa) van het bedrijf. Aan de rechterkant (credit) staat hoe de bezittingen zijn gefinancierd (de passiva). Het verschil tussen bezittingen en schulden is het eigen vermogen van het bedrijf. Met het eigen vermogen wordt de balans in evenwicht gebracht.
| Debet (bezittingen) | Credit (schulden) | ||
|---|---|---|---|
| Vaste activa | Eigen vermogen | € 900 | |
| Inventaris | € 1.800 | Schulden op lange termijn | |
| Vlottende activa | Lening van ouders | € 1.500 | |
| Goederen | € 600 | Schulden op korte termijn | |
| Liquide middelen | Lening van vriendinnen | € 500 | |
| Betaalrekening | € 400 | ||
| Kas | € 100 | ||
| Totaal | € 2.900 | Totaal | € 2.900 |
Valt het je op? Dit zijn precies de bedragen uit Lina's investeringsbegroting (debet) en haar financieringsplan (credit) uit §4.1 — nu alleen samengevoegd in één overzicht.
Aan de debetzijde worden eerst de vaste activa opgesomd. De vaste activa zijn de bezittingen die langer dan één productieproces of één jaar meegaan. Lina's vulmachine gaat jaren mee en hoort dus bij de vaste activa.
De vlottende activa gaan maar één productieproces of korter dan één jaar mee. Bij Lina is dat bijvoorbeeld de voorraad navulzakjes met deodorant: deze kunnen maar één keer gebruikt worden en gaan dus maar één productieproces mee. De vulmachine zelf hoort echter bij de inventaris, omdat die juist wel jarenlang meegaat.
Als een klant bij Lina een deodorantroller koopt maar nog niet direct betaalt — bijvoorbeeld de schoolwinkel die op rekening bij haar bestelt — krijgt Lina een vordering op die klant en deze rekening mee. Zolang de rekening niet is betaald, valt het bedrag op de balans onder debiteuren. Debiteuren zijn klanten die hun rekening nog moeten betalen. Zodra de schoolwinkel het bedrag overmaakt, daalt op de balans van Lina het bedrag bij de post debiteuren en stijgt het bedrag op de betaalrekening.
Over de liquide middelen kan Lina direct beschikken. Zij kan op elk moment geld uit de kas of van haar bankrekening halen.
De rechterkant (creditzijde) laat zien hoe de bezittingen aan de debetzijde zijn gefinancierd. Aan de rechterkant staan de passiva: de schulden van de zaak en het eigen vermogen. De schulden noem je het vreemd vermogen.
Eerst worden de schulden op lange termijn opgesomd: het lang vreemd vermogen. Deze schulden hebben een looptijd langer dan één jaar. Lina heeft €1.500 van haar ouders geleend en betaalt dat over meerdere jaren terug — dat is dus lang vreemd vermogen.
Lina heeft ook schulden op korte termijn: het kort vreemd vermogen. Dit zijn schulden die binnen één jaar terugbetaald moeten worden. De €500 die ze van haar twee vriendinnen heeft geleend, moet ze nog dit jaar terugbetalen — dat is dus kort vreemd vermogen.
Koopt Lina op een later moment navulzakjes in bij haar leverancier, maar betaalt ze die rekening nog niet direct? Dan valt het bedrag van die rekening onder de post crediteuren. Crediteuren zijn leveranciers aan wie het bedrijf nog geld schuldig is. Crediteuren zijn dus het spiegelbeeld van debiteuren: bij debiteuren is Lina de schuldeiser, bij crediteuren is zij de schuldenaar.
Als Lina alle bezittingen zou verkopen en alle schulden zou aflossen, houdt ze het verschil tussen bezittingen en schulden over. Dit verschil is het eigen vermogen. In formule: totale bezittingen − totale schulden = eigen vermogen. Bij Lina's eerste balans: €2.900 − €2.000 (lening ouders + lening vriendinnen) = €900 eigen vermogen.
Een resultatenrekening geeft een overzicht van de opbrengsten, kosten en winst (of verlies) in het afgelopen jaar. Een ander woord voor resultatenrekening is winst-en-verliesrekening. Aan de debetzijde (linkerkant) van de resultatenrekening staan de kosten en de winst van het bedrijf. Aan de creditzijde (rechterkant) staan de opbrengsten.
Voorbeelden van kosten van Lina's deodorantroller-bedrijfje zijn: de inkoopwaarde van de omzet (de navulzakjes die zij zelf heeft ingekocht), de huur van haar opslagkastje, en de afschrijvingskosten op haar vulmachine (de waardevermindering van een vast bezit). Bron 1 is een eenvoudige resultatenrekening waarbij alle kosten en alle opbrengsten in één bedrag zijn samengebracht.
| Debet | Credit | ||
|---|---|---|---|
| Kosten | € 6.000 | Opbrengsten | € 10.000 |
| Winst | € 4.000 | ||
| Totaal | € 10.000 | Totaal | € 10.000 |
Niet alle uitgaven zijn kosten. Stel Lina koopt een tweede vulmachine voor €1.000 cash. Ze ontvangt in ruil voor het uitgegeven geld een machine, waardoor het bedrijf per saldo niet armer wordt. De afname bij het banksaldo is gelijk aan de toename bij de vaste activa, waardoor het eigen vermogen gelijk blijft. De aankoop zelf is dus geen kostenpost. Pas de slijtage aan de machine in de volgende jaren is wel een voorbeeld van kosten: de waarde van de machine daalt, maar er staat geen voordeel voor het bedrijf tegenover. De afschrijving op de machine verlaagt zo het eigen vermogen van het bedrijf.
De resultatenrekening wordt afgesloten door de winst aan de linkerkant (debetzijde) te plaatsen. Hierdoor wordt het totaal aan de debetzijde gelijk aan het totaal aan de creditzijde. De winst laat zien of het bedrijf goed heeft gepresteerd.
De absolute winst — gewoon het bedrag in euro's — zegt niet alles: een multinational behaalt waarschijnlijk meer winst dan een eenpersoonsbedrijfje, simpelweg omdat er veel meer geld in om gaat. Om te beoordelen of een bedrijf een goed resultaat heeft geboekt, kun je de winst vergelijken met het totaal vermogen (eigen vermogen + vreemd vermogen). De winst als percentage van het totaal vermogen laat zien hoeveel eurocent er aan winst wordt behaald op iedere euro die in het bedrijf is geïnvesteerd. Vergelijk dit met de rente op een spaarrekening: bij 4% rente maak je vier eurocent ‘winst’ op iedere ingelegde euro.
Stel iemand heeft €5.000 gespaard en moet kiezen: het geld op een spaarrekening zetten tegen 2,5% rente, of het als eigen vermogen in een eigen bedrijfje steken waarmee €200 winst per jaar wordt verwacht.
| Keuze | Opbrengst per jaar | Rendement |
|---|---|---|
| Spaarrekening (2,5% rente) | € 125 | 2,5% |
| Eigen bedrijf (winst €200) | € 200 | 4,0% |
Het eigen bedrijf levert een hoger rendement op — maar let op: bij een spaarrekening is het rendement zeker, terwijl een eigen bedrijf ook winst tegen kan vallen of zelfs verlies kan draaien. Een hoger rendement gaat meestal samen met een hoger risico.
De resultatenrekening als schakel tussen twee balansen. Je kunt de balans vergelijken met een foto, en de resultatenrekening met een film. De balans geeft, net als een foto, een momentopname: de bezittingen en schulden op één bepaald moment. De resultatenrekening laat als een film de gebeurtenissen in een jaar zien.
Lina begon haar bedrijfje met een eigen vermogen van €900 (de balans van 1 januari, zie §4.2). In haar eerste jaar behaalt ze €4.000 winst (de resultatenrekening van dit jaar, bron 1). Laat ze deze winst in de zaak zitten, dan is haar eigen vermogen op de balans van 1 januari het jaar daarna gegroeid naar €4.900. Zo is de resultatenrekening van een jaar de schakel tussen de balans aan het begin en de balans aan het einde van dat jaar.
Lees de tekst, maak de vragen en controleer daarna je antwoorden met het correctiemodel. Dit zijn echte examenvragen — de tekst en vragen zijn precies zoals op het examen.
Spaarrentes die de banken bieden worden steeds lager, terwijl de prijzen stijgen. De gemiddelde rente op spaargeld is gedaald naar 2,4% en de inflatie is gestegen tot 2,5%.
Sinds het begin van de kredietcrisis in 2008 wordt er elk jaar meer gespaard door Nederlanders. In 2011 groeide het totaal aan spaartegoeden met 18 miljard euro tot een bedrag van 314 miljard euro.
Econoom Heffinger: "Gezien de verhouding tussen de rente en de inflatie, had ik deze groei niet verwacht."
Maak van onderstaande tekst een economisch juiste redenering.
Kies uit:
bij (1) dalen van de rente / stijgen van de prijzen
bij (2) vraag naar consumptiegoederen / vraag naar exportgoederen
bij (3) meer / minder
Leg uit hoe een economische crisis kan leiden tot stijgende besparingen bij gezinnen.
Geef een verklaring voor de uitspraak van econoom Heffinger.
Is het looninkomen van Willem een stroomgrootheid of een voorraadgrootheid? Verklaar het antwoord.
Gebruik bron 1.
Verklaar waarom het financieel vermogen van Willem in de levensfase b-c afneemt, maar minder snel dan in de levensfase a-b.
Gebruik bron 1.
Verklaar waarom het financieel vermogen van Willem in de levensfase d-e toeneemt en vervolgens in levensfase e-f afneemt.