Begrijpelijke theorie, oefenvragen, games en examentraining — voor alle klassen.
Log in met je stamnummer en ga direct verder.
Stamnummer = je wachtwoord ·
Econivo is hét online leerplatform voor leerlingen van mavo, havo en vwo. Ontdek economie met begrijpelijke uitleg, interactieve opdrachten, praktijkvoorbeelden en slimme oefeningen. Zo leer je niet alleen voor een toets, maar begrijp je ook hoe economie werkt in de echte wereld. Start vandaag en ervaar hoe leuk en overzichtelijk economie kan zijn.
Lees alleen de titel en de tussenkop: "Als je goed spreidt, verklein je de risico's"
Wat denk jij: wat betekent "spreiden" bij beleggen? Schrijf in één zin op wat je verwacht dat het artikel gaat uitleggen — zonder het artikel te lezen.
Lees het artikel en vul de tabel in. Noteer voor elk punt een concreet voorbeeld of citaat uit de tekst.
Universiteit van Nederland legt uit · de Volkskrant · zaterdag 23 mei 2026
“Beleggen is altijd slimmer dan sparen — wie spaart, verliest eigenlijk geld.”
Wie is het eens? Wie niet? Verdedig je standpunt met een argument uit het artikel of uit de theorie van H3 §4 (sparen, beleggen en rente).
Koppeling aan theorie H3 §4 — Sparen, beleggen en rente:
Nominale rente vs. reëel rendement — het artikel illustreert dat een spaarrente van 1% bij 2% inflatie leidt tot koopkrachtverlies. Dit is de kern van §4: reëel rendement = nominale rente − inflatie.
Risico en spreiding — "home bias" is een concreet voorbeeld van suboptimale keuze. Koppel aan risicospreiding en portefeuillekeuze.
Spaarbuffer — het advies "3 tot 6 maanden vaste lasten" koppelt aan liquiditeitsvoorkeur.
✅ Vóór stelling: aandelen leverden 6,6% per jaar op (120 jaar) · inflatie vreet koopkracht van spaargeld · spreiden vermindert risico sterk
❌ Tegen stelling: beleggen vereist spaarbuffer eerst · risico op (tijdelijk) verlies · niet iedereen kan geld missen · "beurs na slechte dag" = emotionele valkuil
💡 Stel: jij werkt fulltime tegen het minimumloon (nu €14,40 per uur) en moet daarvan rondkomen. Ondertussen maakt het bedrijf waar je werkt recordwinst. Je vakbond eist daarom 6% meer loon voor iedereen in de sector.
Stemming: Vind jij dat werknemers automatisch meer loon moeten krijgen als een bedrijf meer winst maakt, of bepaalt de winst alleen wat de eigenaar ermee doet? Werknemers moeten meedelen / Winst is voor de eigenaar — handen omhoog!
Zoek in het artikel de uitspraak van Jacqie van Stigt (FNV) over winsten en lonen. Schrijf in één zin op: wat is haar belangrijkste argument voor de looneis van 6 procent?
✎ Mijn antwoord
NRC · 15 september 2025 · Tan Tunali
Werk samen met je buurman/buurvrouw. Eén van jullie is vakbondsbestuurder, de ander is werkgever. Leg in eigen woorden uit (nog geen vaktermen!): waarom wil de vakbond 6% meer loon, en waarom vinden werkgevers dat moeilijk? Schrijf per rol 2–3 zinnen op.
👤 Rol: vakbondsbestuurder
🏢 Rol: werkgever
💡 Stel je voor: je opa is 63 en moet straks, door een nieuwe wet, 2 jaar langer werken voordat hij AOW krijgt (AOW = het geld dat je van de overheid krijgt als je met pensioen gaat). Hij is boos. Zijn vakbond zegt: “Als dit doorgaat, gaan we staken — dan kunnen treinen, ziekenhuizen en scholen stilvallen.”
Stemming: Vind jij dat een vakbond het recht heeft om het hele land “plat te leggen” met een staking, om iets voor elkaar te krijgen bij de regering? Ja / Nee — handen omhoog!
Zoek in het artikel de zin waarin een vakbondsvoorzitter zegt dat “de grens bereikt” is. Schrijf in één zin op: waarom is dit voor de vakbond zo’n belangrijk moment?
✎ Mijn antwoord
Volkskrant · mei 2026 · foto Guus Dubbelman / VK
Werk samen met je buurman/buurvrouw. Eén van jullie is vakbondsleider, de ander is woordvoerder van de regering. Leg in jullie eigen woorden uit (dus nog geen vaktermen!): waarom wil de vakbond staken, en waarom wil de regering toch bezuinigen? Schrijf per rol 2–3 zinnen op.
👤 Rol: vakbondsleider
🏢 Rol: woordvoerder regering
💡 Stel: jij bent 64 jaar oud. Je hebt je hele leven gewerkt en belasting betaald. En nu zegt de overheid: je mag nog niet stoppen — de AOW-leeftijd gaat omhoog.
Maar dan zeggen nu ook de bazen van de grootste bedrijven van Nederland: doe dat niet.
Schrijf in één zin op: waarom zouden werkgevers eigenlijk iets geven om jouw pensioen?
Schrijf op wat de kern van dit artikel is — in steekwoorden of een korte samenvatting van 2–3 zinnen.
✎ Mijn samenvatting / steekwoorden
de Volkskrant · zaterdag 23 mei 2026
Stelling
“De overheid moet zelf bepalen wanneer mensen met pensioen gaan — werkgevers en vakbonden hebben daar niets over te zeggen.”
Wie is het eens? Wie niet? Verdedig je standpunt met een argument uit het artikel of de theorie.
Koppeling aan theorie M4 H1:
§1 Tijd is geld — AOW = uitgestelde consumptie. Leerlingen sparen via premies om later inkomen te ontvangen. Hogere AOW-leeftijd = langer wachten op die uitgestelde consumptie.
§2 Sparen en lenen — De overheid leent van werkenden (premies) om uitkeringen te betalen. Verslechterende verhouding werkers/gepensioneerden door vergrijzing = financieringsprobleem.
§3 Inflatie — Stijgende AOW-uitkeringen door indexering maken het systeem duurder — dit is mede de reden voor het kabinetsplan.
Discussie — argumenten:
✅ Vóór: democratisch gelegitimeerd · collectief belang houdbaarheid · sociale partners lobbyen voor eigen achterban
❌ Tegen: pensioenakkoord = bindende afspraak · draagvlak nodig voor uitvoerbaarheid · werkgevers kennen de arbeidsmarkt
💡 Stel: jij bent de baas van een Aldi-supermarkt. Aan de overkant van de straat zit je grootste concurrent: een Lidl. Jullie verkopen allebei een pak huismerk-cola voor €1,00. Als jij de prijs verlaagt naar €0,70, komen alle klanten naar jouw winkel — maar je verdient wel minder per pak.
Wat doe jij? Stem klassikaal (hand opsteken):
A — Ik houd mijn prijs op €1,00, want dat levert de meeste winst op als we dat allebei doen.
B — Ik verlaag mijn prijs naar €0,70, om de concurrent te slim af te zijn.
Zoek in het artikel de uitspraak van retailbankier Dirk Mulder over wat er met de prijzen en de marges van supermarkten gebeurt. Schrijf in de kantlijn — hieronder — in één zin, in je eigen woorden:
Waarom verlagen supermarkten hun prijzen tóch, ook al weten ze dat ze daardoor minder overhouden?
✎ Mijn antwoord
Algemeen Dagblad · donderdag 21 mei 2026 · Jeroen Kortschot
Artikel downloaden / printenWerk in tweetallen. Schrijf voor elk van de volgende vier situaties tussen Aldi en Lidl in gewone tekst op wat er volgens jullie gebeurt — wie krijgt de meeste klanten, en wie verdient het meest?
Situatie A — Aldi en Lidl houden allebei hun prijs hoog
Situatie B — Aldi verlaagt de prijs, Lidl houdt hem hoog
Situatie C — Lidl verlaagt de prijs, Aldi houdt hem hoog
Situatie D — Aldi én Lidl verlagen allebei de prijs
Klassikale oogst & de brug naar de matrix:
Vraag een paar duo's naar hun antwoorden bij situatie A t/m D. Teken vervolgens live op het bord een leeg vierkant met vier vakken. Zeg tegen de klas: “Wat jullie net in tekst hebben opgeschreven, gaan economen overzichtelijk maken in een wiskundig model: de opbrengstenmatrix. Laten we jullie situaties A, B, C en D hier eens in gaan vullen…”
Koppeling aan theorie M5 H1: §2 Een economiespel (opbrengstenmatrix opstellen) en §3 Nash-evenwicht — situatie D is precies het gevangenendilemma dat in §2/§3 wordt uitgewerkt.
💡 Je krijgt de kans om in één klap een paar miljoen euro te verdienen — maar het is illegaal. Je hebt 70% kans dat het lukt. Als het lukt, ben je die paar miljoen rijker. Als je gepakt wordt, kost het je een paar jaar gevangenisstraf.
Zou jij het doen? Stem klassikaal (hand opsteken): ja of nee.
Twee vervolgvragen:
— Stel dat je kans op succes nog maar 10% is — verandert dat iets voor jou?
— Stel dat de straf bij pakken maar een paar máánden zou zijn in plaats van jaren — verandert dat iets?
Lees het artikel hieronder. Typ tijdens het lezen in één zin, in je eigen woorden:
Waarom zouden de dieven, ondanks het risico op zo'n lange gevangenisstraf, deze roof toch hebben gepleegd?
✎ Mijn antwoord
Kunstroof · Victor Schildkamp
Artikel downloaden / printen (PDF)Welke drie dingen moesten de dieven volgens jou tegen elkaar afwegen vóórdat ze besloten de roof te plegen? Vul kort in, in je eigen woorden:
Klassikale oogst & de brug naar de vaktermen:
Vraag een paar leerlingen naar hun drie invulvelden. Zeg vervolgens: “Wat jullie nu in eigen woorden hebben omschreven, gaan we zo omzetten in vaktermen: de kans dat iets gebeurt, de schade die daarbij hoort, en samen vormen die het economische begrip risico — de prijs van onzekerheid. En als een uitkomst onzeker is, zoals hier of de roof lukt, kijken we naar de verwachte opbrengst. Dat gaan we nu in de theorie verder uitwerken.”
Koppeling aan theorie H1 §1: de drie afwegingen van de leerlingen komen overeen met kans op succes/pakkans, de opbrengst van de roof, en de schade (celstraf) — precies de bouwstenen van risico en verwachte opbrengst die in de eerste theoriekaart worden uitgewerkt.
💡 Stel: de klas krijgt een cadeau. Jullie mogen kiezen tussen twee opties.
Optie A — Iedereen in de klas krijgt er €20 per maand zakgeld bij.
Optie B — Er wordt geloot. Eén klasgenoot krijgt er €600 per maand bij (dat is precies hetzelfde totaalbedrag als bij optie A, alleen niet verdeeld). De rest krijgt niets extra.
Stemming: wie kiest optie A? Wie kiest optie B? — handen omhoog!
Zoek in het artikel deze zin op:
“De recordbrekende rijkdom van Musk wordt in de buitenwereld ontvangen zoals dat normaal gesproken met de ontknoping van het WK voetbal of de NBA-basketbalfinale gaat: als een prestatie van formaat die bewondering verdient.”
Kruis aan welke reactie het beste bij jou past:
Commentaar · Coen Polack
Artikel downloaden / printenWerk samen, 5 minuten. Piketty wil dat bijna de hele wereldbevolking (95%) erop vooruitgaat. Musk werd de eerste biljonair (1 met twaalf nullen).
Maak samen twee lijstjes, in jullie eigen woorden.
Lijstje 1 — 3 dingen die mensen overal ter wereld hard nodig hebben om normaal te kunnen leven
Lijstje 2 — 3 dingen waar iemand als Musk zijn geld aan zou kunnen uitgeven, die niemand nódig heeft om te overleven
Docenttip — alleen voor jou zichtbaar
Klassikale oogst: laat een paar duo’s hun lijstjes voorlezen. Zet ze live in twee kolommen op het bord.
“Wat jullie nu eigenlijk hebben gemaakt, is het verschil tussen twee soorten behoeften: primaire behoeften (lijstje 1) en secundaire behoeften (lijstje 2). En het feit dat de wereld deze behoeften niet voor iedereen evengoed kan vervullen, heeft alles te maken met het begrip welvaart — daar gaan we nu mee verder.”
💡 Stel: jij vraagt een AI-chatbot om advies tegen een droge huid. De chatbot geeft antwoord én noemt daarbij toevallig steeds een crème van hetzelfde merk.
Stemming: wie vindt dit gewoon handig (de AI helpt me een product kiezen)? Wie vindt dit eigenlijk gewoon reclame, alleen goed verstopt? — handen omhoog!
Deze drie begrippen kwamen eerder al langs. Zoek ze op terwijl je het artikel leest en vul het schema in: in welke zin staat het, en wat betekent het hier?
| Begrip | Zin uit het artikel | Wat betekent het hier? |
|---|---|---|
| Omzet | ||
| Diensten | ||
| Marketing |
De Telegraaf · Jeroen Kortschot
Artikel downloaden / printenWerk samen, 5 minuten. Vergelijk dit L’Oréal-advies via ChatGPT met een gewone reclamespot op TV voor een shampoo.
1 overeenkomst — wat proberen ze allebei te bereiken?
1 verschil — waarom is het bij ChatGPT lastiger om te zién dat het eigenlijk reclame is?
Docenttip — alleen voor jou zichtbaar
Klassikale oogst: laat een paar duo’s hun overeenkomst en verschil voorlezen.
“Wat jullie nu beschrijven, is een vorm van commerciële beïnvloeding — alleen extreem goed verstopt. Bij een gewone reclamespot weet je meteen: dit is reclame. Bij dit ChatGPT-advies lijkt het gewoon ‘advies’, terwijl het bedrijf er wel degelijk voor betaalt om precies daar in beeld te komen. Dat maakt het een stuk lastiger te herkennen dan de reclamesoorten die we zo gaan bekijken.”
💡 Het Nibud onderzoekt hoeveel Nederlandse huishoudens financieel rondkomen.
Stemming: hoeveel huishoudens denk jij dat momenteel niet rondkomen? — handen omhoog!
A — ongeveer 1 op de 10
B — ongeveer 1 op de 5
C — ongeveer 1 op de 3
D — ongeveer 1 op de 2
Het antwoord staat in de titel van het artikel — pas na de stemming onthullen.
Het artikel heeft een paar alinea’s. Schrijf per alinea de belangrijkste zin op — de kernzin, in je eigen woorden of overgetypt.
Van onze verslaggever
Artikel downloaden / printenWerk samen, 5 minuten. Stel: jullie verdienen samen €1.200 per maand.
1. Bereken: hoeveel mag dat volgens het Nibud-advies maximaal aan vaste lasten zijn?
2. Bedenk samen 2 voorbeelden van vaste lasten en 2 voorbeelden van dagelijkse uitgaven die in dat budget zouden passen.
Docenttip — alleen voor jou zichtbaar
Klassikale oogst: laat een paar duo’s hun berekening en voorbeelden voorlezen.
“Wat jullie net hebben gedaan — inkomen, vaste lasten en dagelijkse uitgaven uit elkaar houden — is precies waar een begroting om draait. Dat gaan we nu verder uitwerken, inclusief een derde categorie: incidentele uitgaven, waarvoor je moet reserveren.”
💡 Vandaag lezen we een krantenartikel over stijgende inflatie.
Vraag aan de klas: wat denk je dat de belangrijkste oorzaak is die dit artikel gaat noemen voor de huidige prijsstijgingen? Kort een paar leerlingen laten voorspellen.
Noteer terwijl je leest de oorzaken van de huidige inflatie. Zoek specifiek naar: landen, geopolitieke conflicten of vaarroutes die genoemd worden.
Martin Visser · Prijspiek voor gas en benzine moet nog komen
Artikel downloaden / printenMaak een oorzaak → gevolg-schema. Orden de informatie uit de tekst visueel, zodat de logische keten duidelijk wordt.
Stap 1
Stap 2
Stap 3
Docenttip — alleen voor jou zichtbaar
Logische keten uit het artikel:
1. Conflict in het Midden-Oosten / afsluiting van de Straat van Hormuz
2. Stijging van de olieprijs naar 130-135 dollar
3. Gevolgen voor transport, supermarkten en uiteindelijk de burger (0,7% koopkrachtdaling)
“Dit is een mooi voorbeeld van hoe internationale gebeurtenissen via een keten van oorzaak-gevolg uiteindelijk jouw portemonnee raken. Dat is precies wat we nu bij inflatie en koopkracht gaan bestuderen.”
💡 Kijk hieronder alleen naar de titels en de twee gekleurde tabellen (rood en groen) — lees nog niet de lopende tekst.
Vraag: wat betekent het als er een −% (een minteken) bij een percentage staat in de groene tabel? Wat is het verschil met de rode tabel?
Lees de korte tekst onder de kop "Bio-ketchup negen keer zo duur". Noteer alle woorden die te maken hebben met rekenen of verandering (zoals stijgen, toenemen, gemiddeld, procent, keer zoveel).
De Volkskrant · Cijfers bij het nieuws · samenstelling Dana Holscher
Artikel downloaden / printenIn de tekst staat: "Bio-ketchup is gemiddeld negen keer zo duur als het huismerk". In de rode tabel staat er 796% achter ketchup.
Bespreek in tweetallen: hoe kan iets "negen keer zo duur" zijn, maar er toch "796%" staan? Waar komt die 796% vandaan?
Docenttip — alleen voor jou zichtbaar
Dit is het perfecte bruggetje naar je uitleg op het bord:
“Jullie hebben net gezien dat biologische ketchup 9 keer zo duur is, maar er staat 796% bij. Stel: een gewone fles ketchup kost precies €1,00. Als de biologische variant 9 keer zo duur is, wat kost die fles dan?” (laat leerlingen antwoorden: €9,00)
“Goed. De prijs stijgt dus van €1,00 naar €9,00. Er komt dus €8,00 bij. En die €8,00 die erbij komt... dát is die bijna 800% (796%) stijging! Vandaag gaan we leren hoe je zo’n procentuele verandering met een vaste formule precies uitrekent.”
💡 ASML maakt machines waarmee chipfabrieken (zoals TSMC, Samsung en Intel) chips produceren. Door de opkomst van kunstmatige intelligentie (AI) is er wereldwijd steeds meer vraag naar geavanceerde chips.
Vraag aan de klas: wat denk je dat er gebeurt met de vraag naar ASML-machines nu bedrijven massaal in AI investeren? Kort een paar leerlingen laten voorspellen.
Onderstreep of noteer terwijl je leest alle cijfers en woorden die laten zien dat de vraag naar chips en chipmachines is toegenomen (zoals percentages, bedragen, en woorden als "wachtlijsten" of "uitverkocht").
Niels Waarlo
Artikel downloaden / printenIn het artikel willen chipfabrikanten steeds meer ASML-machines kopen — er ontstaan zelfs wachtlijsten.
Bespreek in tweetallen: is dat doordat de machines van ASML goedkoper zijn geworden, of speelt er iets heel anders mee? Noem in je eigen woorden wat volgens jullie de échte reden is waarom er nu zoveel meer gevraagd wordt.
Docenttip — alleen voor jou zichtbaar
(Verwacht antwoord van leerlingen: niet de prijs, maar de groei van AI zorgt dat bedrijven meer chips nodig hebben — dus meer machines om die te maken.)
“Jullie hebben net ontdekt dat de vraag naar ASML-machines is gestegen, terwijl de prijs daar niet de oorzaak van was — het kwam door iets anders: de groei van AI. Dat onderscheid — of de prijs zelf verandert, of er iets anders meespeelt — gaan we vandaag omzetten in twee vaktermen: een verandering langs de vraaglijn, en een verschuiving van de vraaglijn.”
💡 Vraag aan de klas: wie heeft weleens een "rage" gekocht, zoals squishies of fidget spinners? En heb je er ooit over nagedacht of zoiets wel veilig geproduceerd is?
Noteer 1: alle instanties en bedrijven die actie ondernemen óf juist afwachten.
Noteer 2: de risico’s en de redenen waarom er alarm is geslagen.
Michiel Snik · Kankerverwekkend: verkoop van populair speelgoed stokt
Artikel downloaden / printenSchrijf een "waarschuwings-tweet" (maximaal 280 tekens) namens de NVWA aan Nederlandse ouders, gebaseerd op de feiten uit de tekst.
Docenttip — alleen voor jou zichtbaar
Antwoordmodel Noteer 1: NVWA, Bol.com, Intertoys, Jamin.
Antwoordmodel Noteer 2: Jan Tytgat (toxicoloog), chemische geur, kankerverwekkend.
💡 Vraag aan de klas: "Verwacht jij later, als je klaar bent met je studie of opleiding, snel een eigen huis te kunnen kopen of huren? Waarom wel of niet?"
Docenttip — alleen voor jou zichtbaar
Aanpak: laat leerlingen die wél verwachten snel een huis te vinden links in het lokaal staan, en leerlingen die dat niet verwachten rechts. Laat beide kampen kort argumenten uitwisselen (denk aan: "ik ga veel verdienen", "er zijn nu al te weinig huizen", "ik ga eerst nog thuis wonen").
Vak 1 — De Barrières: noteer alles wat verklaart waarom het voor jongeren zo moeilijk is om aan een huis te komen.
Vak 2 — De Kansen: noteer de plannen uit het artikel die ervoor kunnen zorgen dat jongeren later wél makkelijker aan een woning komen.
Docenttip — alleen voor jou zichtbaar
Antwoordmodel Vak 1 (Barrières): hoge prijzen, beleggers die huizen opkopen, afschaffing van subsidies.
Antwoordmodel Vak 2 (Kansen): portiekflats optoppen, kleinschalig bouwen op boerenerven, meer betaalbare huurwoningen.
Vul aan: "Op basis van dit artikel denk ik dat mijn kansen op een woning later zijn... [toegenomen / afgenomen], omdat..."
💡 Grote bedrijven maken winst, maar hun productie kan ook schade veroorzaken aan het milieu en de samenleving — denk aan vervuiling, gezondheidsschade of geluidsoverlast.
Vraag aan de klas: denk je dat de financiële waarde van de grootste Nederlandse bedrijven samen hoger of lager is dan hun "maatschappelijke waarde" (winst min de schade die ze veroorzaken)? Kort een paar leerlingen laten voorspellen, met een reden.
Noteer terwijl je leest de belangrijkste cijfers: hoeveel is de financiële waarde van de 23 grootste bedrijven samen, hoeveel is hun maatschappelijke waarde, en welk bedrijf staat onderaan de lijst (en waarom)?
Gert van Harskamp
Artikel downloaden / printenIn de theorie leer je dat maatschappelijke kosten vaak moeilijk in geld uit te drukken zijn. Deze onderzoekers hebben dat tóch geprobeerd.
Bespreek in tweetallen: noem, in je eigen woorden, minstens 1 voorbeeld van maatschappelijke kosten die dit onderzoek volgens jullie moeilijk in euro’s kan hebben uitgedrukt (denk aan gezondheid, geluidsoverlast, natuur).
Docenttip — alleen voor jou zichtbaar
“Jullie zien nu een heel concreet voorbeeld van maatschappelijke kosten: schade die een bedrijf veroorzaakt, maar die niet op de winst-en-verliesrekening staat. Deze onderzoekers hebben geprobeerd die schade toch in euro’s uit te drukken — dat is precies waar we het vandaag over gaan hebben, ook bij jouw eigen keuzes als consument.”
💡 Kijk naar de titel: "Meer geld om uit te geven aan leuke dingen."
Opdracht: als je loon stijgt, betekent dat dan automatisch dat je ook meer spullen kunt kopen in de winkel? Steek je hand op bij "ja", houd je hand omlaag bij "nee".
1. Noteer in eigen woorden wat besteedbaar inkomen is.
2. Noteer ook: tussen welke twee bedragen ligt het inkomen van de meeste Nederlanders (het "middeninkomen")?
Leonie Groen · Negen vragen over het besteedbaar inkomen
Artikel downloaden / printenBedenk in 1 minuut samen één reden waarom de ene persoon in Nederland gemiddeld veel meer verdient dan de andere. Schrijf jullie reden op.
Docenttip & antwoordmodel — alleen voor jou zichtbaar
Antwoordmodel "tijdens het lezen":
1. Besteedbaar inkomen: het geld dat je maandelijks vrij kunt uitgeven, nadat alle verplichte kosten (zoals belasting, premies en vaste lasten) eraf zijn.
2. Middeninkomen ligt tussen €21.000 en €70.000 per jaar.
Antwoordmodel duo-opdracht (voorbeelden van geldige redenen): opleidingsniveau, ervaring/leeftijd, soort beroep, of iemand voltijd of deeltijd werkt, cao-onderhandelingen, wel/niet in loondienst, bezit (rente/dividend naast loon).
“Jullie hebben net zelf een reden bedacht voor inkomensverschil. Vandaag gaan we kijken welke concrete oorzaken daar volgens de theorie achter zitten, en hoe je zulke verschillen afleest uit een grafiek.”
💡 Stel: de klas krijgt een cadeau. Jullie mogen kiezen tussen twee opties.
Optie A — Iedereen in de klas krijgt er €20 per maand zakgeld bij.
Optie B — Er wordt geloot. Eén klasgenoot krijgt er €600 per maand bij (hetzelfde totaalbedrag als bij optie A, alleen niet verdeeld). De rest krijgt niets extra.
Stemming: wie kiest optie A? Wie kiest optie B? — handen omhoog!
Noteer terwijl je leest voorbeelden uit de tekst die vooral over geld/rijkdom gaan, en voorbeelden die volgens jou eerder iets zeggen over welzijn (kwaliteit van leven, geluk, gezondheid).
Geld / rijkdom
Welzijn
Commentaar · Coen Polack
Artikel downloaden / printenMusk wordt in het artikel de eerste biljonair genoemd — extreme welvaart.
Bespreek in tweetallen: denk je dat hij daardoor ook automatisch veel welzijn heeft? Noem één reden waarom veel welvaart niet altijd hetzelfde is als veel welzijn.
Docenttip — alleen voor jou zichtbaar
“Jullie hebben net zelf bedacht dat geld (welvaart) niet automatisch geluk of een goed leven (welzijn) betekent. Dat is precies het onderscheid dat we vandaag gaan maken: welvaart kun je uitdrukken in geld, welzijn is de kwaliteit van je leven — denk aan gezondheid, relaties of vrije tijd. Samen noem je dat brede welvaart.”
💡 Vandaag lezen we een krantenartikel over stijgende inflatie.
Vraag aan de klas: wat denk je dat de belangrijkste oorzaak is die dit artikel gaat noemen voor de huidige prijsstijgingen? Kort een paar leerlingen laten voorspellen.
Noteer terwijl je leest:
1. De oorzaken van de huidige inflatie (landen, conflicten, vaarroutes).
2. Wat vakbonden volgens het artikel gaan eisen, en waarom.
Martin Visser · Prijspiek voor gas en benzine moet nog komen
Artikel downloaden / printenIn het artikel eisen vakbonden hogere lonen vanwege de inflatie.
Bespreek in tweetallen: als werknemers daardoor meer gaan verdienen, wat doen bedrijven dan waarschijnlijk met hún prijzen? En wat betekent dat voor de inflatie die daarna weer ontstaat?
Docenttip — alleen voor jou zichtbaar
“Jullie hebben net zelf de loon-prijsspiraal ontdekt: hogere lonen → hogere kosten voor bedrijven → hogere prijzen → weer meer inflatie → weer hogere loonseisen. Dat is precies hoe lonen en prijzen elkaar kunnen beïnvloeden, wat we vandaag gaan bestuderen naast de oorzaken en gevolgen van inflatie.”
💡 Het Nibud adviseert om niet meer dan de helft van je inkomen te besteden aan vaste lasten.
Stemming: denk je dat de meeste huishoudens in Nederland zich hieraan houden? Ja / Nee / Geen idee — handen omhoog!
Terwijl je leest, kom je drie belangrijke getallen tegen. Vul ze in:
Van onze verslaggever
Artikel downloaden / printenWerk samen, 5 minuten. Stel: je verdient €1.400 per maand.
Verdeel dit bedrag over vaste lasten (maximaal volgens het Nibud-advies), dagelijkse uitgaven, en een bedrag om te reserveren voor incidentele uitgaven.
Docenttip — alleen voor jou zichtbaar
Antwoordmodel "vind de cijfers": 1 op de 3, €188 per maand, 50%.
Antwoordmodel budgetplan (richtlijn): vaste lasten max. €700 (50% van €1.400), de rest (€700) te verdelen tussen dagelijkse uitgaven en reservering — er is geen exact juist antwoord, het gaat om een realistische, onderbouwde verdeling.
“Jullie hebben net zelf een eerste budgetplan gemaakt en de drie soorten uitgaven toegepast: vaste lasten, dagelijkse uitgaven en een reservering voor incidentele uitgaven. Dat gaan we vandaag verder uitwerken, inclusief hoe je bedragen omrekent naar dezelfde periode.”
💡 De AFM (de toezichthouder) zegt dat veel Nederlanders te veel sparen en te weinig beleggen.
Stemming: denk jij dat sparen op dit moment nog steeds slim is, of juist niet? Handen omhoog.
1. Zoek het rekenvoorbeeld op: hoeveel is €20.000 spaargeld na 20 jaar nog wáard (in koopkracht), door de inflatie?
2. Zoek de laatste zin van het artikel op (het citaat onderaan) en noteer: welke reden om te sparen en welk kenmerk van beleggen worden daar genoemd?
Thomas van Ossenbruggen
Artikel downloaden / printenBespreek: hoe kan het dat er na 20 jaar nog gewoon €20.000+ (plus rente) op de rekening staat, maar dat het volgens het artikel toch nog maar €14.900 wáárd is?
Docenttip & antwoordmodel — alleen voor jou zichtbaar
Antwoordmodel "tijdens het lezen": 1. €14.900. 2. "Sparen doe je voor je rust, beleggen voor het rendement" — sparen = rust/zekerheid, beleggen = kans op (hoger) rendement.
“Jullie hebben net ontdekt wat inflatie met spaargeld doet: het bedrag zelf groeit misschien iets door rente, maar wat je ermee kunt kopen (de koopkracht) kan alsnog dalen. Dat gaan we vandaag doorrekenen met enkelvoudige en samengestelde rente — en we kijken ook naar het alternatief dat in dit artikel steeds terugkomt: beleggen.”
💡 Klarna is een dienst waarmee je online "eerst kopen, later betalen" kunt kiezen — zonder dat het meteen als een lening voelt.
Stemming: vind jij dit een handige service, of eigenlijk een risico? Handen omhoog.
1. Met hoeveel procent kan je schuld toenemen als je niet op tijd betaalt?
2. Waar verdient Klarna eigenlijk aan, als niet aan rente?
Joost Bolten
Artikel downloaden / printenKlarna wordt door de stichting SMC gezien als een kredietverstrekker, met dezelfde plichten als een bank.
Bespreek samen: waarom voelt "eerst kopen, later betalen" voor veel mensen niet aan als een lening, terwijl het dat volgens het artikel wél is?
Docenttip & antwoordmodel — alleen voor jou zichtbaar
Antwoordmodel "vind de feiten": 1. 15%. 2. Aan transactiekosten die het bij webshops in rekening brengt, plus incasso- en herinneringskosten.
Denkrichting duo-vraag: er wisselt geen contant geld van hand, de woorden "lening" of "rente" worden niet gebruikt, het gaat vaak om kleine bedragen per aankoop, en je hebt je bestelling meteen in huis — het voelt daardoor dichter bij "gewoon shoppen" dan bij "geld lenen bij de bank".
“Klarna verdient niet aan rente, maar wél aan transactie-, incasso- en herinneringskosten die net zo goed uit je portemonnee komen — dat noemen we samen de kredietkosten. Het feit dat het niet aanvoelt als lenen, maakt het juist extra belangrijk om te herkennen wanneer je eigenlijk een lening afsluit. Dat gaan we vandaag verder uitwerken.”
💡 Vraag aan de klas: denk je dat banken op dit moment veel winst maken, of weinig? Handen omhoog bij "veel", omlaag bij "weinig".
1. Noteer de winstcijfers en de spaarrentes van Rabobank en ING.
2. Noteer minstens twee dingen die banken volgens het artikel dóen met het spaargeld, én minstens één kritiekpunt uit het artikel op wat banken daarmee ook financieren.
Valerie Schreur, projectleider Eerlijke Bankwijzer
Artikel downloaden / printenBespreek samen, in twee stappen:
1. Een bank haalt geld op bij spaarders (aanbod van geld) én leent geld uit aan mensen en bedrijven (vraag naar geld). Bedenk: waarom hebben spaarders eigenlijk weinig andere keuze dan hun geld bij een bank te zetten, ook al is de rente laag?
2. Als spaarders toch massaal hun geld naar de bank blijven brengen, ook bij een lage rente: wat betekent dat voor hoe hoog een bank de rente hóéft te maken om genoeg spaargeld binnen te krijgen?
Docenttip & antwoordmodel — alleen voor jou zichtbaar
Antwoordmodel "analyseren": 1. Rabobank €5 miljard winst, spaarrente 1,2-1,4%; ING €6 miljard winst, spaarrente 1-1,6%. 2. Banken gebruiken spaargeld voor hypotheken en leningen aan bedrijven; kritiekpunt: banken doen onvoldoende tegen belastingontwijking bij bedrijven waarin ze investeren, en investeren nog altijd veel in fossiele energie.
“Jullie hebben nu zelf ontdekt dat de bank als tussenpersoon fungeert tussen spaarders (aanbod van geld) en leners (vraag naar geld) — en dat een bank de hoogte van de rente mede kan bepalen doordat spaarders weinig alternatieven hebben. Dat is precies de kern van hoe rente tot stand komt en hoe banken daaraan verdienen (de rentemarge), wat we vandaag gaan uitwerken.”
Stelling:
“Een Nederlandse fietsenfabriek dreigt failliet te gaan, omdat elektrische fietsen uit China 40% goedkoper zijn. De Nederlandse overheid moet een importheffing invoeren op Chinese e-bikes — ook al worden e-bikes daardoor duurder voor iedereen die er een wil kopen.”
Sta op als je het eens bent, blijf zitten als je het oneens bent. Bespreek kort met je buurman/buurvrouw waarom.
Hans van Soest · Alarmerend rapport: adviesorgaan waarschuwt voor afhankelijkheid van China en VS
Artikel downloaden / printen (PDF)Zoek bij het kopje “Handel scheefgetrokken” de twee manieren op waarop het artikel zegt dat China ervoor zorgt dat zijn producten goedkoper zijn dan die van Europese bedrijven.
Ab Klink noemt in het artikel drie mogelijke maatregelen die Europa zou kunnen nemen. Bedenk met je duo-partner voor elke maatregel een concreet voorbeeld: wat zou dit betekenen voor een Nederlands bedrijf, of voor jou als consument? Vertel het gewoon in je eigen woorden — je hoeft de moeilijke woorden uit het artikel niet te gebruiken.
Docenttip — alleen voor jou zichtbaar
Antwoordmodel “tijdens het lezen”: China houdt (1) de koers van zijn munt kunstmatig laag én (2) geeft bedrijven veel staatssteun (subsidies), en houdt ook de lonen laag. Hierdoor kunnen Chinese producten goedkoper worden aangeboden dan wat Europese bedrijven kunnen evenaren — niet omdat ze efficiënter produceren, maar omdat de overheid meehelpt.
Antwoordmodel “na het lezen” (voorbeelden):
Koppeling theorie §7.2: de leerlingen hebben zojuist zelf drie protectiemaatregelen bedacht (invoerheffing, investeringslimiet, wisselkoersbeleid) zonder de term te kennen. Introduceer nu de vakterm, samen met concurrentiepositie, internationale arbeidsverdeling en de rol van de WTO bij het bewaken van vrijhandel.
Stelling:
“Vanaf een bepaald inkomen maakt extra geld je niet meer gelukkiger.”
Sta op als je het eens bent, blijf zitten als je het oneens bent. Bespreek kort met je buurman/buurvrouw waarom.
Johan Graafland · Hoogleraar economie, onderneming en ethiek, Universiteit Tilburg
Artikel downloaden / printen (PDF)Het artikel vergelijkt bij “Nieuwe inzichten” een oud idee (uit de jaren ’70) met nieuw onderzoek van Kahneman. Vul in wat het verschil is.
De auteur noemt drie verklaringen waarom in arme landen vooral je inkomen vergeleken met anderen telt, en in rijke landen ook gewoon je eigen inkomen op zich. Kies er met je duo één uit, en bedenk samen een herkenbaar voorbeeld — uit jullie eigen leven, familie of omgeving — dat deze verklaring illustreert. Gebruik je eigen woorden, geen moeilijke termen uit het artikel.
Docenttip — alleen voor jou zichtbaar
Antwoordmodel “tijdens het lezen”:
Antwoordmodel “na het lezen” (voorbeelden ter illustratie, niet uitputtend):
Koppeling theorie §8.1: de leerlingen hebben nu zelf ontdekt dat welvaart (inkomen) niet hetzelfde is als welzijn/geluk — en dat naast het inkomen per hoofd ook zaken als gemeenschapszin, vertrouwen en (on)gelijkheid meewegen bij hoe welvaart zich vertaalt naar geluk. Introduceer nu de vaktermen welvaart, welzijn en BBP per hoofd van de bevolking.
Stelling:
“Kan AI een uitkomst zijn voor ontwikkelingslanden?”
Ga fysiek op de lijn staan die jouw mening weergeeft. De docent vraagt kort aan twee leerlingen — één links, één rechts — waarom ze daar staan.
Nienke Schipper · redactie duurzaamheid & economie
Artikel downloaden / printen (PDF)Zoek het citaat “Volgens de Wereldbank moeten we eerst bedenken wat het nuttigst is dat AI kan doen” op. Is het antwoord van de Wereldbank op de stelling waar je net over stond “ja”, “nee”, of iets ertussenin?
Stelling:
“Wordt door AI de verschillen in ontwikkeling groter of kleiner?”
Bespreek dit met je duo-partner. Zoek in het artikel minstens twee voorbeelden die jullie standpunt ondersteunen, en schrijf ze op in je eigen woorden.
Docenttip — alleen voor jou zichtbaar
Antwoordmodel “tijdens het lezen”: Iets ertussenin — de Wereldbank zegt niet “nee, AI helpt niet”, maar ook niet klakkeloos “ja”. Hun punt: AI kan wél een uitkomst zijn, maar alleen als de technologie is afgestemd op de lokale situatie (weinig stroom, geen snel internet, lokale taal) — niet door simpelweg de grote westerse AI-modellen te “exporteren”.
Antwoordmodel “na het lezen” (voorbeelden uit het artikel):
Koppeling theorie §8.2: dit sluit aan bij “oorzaken van economische achterstand” — technologische achterstand is hier zichtbaar niet als vast gegeven, maar als iets dat zowel groter (de AI-kloof) als kleiner (gerichte lokale toepassingen) kan worden. Het Ghana-voorbeeld uit het artikel is een mooie brug naar Ama uit §8.1 t/m §8.3: zou een tool zoals het WhatsApp-wiskundeprogramma ook Ama kunnen helpen?
Kijk naar deze foto. Dit Nederlandse marineschip is met spoed onderweg naar een land dat getroffen is door een zware aardbeving.
Duo-overleg: wat weegt op dit moment zwaarder voor de economie van dat land?
A) Zorgen dat mensen vandaag te eten, schoon drinkwater en medische zorg hebben.
B) Een grote lening afsluiten om direct nieuwe, aardbevingsbestendige wegen, scholen en fabrieken te bouwen.
Bespreek dit kort met je duo-partner. De docent vraagt daarna twee leerlingen naar hun keuze.
Bob van der Laan · Den Helder
Artikel downloaden / printen (PDF)We gaan nu de tekst lezen over de inzet van Zr.Ms. Groningen. Let tijdens het lezen heel goed op: noteer alles in de tekst wat gaat over hulp die er is om de eerste, dringende nood te lenigen — dus wat er nú meteen nodig is.
Bedenk daarna zelf één voorbeeld van hulp die dit land ná deze ramp nodig heeft om het blijvend beter op te bouwen (dus niet voor morgen, maar voor de komende jaren).
Nederland biedt Venezuela een grote lening aan voor de wederopbouw, maar stelt als harde eis dat Venezuela alle machines daarvoor in Nederland moet kopen. De Wereldbank biedt ook een lening aan, maar zonder zulke eisen — Venezuela mag zelf bepalen waar het de machines koopt.
Welke lening helpt de economie van Venezuela op de lange termijn het beste vooruit, denk je? En waarom?
Docenttip — alleen voor jou zichtbaar
Antwoordmodel “vóór het lezen”: de klas kiest vrijwel unaniem A — dat is precies de bedoeling. Dit is de brug naar het begrip noodhulp.
Antwoordmodel “tijdens het lezen”: voorbeelden van noodhulp uit de tekst: voedsel, drinkwater, medische hulpgoederen, de NH90-helikopter en FRISC-vaartuigen om moeilijk bereikbare gebieden te bereiken, het waterzuiveringssysteem aan boord, de internationale hulpoperatie met 1.600+ hulpverleners. Voorbeelden van structurele hulp die de leerling zelf kan bedenken: nieuwe aardbevingsbestendige woningen/wegen/scholen, investeringen in de gezondheidszorg, technische kennisoverdracht.
Antwoordmodel “na het lezen”: de lening van de Wereldbank (ongebonden hulp) helpt de economie van Venezuela op de lange termijn het beste vooruit. Bij de Nederlandse lening (gebonden hulp) is Venezuela verplicht om duurdere of minder passende Nederlandse machines te kopen, ook als er goedkopere of beter passende alternatieven bestaan. Bij een ongebonden lening kan Venezuela zelf de beste prijs-kwaliteitverhouding zoeken en het geld optimaal besteden aan wat het land daadwerkelijk nodig heeft.
Koppeling theorie §8.3: introduceer nu de vaktermen noodhulp, structurele hulp, gebonden hulp en ongebonden hulp, en koppel ze terug aan wat de leerlingen net zelf hebben genoteerd en beredeneerd.
Stel, een pak Fairtrade-koffie kost in de Nederlandse supermarkt €6,00. Hoeveel van die 6 euro gaat er op dit moment rechtstreeks naar de boeren die de koffie verbouwen? Wat gokken jullie?
Klassikale stemming — de docent noteert de verdeling. Het echte antwoord lees je zo in het artikel.
Ruerd Ruben · emeritus hoogleraar ontwikkelingseconomie, Wageningen Universiteit
Artikel downloaden / printen (PDF)Noteer de oorzaken waardoor het inkomen van de boeren nu zo sterk schommelt.
Noteer de drie oplossingen die de hoogleraar aandraagt.
In deze paragraaf leer je wat Fairtrade precies is en hoe het werkt. Bedenk met je duo: als Fairtrade de prijzen al met 20 tot 30% heeft verhoogd, maar boeren nog steeds geen leefbaar inkomen hebben — is Fairtrade dan mislukt, of gewoon nog niet genoeg? Onderbouw met minimaal één argument uit het artikel.
Docenttip — alleen voor jou zichtbaar
Antwoordmodel “vóór het lezen”: C — slechts 5 tot 10% van de consumentenprijs komt bij de boer terecht (expliciet genoemd bij het derde verbeterpunt in het artikel).
Antwoordmodel “tijdens het lezen”:
Antwoordmodel “na het lezen”: beide standpunten zijn verdedigbaar — dit is bewust een open vraag. Fairtrade heeft wél concrete verbeteringen bereikt (hogere prijzen, gecertificeerde productie, veiligere arbeidsomstandigheden), maar het artikel laat zien dat het niet voldoende is: er ontbreken harde, afdwingbare afspraken over de daadwerkelijke inkomensverdeling.
Koppeling theorie §8.4: dit is een directe opmaat naar de begrippen Fairtrade en maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) — de leerlingen hebben nu zelf gezien wat de beperkingen van het huidige Fairtrade-systeem zijn, voordat de theorie het definieert. Dit hoofdstuk sluit ook de verhaallijn van Ama uit §8.1 t/m §8.3: haar familie is cacaoboer, precies de doelgroep die dit artikel bespreekt.
💡 Kijk hieronder alleen naar de titels en de twee gekleurde tabellen (rood en groen) — lees nog niet de lopende tekst.
Vraag: wat betekent het als er een −% (een minteken) bij een percentage staat in de groene tabel? Wat is het verschil met de rode tabel?
Lees de korte tekst onder de kop "Bio-ketchup negen keer zo duur". Noteer alle woorden die te maken hebben met rekenen of verandering (zoals stijgen, toenemen, gemiddeld, procent, keer zoveel).
De Volkskrant · Cijfers bij het nieuws · samenstelling Dana Holscher
Artikel downloaden / printenIn de tekst staat: "Bio-ketchup is gemiddeld negen keer zo duur als het huismerk". In de rode tabel staat er 796% achter ketchup.
Bespreek in tweetallen: hoe kan iets "negen keer zo duur" zijn, maar er toch "796%" staan? Waar komt die 796% vandaan?
Docenttip — alleen voor jou zichtbaar
Dit is het perfecte bruggetje naar je uitleg op het bord:
“Jullie hebben net gezien dat biologische ketchup 9 keer zo duur is, maar er staat 796% bij. Stel: een gewone fles ketchup kost precies €1,00. Als de biologische variant 9 keer zo duur is, wat kost die fles dan?” (laat leerlingen antwoorden: €9,00)
“Goed. De prijs stijgt dus van €1,00 naar €9,00. Er komt dus €8,00 bij. En die €8,00 die erbij komt... dát is die bijna 800% (796%) stijging! Vandaag gaan we leren hoe je zo’n procentuele verandering met een vaste formule precies uitrekent.”
💡 Stel: jij bent CEO van Coolblue. Naast je zit MediaMarkt — jullie verkopen dezelfde wasmachine voor €500 (kostprijs €300). Als jij de prijs verlaagt naar €400, komen meer klanten naar jou, maar verdien je wel minder per stuk.
Wat denk jij dat er gebeurt als je de prijs verlaagt? Noteer in één zin je voorspelling, vóórdat je verdergaat.
✎ Mijn voorspelling
Noteer tijdens het lezen de ene zin die volgens jou het beste uitlegt waarom een laagsteprijsgarantie ervoor zorgt dat bedrijven de prijs júist niet verlagen.
✎ Die zin is
Tijdgeest · zaterdag 25 oktober 2025 · Jona van Loenen — Undercover econoom
Artikel downloaden / printenBedenk zelf een voorbeeld uit het dagelijks leven waarbij bedrijven proberen jou over te halen om als klant te komen of te blijven, terwijl dat eigenlijk vooral in het voordeel van het bedrijf werkt (en niet zozeer in jouw voordeel als consument). Schrijf het kort op — we bespreken een paar voorbeelden klassikaal.
✎ Mijn voorbeeld
Koppeling aan de theorie van H2 §3:
De laagsteprijsgarantie is een oplossing voor het gevangenendilemma via geloofwaardige zelfbinding: door zich vooraf publiekelijk te binden aan “we passen de prijs altijd aan”, ontneemt het bedrijf zichzelf de mogelijkheid om te profiteren van een prijsverlaging van de concurrent — en daarmee verdwijnt ook de prikkel voor de concurrent om zelf te verlagen. Beide bedrijven kiezen zo hun dominante actie ("prijs niet verlagen"), wat resulteert in een hogere, stabiele prijs voor de consument.
Drie eigen voorbeelden voor de klassikale bespreking bij opdracht ③:
1. Benzinestations naast elkaar met bijna identieke prijzen — vaak dankzij prijsvolgsoftware die automatisch de concurrent volgt, waardoor geen van beiden nog een prikkel heeft om als eerste te verlagen.
2. “Beste prijs gegarandeerd” bij boekingssites zoals Booking.com — als de site zelf zo'n garantie geeft, verliezen hotels de prikkel om elkaar te beconcurreren op de site.
3. Klantenkaarten/spaarprogramma's (bijv. AH Bonuskaart) — lijken voordelig, maar binden je aan één winkelketen, waardoor die keten minder concurrentiedruk voelt.
💡 Stel: jij bent de baas van een Aldi-supermarkt. Aan de overkant van de straat zit je grootste concurrent: een Lidl. Jullie verkopen allebei een pak huismerk-cola voor €1,00. Als jij de prijs verlaagt naar €0,70, komen alle klanten naar jouw winkel — maar je verdient wel minder per pak.
Wat doe jij? Stem klassikaal (hand opsteken):
A — Ik houd mijn prijs op €1,00, want dat levert de meeste winst op als we dat allebei doen.
B — Ik verlaag mijn prijs naar €0,70, om de concurrent te slim af te zijn.
Zoek in het artikel de uitspraak van retailbankier Dirk Mulder over wat er met de prijzen en de marges van supermarkten gebeurt. Schrijf in de kantlijn — hieronder — in één zin, in je eigen woorden:
Waarom verlagen supermarkten hun prijzen tóch, ook al weten ze dat ze daardoor minder overhouden?
✎ Mijn antwoord
Algemeen Dagblad · donderdag 21 mei 2026 · Jeroen Kortschot
Artikel downloaden / printenWerk in tweetallen. Schrijf voor elk van de volgende vier situaties tussen Aldi en Lidl in gewone tekst op wat er volgens jullie gebeurt — wie krijgt de meeste klanten, en wie verdient het meest?
Situatie A — Aldi en Lidl houden allebei hun prijs hoog
Situatie B — Aldi verlaagt de prijs, Lidl houdt hem hoog
Situatie C — Lidl verlaagt de prijs, Aldi houdt hem hoog
Situatie D — Aldi én Lidl verlagen allebei de prijs
Klassikale oogst & de brug naar de theorie:
Vraag een paar duo's naar hun antwoorden bij situatie A t/m D. Gebruik dit als opening van de module, vóór §1 (wederzijdse afhankelijkheid): Aldi en Lidl beïnvloeden elkaars winst met hun keuzes — dat is precies wat §1 bedoelt met wederzijdse afhankelijkheid. Teken vervolgens live op het bord een leeg vierkant met vier vakken en zeg: “Wat jullie net in tekst hebben opgeschreven, gaan economen straks in §2 overzichtelijk maken in een wiskundig model: de opbrengstenmatrix.”
Koppeling aan theorie M5 H1: §1 Wederzijdse afhankelijkheid (deze casus) → §2 Gelijktijdig kiezen (opbrengstenmatrix) → §3 Volgtijdelijk kiezen.
Stelling — klassikaal
“Over 10 jaar zorgt AI ervoor dat wij nog maar 15 uur per week hoeven te werken.”
Eens of oneens? Bespreek dit kort met de klas vóórdat je het artikel leest.
Houd tijdens het lezen een tabel bij met twee kolommen.
Kolom 1
Voorbeelden van absolute behoeften uit het artikel (zoals onderdak en voedsel)
Kolom 2
De definitie van relatieve behoeften + voorbeelden uit het artikel
de Volkskrant · zaterdag 27 december 2025 · Frank Kalshoven
Artikel downloaden / printenBegrip — schaarste
Economen definiëren schaarste als de spanning tussen onbeperkte behoeften en beperkte middelen.
Beantwoord in groepjes de volgende vraag:
“Als AI zorgt voor een overvloed aan middelen (minder schaarste), waarom lossen onze behoeften dan volgens het artikel nooit helemaal op?”
Koppeling aan theorie H1 §1:
Schaarste & behoeften — dit artikel is een directe aanleiding voor het onderscheid tussen absolute en relatieve behoeften, een kernbegrip uit deze paragraaf.
Productiefactoren — AI is hier een vorm van kapitaal dat arbeid vervangt; goede aanknoping voor de vier productiefactoren.
Voor/tegen-argumenten bij de Keynes-paradox:
✅ Behoeften lossen nooit op: zodra absolute behoeften vervuld zijn, ontstaan er relatieve behoeften (vergelijken met anderen) — die zijn per definitie onverzadigbaar, schrijft Keynes zelf.
❌ Tegenargument om uit te dagen: als AI ook positie-goederen (zoals status) goedkoper maakt, kan relatieve schaarste alsnog afnemen — laat leerlingen hier kritisch op doorvragen.
Didactische tip: leg na de discussie de brug naar §1.1: schaarste ontstaat niet alleen door te weinig middelen, maar ook doordat behoeften meegroeien met wat beschikbaar is.
Een concertticket voor Lady Gaga had een originele prijs van €160. Op Marktplaats wordt het nu doorverkocht voor €800. Hoe kan dat? Schrijf in een paar zinnen op wat jij denkt dat de reden is.
Vul tijdens het lezen een oorzaak-gevolgschema in: noteer in de linkerkolom alle oorzaken die je in het artikel vindt voor de hoge doorverkoopprijzen, en in de rechterkolom welk gevolg dat heeft voor fans die een ticket willen kopen.
Oorzaak
Gevolg voor de fan
De Limburger · zaterdag 8 november 2025 · Rosanne de Jong (De Telegraaf)
Artikel downloaden / printenNeem een standpunt in en onderbouw dat met minstens één argument uit het artikel:
Stelling
“Als jij €800 wíl betalen voor een Lady Gaga-ticket, dan is dat jouw eigen keuze — en heb je dus nergens over te klagen, ook al is de prijs vijf keer hoger dan normaal.”
Koppeling aan theorie M1 H1 §1:
Schaarste & aanwendingsrichting — concerttickets zijn een schoolvoorbeeld van een schaars middel: vast aantal plekken, veel vraag. Dit artikel laat zien hoe extreem de prijs kan oplopen wanneer vraag het aanbod ver overtreft. Leg na de stelling de brug: “Wat jullie nu bespraken — is die hoge prijs gerechtvaardigd? — heet in de economie de nettobaten-afweging.”
Nettobaten — bij een doorverkocht ticket is de bate onzeker (kans op een nep-ticket), wat de nettobaten-berekening lastiger maakt dan bij een gewone aankoop. Goede aanleiding om straks in de theorie te bespreken dat baten niet altijd zeker zijn.
Voor/tegen-argumenten bij de stelling:
✅ Eens: in een vrije markt bepaalt de koper zelf wat iets hem waard is — als iemand bereid is €800 te betalen, is dat zijn eigen, vrije afweging (zijn nettobaten zijn voor hem positief).
❌ Oneens: bij doorverkoop is er geen garantie op een geldig ticket (zie het artikel: kaarten die “meervoudig zijn aangeboden”) — de koper neemt een risico dat hij bij de oorspronkelijke verkoop niet had. De kosten-kant van zijn nettobaten-afweging is dus onzekerder dan bij een normale aankoop.
Didactische tip: schaarste alleen verklaart niet de hoge prijs — het is de combinatie van schaarste én sterke vraag (populariteit van de artiest) die de prijs opdrijft. Vergelijk met een schaars maar onpopulair goed: dat heeft geen hoge prijs.
Vliegtickets zijn in twee maanden tijd 40% duurder geworden. Stel je had vorig jaar genoeg geld voor een vliegticket én een hotel voor je vakantie. Wat verandert er nu voor jou als alles duurder wordt, maar je budget gelijk blijft? Schrijf in een paar zinnen op wat jij denkt.
Bekijk de top-15 grafiek in het artikel. Noteer de drie producten die het meest in prijs zijn gestegen, en zoek voor elk in de tekst op wat daar volgens de economen de reden van is.
De Telegraaf · donderdag 21 mei 2026 · Martin Visser
Artikel downloaden / printenNeem een standpunt in en onderbouw dat met minstens één argument uit het artikel:
Stelling
“Als alles duurder wordt, moet de overheid mensen extra geld geven zodat ze nog evenveel kunnen kopen als vroeger.”
Koppeling aan theorie M1 H1 §2:
Budgetlijn & prijsverandering — dit artikel laat zien hoe een prijsstijging de budgetlijn doet kantelen: met hetzelfde inkomen kun je minder kopen. Leg na de stelling de brug: “Wat jullie nu bespraken — minder kunnen kopen met hetzelfde geld — heet in de economie een verschuiving van de budgetlijn.”
Budgetverandering — compensatie door de overheid (extra geld geven) zou de budgetlijn terug naar de oorspronkelijke positie verschuiven. Dat is een budgetverandering, in tegenstelling tot de prijsverandering die het artikel beschrijft.
Voor/tegen-argumenten bij de stelling:
✅ Eens: koopkracht behouden voorkomt dat de laagste inkomens het hardst getroffen worden door prijsstijgingen die ze niet kunnen beïnvloeden.
❌ Oneens: extra geld in omloop kan de inflatie juist verder aanjagen (zie het monetair-beleid-mechanisme uit H3), en moet door de overheid wel ergens vandaan komen — bijvoorbeeld via hogere belastingen.
Didactische tip: vraag leerlingen na de stelling welke van de 15 prijsstijgingen uit de grafiek hen het meest persoonlijk zou raken (denk aan kinderschoenen, kermis/attractieparken, spelcomputers) — dat maakt de abstracte budgetlijn invoelbaar.
Op een speelgoedruilbeurs in Emmeloord konden kinderen hun oude speelgoed inleveren en daarmee ander, tweedehands speelgoed “kopen” — maar zonder dat er geld werd gebruikt. Hoe zou zoiets kunnen werken zonder geld? Schrijf in een paar zinnen op wat jij denkt dat de oplossing was.
Beschrijf in je eigen woorden hoe het muntjessysteem van de ruilbeurs precies werkte: wat moest je inleveren, wat kreeg je terug, en wie bepaalde hoeveel iets waard was?
Stad & Streek · maandag 10 november 2025 · Wim Schluter
Artikel downloaden / printenNeem een standpunt in en onderbouw dat met minstens één argument uit het artikel:
Stelling
“Iedereen die meedeed aan de ruilbeurs is er evenveel op vooruitgegaan, omdat iedereen evenveel muntjes inleverde als ze weer uitgaven.”
Koppeling aan theorie M1 H2 §1:
Ruil & ruilverhouding — dit artikel is een directe, geldloze illustratie van ruil: de “Pionier van de Toekomst” bepaalt de ruilverhouding (hoeveel muntjes een stuk speelgoed waard is), vergelijkbaar met hoe Jim en Sven in de theorie hun schoenen tegen scheenbeschermers ruilen.
Wederzijds voordeel — leg na de stelling de brug: “Wat jullie nu bespraken — is gelijk aantal munten wel hetzelfde als een eerlijke ruil? — heet in de economie wederzijds voordeel: beide partijen moeten er beter van worden, niet alleen evenveel munten overhouden.”
Voor/tegen-argumenten bij de stelling:
✅ Eens: het systeem is op het oog symmetrisch — iedereen krijgt evenveel munten als hij inlevert, dus formeel gelijk.
❌ Oneens: de waarde van het ingeleverde en het meegenomen speelgoed kan flink verschillen — in het artikel kreeg iemand een grote speelgoedkeuken voor maar één muntje. Gelijk aantal munten betekent dus niet automatisch een gelijke ruil in waarde.
Didactische tip: vraag leerlingen waarom de organisatie op een gegeven moment geen babyspeelgoed meer accepteerde. Dat raakt aan autarkie versus ruil: te veel aanbod van één soort goed verstoort de ruilverhouding (te veel aanbod, te weinig vraag naar net dat goed).
💡 Stel: de bouw van twee nieuwe kerncentrales in Zeeland gaat zo’n 14,5 miljard euro kosten — betaald door de overheid. Geen enkel bedrijf wil dat bedrag zelf investeren: de centrales zijn pas over tien jaar klaar, en het duurt tientallen jaren voordat de investering is terugverdiend.
Stemming: Moet de overheid dit soort megaprojecten zelf bouwen en betalen, ook al duurt het decennia voordat het iets oplevert — of moet ze dit gewoon aan bedrijven overlaten? Zelf bouwen / Aan de markt overlaten — handen omhoog!
Zoek in het artikel de passage waarin gedeputeerde Aalberts zegt dat Zeeland “structureel sterker” moet worden van de komst van de centrales. Schrijf in één zin op: wat bedoelt hij daarmee, denk je?
✎ Mijn antwoord
De Telegraaf · zaterdag 30 mei 2026 · Theo Besteman
Werk samen met je buurman/buurvrouw. Bedenk samen: waarom bouwt de overheid dit soort centrales zelf, in plaats van dat een willekeurig bedrijf dit doet? En wie betaalt er nu eigenlijk, en wie profiteert er straks van? Schrijf het in jullie eigen woorden op (2–3 zinnen), zonder economische vaktermen.
✍ Ons antwoord
💡 Nederland zit aan de grens van de arbeidsmarkt: bijna iedereen die kan werken, werkt al. Toch moet de economie blijven groeien — voor pensioenen, zorg, defensie.
Stemming: Als er geen extra mensen bij kunnen komen op de arbeidsmarkt, moet economische groei dan vooral komen van “harder werken” of van “slimmer werken” (technologie/innovatie)? Harder werken / Slimmer werken — handen omhoog!
Zoek de twee cijfers die samen de stijging van 2,4% verklaren (economische groei én verandering in gewerkte uren). Leg in twee zinnen uit hoe deze twee cijfers samen tot die stijging leiden.
✎ Mijn antwoord
NRC · donderdag 5 juni 2025 · Connie de Jonge
Werk samen met je buurman/buurvrouw. In het artikel twijfelt de CBS-econoom zélf of deze stijging blijvend is, of dat het eigenlijk een correctie is. Bedenk samen: welk bewijs uit het artikel pleit vóór “blijvende verbetering”, en welk bewijs pleit vóór “tijdelijke correctie”? Noteer minimaal één argument per kant.
🟢 Argument vóór blijvende verbetering
🔴 Argument vóór tijdelijke correctie
💡 Vorig jaar werkten Nederlanders iets minder uren, maar de economie groeide toch flink. Hoe kan dat?
Stemming: Denk je dat een land alleen rijker kan worden als mensen meer uren werken, of kan dat ook zonder? Meer uren nodig / Kan ook zonder — handen omhoog!
Zoek in het artikel het percentage waarmee de arbeidsproductiviteit steeg. Schrijf in eigen woorden op wat dit getal betekent.
✎ Mijn antwoord
NRC · donderdag 5 juni 2025 · Connie de Jonge
Bespreek samen: hoe kan een bedrijf meer produceren zonder meer uren te werken? Bedenk samen één voorbeeld.
✍ Ons voorbeeld
💡 Een pakje sigaretten kost al snel €9 of meer. Een groot deel daarvan is belasting die je aan de overheid betaalt: de accijns.
Stemming: Vind je het terecht dat de overheid sigaretten expres duur maakt met belasting, of vind je dat oneerlijk tegenover rokers? Terecht / Oneerlijk — handen omhoog!
Zoek in het artikel hoeveel euro belasting je nu minimaal betaalt per pakje sigaretten. Is dat meer of minder dan tien jaar geleden?
✎ Mijn antwoord
de Volkskrant · bron: CBS, RIVM, Trimbos Instituut
Bespreek samen: waarom belast de overheid juist sigaretten extra, en geen appels? Bedenk samen één reden.
✍ Onze reden
💡 Stel: de overheid verhoogt de belasting op sigaretten flink, in de hoop dat mensen minder gaan roken. Rokers zijn boos — maar de overheid verdient óók nog steeds geld aan elke sigaret die wél verkocht wordt.
Stemming: Mag de overheid via hogere belastingen proberen jouw gedrag te sturen (zoals roken minder aantrekkelijk maken), of moet iedereen gewoon zelf mogen kiezen? Overheid mag sturen / Ieder z’n eigen keuze — handen omhoog!
Zoek in het artikel de zin waarin staat dat rokers steeds vaker hun sigaretten in het buitenland kopen. Schrijf in één zin op: waarom is dit een probleem voor de Nederlandse schatkist?
✎ Mijn antwoord
de Volkskrant · bron: CBS, RIVM, Trimbos Instituut
Werk samen met je buurman/buurvrouw. Bedenk: de overheid wil minder rokers, maar verdient ook geld aan tabak. Is dat tegenstrijdig, of kan dat prima naast elkaar bestaan? Schrijf jullie antwoord in eigen woorden op (2–3 zinnen), nog zonder vaktermen.
✍ Ons antwoord
💡 Nederland geeft soms meer geld uit dan het binnenkrijgt. Dan moet het land geld lenen — net als jij soms geld leent van je ouders.
Stemming: Vind je het normaal dat een land soms schulden heeft, of moet een land altijd precies zoveel uitgeven als het binnenkrijgt? Schulden mogen soms / Altijd precies gelijk — handen omhoog!
Zoek op hoeveel procent de staatsschuld van Nederland ongeveer is. Is dat veel of weinig vergeleken met de andere landen in het artikel?
✎ Mijn antwoord
NRC · Rik Rutten, Brussel
Bespreek samen: is lenen door een land altijd slecht, of kan het ook slim zijn? Bedenk samen één voorbeeld waarbij lenen goed uitpakt.
✍ Ons voorbeeld
💡 Stel: Nederland moet van de Europese Unie zorgen dat de staatsschuld onder een bepaalde grens blijft (60% van alles wat Nederland in een jaar verdient, het bbp). Brussel waarschuwt nu dat Nederland dichter bij die grens komt.
Stemming: Vind jij dat de EU mag bepalen hoeveel schuld een land als Nederland mag hebben, of moet Nederland dat zelf mogen beslissen? EU mag meebeslissen / Nederland beslist zelf — handen omhoog!
Zoek in het artikel de passage waarin staat dat een land in het “strafbankje” gezet kan worden. Schrijf in één zin op: wat betekent dit voor zo’n land, denk je?
✎ Mijn antwoord
NRC · Rik Rutten, Brussel
Werk samen met je buurman/buurvrouw. Eén van jullie is de Nederlandse minister van Financiën, de ander is woordvoerder van de Europese Commissie. Leg in eigen woorden uit: waarom maakt Brussel zich zorgen, en hoe reageert Nederland daarop? Schrijf per rol 2–3 zinnen op, nog zonder vaktermen.
👤 Rol: minister van Financiën
🏢 Rol: Europese Commissie
💡 Bekijk de krantenpagina hieronder. Lees alleen de titel, de foto en het onderschrift — nog niet de tekst.
De titel luidt ‘Stilte voor de financiële storm’. Drie grote toezichthouders — DNB, CPB en AFM — slaan tegelijkertijd alarm.
Schrijf in één zin op: wat verwacht jij dat er aan de hand is?
Vul in terwijl je leest:
✅ Economische begrippen waarvan ik de betekenis weet
❓ Economische begrippen waarvan ik de betekenis niet weet
Volkskrant · woensdag 27 mei 2026 · Door Michiel van der Geest
Bron: de Volkskrant, 27 mei 2026. Foto: Daniel Rosenthal / VK
Stelling
“Nederland hoeft zich geen zorgen te maken over de staatsschuld — die is laag. De overheid mag gerust meer geld lenen als er een crisis komt.”
Bekijk de vier afbeeldingen hieronder. Bij elke afbeelding staat alleen een nummer. Gebruik ze bij het beantwoorden van de vragen.
Lees alleen de kop: “Pakketje van buiten de EU kost straks 5 euro meer”
Je bestelt iets op Temu of AliExpress — dat pakketje kost straks €5 meer. Hoe kan het dat iets opeens duurder wordt? Schrijf op wie er volgens jou voor zorgt dat iets in prijs omhoog gaat — zonder het artikel te lezen.
Bron: Trouw · 3 april 2026
Zet een cirkel om elk begrip dat je niet kent terwijl je leest. Schrijf die begrippen hieronder op en probeer de betekenis te raden op basis van de context.
“Het is eerlijk dat online winkels uit Azië extra belasting betalen — Nederlandse winkels betalen ook belasting.”
Wie is het eens? Wie niet? Verdedig je standpunt met een argument uit het artikel of uit wat je al weet.
Antwoordmodel — MAVO 2 H7 §2
② Begrippen die leerlingen waarschijnlijk niet kennen
Gebruik de begrippen als instap voor de theorie: “Wat is belasting precies?”
③ Stelling — voor/tegen
✅ Vóór: Nederlandse webwinkels betalen al belasting (btw) en voldoen aan veiligheidseisen — goedkope import maakt eerlijke concurrentie onmogelijk.
❌ Tégen: consumenten worden er slechter van — €5 extra is voor mensen met weinig geld relatief veel; Temu en AliExpress zijn juist betaalbaar voor wie niet veel heeft.
Didactische tip: dit artikel is een perfecte aanleiding om het begrip indirecte belasting te introduceren. Koppeling theorie H7 §2: soorten belasting, overheidsuitgaven, gelijk speelveld als reden voor overheidsingrijpen.
Bekijk de vier afbeeldingen hieronder. Bij elke afbeelding staat alleen een nummer. Gebruik ze bij het beantwoorden van de vragen.
Lees alleen de kop: “Pakketje van buiten de EU kost straks 5 euro meer”
Je bestelt iets op Temu of AliExpress — dat pakketje kost straks €5 meer. Maar waarom eigenlijk? Schrijf in één zin op wat jij denkt dat de reden is — zonder het artikel te lezen.
Bron: Trouw · 3 april 2026
Noteer economische begrippen die je in het artikel tegenkomt. Schrijf bij elk begrip in je eigen woorden wat het betekent — of zet er een ❓ bij als je het niet weet.
“De EU doet er goed aan om extra heffingen te leggen op goedkope pakketjes uit Azië — dit beschermt onze eigen bedrijven.”
Wie is het eens? Wie niet? Verdedig je standpunt met een argument uit het artikel of uit de theorie van H8 §2 (vrijhandel en protectionisme).
Antwoordmodel — MAVO 3 H8 §2
② Begrippen die leerlingen kunnen noteren
③ Stelling — voor/tegen
✅ Vóór: gelijk speelveld (Europese webwinkels betalen al btw en voldoen aan veiligheidseisen) · heffing dekt douanekosten · ontmoedigt dumping van goedkope producten · andere EU-landen doen het ook
❌ Tégen: consumenten betalen meer, met name lage inkomens · protectionisme kan handelsconflicten uitlokken · goedkope import helpt mensen met weinig geld · vrije handel bevordert welvaartsgroei
Koppeling theorie H8 §2: vrijhandel vs. protectionisme, invoertarieven, WTO-regels, terms of trade.
Mijn naam is drs. A.J.C. Jonker, maar de meeste leerlingen kennen mij gewoon als meneer Jonker. Ik ben docent economie aan Stanislas Pijnacker. Ik geef les aan mavo, havo en vwo, zowel onderbouw als bovenbouw.
Vanuit mijn passie voor economie en onderwijs heb ik Econivo opgericht. Tijdens het lesgeven merkte ik dat veel leerlingen economie lastig vinden. Niet omdat ze het niet kunnen, maar omdat de uitleg soms te ingewikkeld of te theoretisch is. Daarom wilde ik een plek creëren waar economie duidelijk, overzichtelijk en begrijpelijk wordt uitgelegd — speciaal voor leerlingen van mavo, havo en vwo.
Met Econivo wil ik leerlingen helpen om stap voor stap meer inzicht en zelfvertrouwen te krijgen in economie. Op deze website vind je heldere uitleg, voorbeelden, oefeningen en samenvattingen die aansluiten op de lesstof van de middelbare school.
Mijn doel is simpel: economie begrijpelijk maken en leerlingen helpen betere resultaten te behalen.
Vragen of opmerkingen? Stuur een bericht naar jonj@stanislaspijnacker.nl
Finn is 13 en krijgt €10 zakgeld per week. Hij wil een FIFA-uitbreiding van €25, nieuwe voetbalschoenen én een bioscoopkaartje. Zijn zakgeld is op voor hij ook maar één ding heeft gekocht. Economie gaat over behoeften en hoe je daarin kunt voorzien — en over de keuzes die je maakt als je niet alles kunt hebben.
Finn koopt de FIFA-uitbreiding bij de gamewinkel — hij is consument. De winkelier verkoopt hem — dat is de producent. In de economie zijn er twee hoofdrolspelers: consumenten die kopen, en producenten die maken of leveren
Bij economie kom je veel geldbedragen tegen — soms hele grote. Het is belangrijk dat je die bedragen op de juiste manier schrijft en uitspreekt. Er zijn vaste regels voor het euroteken, de punt bij duizendtallen en de komma bij centen. Op je rekenmachine gelden iets andere regels.
Finn en zijn vriend ruilen weleens: jouw voetbal voor mijn skateboard — geen geld aan te pas. Dat is directe ruil. Maar als Finn de FIFA-uitbreiding koopt met €25, gebruikt hij geld als tussenmiddel — dat is indirecte ruil. Vroeger ruilden mensen producten direct voor andere producten.
Finn betaalt zijn bioscoopkaartje met zijn telefoon — tikje, klaar (giraal). Zijn oma geeft hem een briefje van €10 voor zijn verjaardag (chartaal). Er zijn twee soorten geld. Chartaal geld zijn de munten en bankbiljetten
Het saldo is hoeveel geld er op je bankrekening staat. Als er geld bijkomt — bijvoorbeeld zakgeld of loon — noem je dat ontvangsten. Als er geld afgaat — omdat je iets betaalt — noem je dat uitgaven. Je berekent je nieuwe saldo door je beginsaldo te nemen, de ontvangsten erbij op te tellen en de uitgaven eraf te halen.
Finn heeft twee wensen: nieuwe voetbalschoenen en de FIFA-uitbreiding. Maar zijn primaire behoefte is voeding, kleding, onderdak — dingen zonder welke hij niet kan overleven. Nieuwe schoenen kunnen een primaire behoefte zijn als je geen schoenen meer hebt; een FIFA-uitbreiding is altijd secundair. Mensen hebben veel behoeften. Sommige heb je echt nodig om te kunnen leven
Om in je behoeften te voorzien, koop je producten. Die producten zijn er in twee soorten. Goederen zijn tastbare producten die je kunt aanraken. Diensten zijn niet-tastbare producten waarbij iemand iets voor jou doet. Soms voorzie je ook zelf in een behoefte zonder iets te kopen — dat heet zelfvoorziening.
Voordat je iets koopt, wil je weten of het een goed product is. Productinformatie kun je krijgen van familie, vrienden en verkopers in de winkel. Maar die zijn niet altijd deskundig of onafhankelijk. Onafhankelijke websites zoals consumentenbond.nl en tweakers.net zijn beter — die worden niet betaald door fabrikanten om producten aan te prijzen. Goede productinformatie is deskundig, onafhankelijk en betrouwbaar.
Als je iets koopt, heb je rechten. De overheid maakt wetten om jou als consument te beschermen. Zo moet een product deugdelijk zijn: bij normaal gebruik moet het een redelijke tijd meegaan. Naast de wet geeft de producent ook vaak garantie: de zekerheid dat het product in orde is. Gaat het toch kapot binnen de garantieperiode? Dan zorgt de producent dat het gratis gerepareerd of vervangen wordt.
Finn krijgt €10 zakgeld per week. Zijn moeder werkt als verpleegster en krijgt salaris. Zijn opa krijgt AOW. Drie mensen, drie soorten inkomen. Inkomen is het geld dat je als persoon of gezin ontvangt.
Niet alle uitgaven zijn hetzelfde. Sommige kosten betaal je elke maand op een vast moment, andere zijn onverwacht of doe je maar één keer per jaar. Het is handig om je uitgaven in groepen in te delen, zodat je een goed overzicht houdt van waar je geld naartoe gaat.
Soms zijn inkomsten of uitgaven per week, maar wil je weten hoeveel dat per maand is — of andersom. Je rekent om via het jaar als tussenstap: 1 jaar = 52 weken = 12 maanden. Een begroting is een overzicht van alle verwachte inkomsten en uitgaven voor een bepaalde periode, meestal een maand of jaar. Met een begroting zie je of je uitkomt met je geld.
Geld kun je op verschillende manieren gebruiken. Je kunt het inzetten om iets te kopen, je kunt het bewaren voor later, of je kunt het gebruiken om de waarde van dingen met elkaar te vergelijken. Die drie manieren noem je de geldfuncties. Ze maken het dagelijks leven veel makkelijker dan wanneer je alles direct zou moeten ruilen.
Finn wil de FIFA-uitbreiding van €25. Met €10 zakgeld per week en niets anders kopen heeft hij het over 3 weken. Maar hij wil ook een bioscoopkaartje. Wanneer heeft hij genoeg? Sparen betekent dat je je geld niet meteen uitgeeft, maar bewaart voor later.
Finn leent €5 van zijn vriend Jayden om eerder de FIFA-uitbreiding te kunnen kopen. Jayden wil het volgende week terug. Finn zegt ja — maar heeft die week maar €5 zakgeld over. Soms wil je iets kopen maar heb je niet genoeg geld.
Finn gooit per ongeluk zijn glas limonade over de laptop van zijn vriend. Reparatie: €180. Dat heeft Finn niet. Gelukkig heeft zijn vader een AVP — die betaalt. Soms heb je pech: je maakt schade bij iemand anders, je raakt ziek of je fiets wordt gestolen.
Als je een verzekering afsluit, ontvang je een polis — een officieel bewijs van je verzekering met alle voorwaarden. Je betaalt daarvoor een premie: een vast bedrag per maand of jaar. Soms heb je ook een eigen risico: een bedrag dat je bij schade zelf moet betalen voordat de verzekeraar bijspringt. Hoe hoger je eigen risico kiest, hoe lager je premie wordt — maar hoe meer je zelf betaalt als er iets misgaat.
Finn doet een enquête in zijn klas: wat doen jullie ouders voor werk? Verpleegster, vrachtwagenchauffeur, leraar, eigen bedrijf. Als je gaat werken begin je bijna altijd als werknemer. Je werkt dan in loondienst van een werkgever — een bedrijf of persoon die jou betaalt voor je werk. Een werkgever heeft één of meer mensen in dienst. Sommige mensen kiezen ervoor een eigen bedrijf te starten. Voordeel: je bent je eigen baas en mag alles zelf bepalen. Nadeel: als er geen opdrachten zijn, heb je ook geen inkomen.
Als een bedrijf op zoek is naar nieuw personeel, is er een vacature. Word jij aangenomen? Dan onderteken je een arbeidsovereenkomst. Dat is een officieel contract met de afspraken tussen jou en je werkgever: hoeveel uur je werkt, wat je loon is, hoeveel vakantiedagen je hebt en of je cursussen mag volgen. Deze afspraken noem je ook wel arbeidsvoorwaarden. Meestal begin je met een proeftijd van maximaal twee maanden, waarin jij en je werkgever kunnen kijken of de samenwerking bevalt. In die tijd mag allebei de overeenkomst meteen beëindigen.
Naast jouw eigen arbeidsovereenkomst zijn er ook gezamenlijke afspraken voor een hele bedrijfstak — bijvoorbeeld voor de bouw, de horeca of het onderwijs. Die afspraken staan in een cao (collectieve arbeidsovereenkomst). Daarin zijn onder andere het loon, de werktijden en het aantal vakantiedagen geregeld. Grote bedrijven zoals Philips en KLM hebben vaak een eigen cao. Voor alle werknemers in die bedrijfstak gelden dan dezelfde minimale voorwaarden.
Grote bedrijven als Coolblue, Philips en KLM hebben soms een eigen cao. Jouw leraar valt onder de onderwijscao — die bepaalt hoeveel hij minstens verdient en hoeveel vakantiedagen hij heeft.
Je brutoloon is het loon waarop nog niets is ingehouden — het bedrag dat in je arbeidsovereenkomst staat. Maar dit krijg je niet volledig op je rekening. Van je brutoloon houdt je werkgever automatisch loonbelasting en sociale premies in, die direct naar de Belastingdienst gaan. Wat daarna overblijft en op jouw bankrekening komt, is je nettoloon. Dat is het bedrag dat je echt kunt besteden.
Niet elke baan is hetzelfde. Een arbeidsovereenkomst kan tijdelijk zijn — voor een bepaalde tijd, tot een afgesproken einddatum. Of vast — voor onbepaalde tijd, zonder einddatum. Je begint vaak met een tijdelijke baan. Als je goed functioneert en er voldoende werk is, kan die tijdelijke baan daarna een vaste baan worden. Naast tijdelijk of vast, verschilt ook het aantal uren. Werk je een volledige dag- en weektaak (meestal 36, 38 of 40 uur), dan heb je een voltijdbaan. Werk je minder uren, dan is het een deeltijdbaan.
Alle bedrijven in Nederland zijn in te delen in drie grote productiesectoren, afhankelijk van wat ze doen. Agrarische bedrijven halen grondstoffen uit de natuur, zoals een akkerbouwbedrijf, een veeteeltbedrijf of een tuinbouwbedrijf. Industriële bedrijven gebruiken grondstoffen en materialen om goederen te produceren, zoals een fietsenfabriek of een bakkerij. Dienstverlenende bedrijven leveren diensten, zoals een winkel, een kapperszaak of een transportbedrijf.
Bij grote bedrijven is het werk verdeeld over veel verschillende banen. Elke werknemer heeft zijn eigen taken — dat noem je arbeidsverdeling. Door arbeidsverdeling wordt iedereen specialist in zijn eigen taak. Dat maakt bedrijven een stuk efficiënter: het werk gaat sneller en de kwaliteit is beter dan wanneer iedereen alles zelf zou moeten doen.
Voordeel voor werknemer: je doet werk waar je goed in bent en wordt er steeds beter in.
Voordeel voor werkgever: werknemers werken sneller en met minder fouten door specialisatie.
De overheid heeft bij wet vastgelegd wat je minimaal moet verdienen: het wettelijk minimumloon. Dat geldt voor werknemers van 21 jaar en ouder. Voor jongeren van 15 tot en met 20 jaar geldt het minimumjeugdloon — een percentage van het minimumloon voor 21-plussers. Hoe jonger je bent, hoe lager dat percentage. Zo verdient een 15-jarige minimaal 30% van het minimumloon van iemand van 21, en een 20-jarige minimaal 80%. Zo worden werknemers beschermd tegen te lage lonen.
| Leeftijd | Percentage |
|---|---|
| 21 jaar en ouder | 100% |
| 20 jaar | 80% |
| 19 jaar | 60% |
| 18 jaar | 50% |
| 17 jaar | 39,5% |
| 16 jaar | 34,5% |
| 15 jaar | 30% |
Als werknemer ben je beschermd door de wet. Je werkgever mag niet zomaar alles van je vragen. De Arbowet (wet arbeidsomstandigheden) verplicht werkgevers om te zorgen voor veilige en gezonde werkomstandigheden. Denk aan beschermende kleding, veilige machines en schone lucht. De Arbeidstijdenwet regelt werk- en rusttijden: je mag niet eindeloos lang doorwerken zonder pauze of vrije dag.
Elke dag worden er nieuwe producten bedacht en nieuwe technieken uitgevonden. Die noem je technologische ontwikkelingen. Ze hebben grote gevolgen voor het werk: robots nemen bepaalde soorten werk over, waardoor sommige beroepen verdwijnen. Maar tegelijk ontstaan er ook nieuwe beroepen, zoals robotmonteur, dronepiloot of 3D-printspecialist. Daarom is het belangrijk om je blijvend te scholen. Voor sommige banen heb je een beroepsopleiding nodig (geschoold werk), voor andere niet (ongeschoold werk).
Met ontslag komt er een einde aan je arbeidsovereenkomst. Je kunt ontslag krijgen van je werkgever — bijvoorbeeld omdat er geen werk meer voor je is. Maar je kunt ook zelf ontslag nemen, bijvoorbeeld omdat je een andere baan hebt gevonden. Bij ontslag geldt meestal een opzegtermijn van één of twee maanden. Die geldt voor de werkgever zodat jij tijd hebt om nieuw werk te vinden, en ook voor jou zodat de werkgever tijd heeft om nieuw personeel te zoeken.
De buurman van Finn werkt in de bouw. Het project stopt — zijn baan ook. Finn vraagt zijn moeder: wat nu? Krijg je dan gewoon niks meer? Werkloos zijn betekent: je wíl werken, maar er is geen geschikte baan voor je.
Gevolgen van werkloosheid: minder inkomen, minder regelmaat, geen contact met collega's en het gevoel niet nuttig te zijn. Goed om te weten als je kiest voor een opleiding die goede baankansen biedt.
Finn vraagt zich af: hoe wordt die FIFA-game gemaakt? Programmeurs bij EA in Canada, servers in Ierland, download op zijn PlayStation. Produceren is het maken van goederen én het leveren van diensten. De meeste producten doorlopen meerdere stappen voordat ze bij jou in handen zijn — elke stap heet een productiefase. Neem brood: de boer ploegt de grond, zaait graan, oogst het en verkoopt het aan de molen. De molen maakt er meel van, de bakker bakt er brood van en de supermarkt verkoopt het aan jou. Graan is de grondstof, brood is het eindproduct. Daartussenin zijn meerdere bedrijven betrokken.
Alle bedrijven die na elkaar aan een product werken, vormen samen de bedrijfskolom. Elk bedrijf in die kolom koopt het product voor een bepaalde prijs, bewerkt het en verkoopt het duurder door. Het verschil tussen de inkoopprijs en de verkoopprijs is de waarde die dat bedrijf heeft toegevoegd. Zo wordt chips goedkoop ingekochte aardappel uiteindelijk een zakje dat in de winkel veel meer kost — omdat elk bedrijf in de kolom waarde heeft toegevoegd.
Om te produceren heb je drie dingen nodig — die noem je productiefactoren. Arbeid is het werk dat mensen doen. Kapitaal zijn de machines, gereedschappen en gebouwen waaraan geld is besteed — ook wel kapitaalgoederen. Natuur zijn de grondstoffen, het zonlicht en het regenwater die je uit de natuur haalt. Samen bepalen ze hoeveel het produceren kost. Die kosten — voor personeel, machines, energie, grondstoffen en het bedrijfspand — heten productiekosten.
Produceren kost niet alleen geld — het kost ook milieu. Door consumptie en productie ontstaat milieuschade: vervuiling van lucht, water en bodem, hoog energieverbruik en veel afval. Bedrijven betalen zelf hun eigen bedrijfskosten, zoals machines, personeel en transport. Maar milieuschade treft niet het bedrijf zelf, maar de samenleving. Dat noem je maatschappelijke kosten. In een ideale wereld betaalt de vervuiler die kosten zelf — maar dat gebeurt lang niet altijd.
Bedrijven en consumenten kunnen de wereld minder schaden door duurzaam te produceren en te consumeren — zonder nadelige gevolgen voor anderen, nu of in de toekomst. Dat betekent: geen afval veroorzaken, geen lucht of water vervuilen, geen fossiele energie verbruiken en geen nieuwe grondstoffen verspillen. Recycling speelt daarbij een grote rol: van afval een nieuwe grondstof maken. In een kringloopeconomie is er geen afval meer — alles wordt hergebruikt. Als consument help jij mee door bewust te kiezen voor duurzame producten.
Bedrijven die willen groeien of goedkoper produceren, moeten investeren: kapitaalgoederen kopen zoals machines, gebouwen of bedrijfsauto's. Door te investeren kunnen bedrijven sneller, goedkoper en duurzamer produceren en betere producten maken. Maar machines, vrachtwagens en gebouwen worden in de loop van de tijd minder waard. Die jaarlijkse waardevermindering heet afschrijving. Je moet de aanschafprijs dus terugverdienen over de levensduur van de machine.
Bedrijven maken hun productie efficiënter door te investeren in machines en computers. Mechaniseren betekent dat machines het zware werk van mensen overnemen. Automatiseren gaat een stap verder: computers en computerprogramma's sturen de productie aan. Een bijzondere vorm is robotisering, waarbij robots het werk doen. Het gevolg: de arbeidsproductiviteit stijgt — dat is de hoeveelheid producten die een werkende in een bepaalde tijd kan maken. Hogere arbeidsproductiviteit betekent meer produceren met evenveel mensen, of evenveel produceren met minder mensen. Daardoor daalt de kostprijs per product.
Als je met een eigen bedrijf je inkomen verdient, ben je een ondernemer. Een ondernemer verkoopt goederen of diensten en bepaalt zelf hoeveel hij verkoopt en voor welke prijs. Sommige bedrijven draaien vooral op mensen — dat heet arbeidsintensief produceren. Denk aan onderwijs, de zorg of winkels. Andere bedrijven draaien vooral op machines — dat heet kapitaalintensief produceren. Dat zie je vooral in fabrieken en werkplaatsen.
Een bedrijf draait uiteindelijk om winst. Maar om winst te berekenen ga je stap voor stap. Eerst kijk je naar de afzet: hoeveel producten heb je verkocht? Dan bereken je de omzet (ook wel verkoopopbrengst): afzet maal verkoopprijs. Van die omzet betaal je alle kosten — grondstoffen, lonen, energie, reclame en huur. Wat daarna overblijft is je winst. Als de kosten hoger zijn dan de omzet, maak je verlies.
Finn kijkt op de achterkant van zijn PlayStation-doos: 'Made in Japan.' Zijn voetbalschoenen: 'Made in Indonesia.' Zijn energiedrankje: 'Produced in Austria.' Bijna niets om hem heen is in Nederland gemaakt. Over de hele wereld worden producten gekocht en verkocht tussen landen.
De internationale handel is de afgelopen jaren flink gegroeid, dankzij betere vervoersmogelijkheden en internet. Maar er is ook een nadeel: het transport van al die goederen over de hele wereld zorgt voor veel CO₂-uitstoot.
Landen verschillen sterk in hoeveel ze handelen met de rest van de wereld. Nederland is een land dat heel veel handel drijft met andere landen. Dat heeft alles te maken met onze ligging: Rotterdam heeft de grootste haven van Europa, en via de Rijn en Maas kunnen goederen makkelijk dieper Europa in.
Rotterdam heeft de grootste haven van Europa. Dat is geen toeval: Nederland ligt in de delta van Rijn en Maas, perfect voor het doorvoeren van goederen naar Duitsland en verder.
Niet elk land gebruikt de euro. Als je naar de Verenigde Staten gaat, betaal je met dollars. Als je naar het Verenigd Koninkrijk gaat, met ponden. Geld van een land dat niet de euro heeft, noem je vreemd geld. De verhouding tussen twee munten heet de wisselkoers — en die verandert elke dag.
| Dollar wordt… | Voor eurozone | Voor VS |
|---|---|---|
| Duurder (stijgt) | Duurder om uit VS te kopen | Goedkoper om uit EU te kopen |
| Goedkoper (daalt) | Goedkoper om uit VS te kopen | Duurder om uit EU te kopen |
De Europese Unie is een samenwerking van Europese landen die onder andere op economisch gebied samenwerken. Een van de doelen van de EU is om handel tussen de lidstaten makkelijk en soepel te laten verlopen. Zo kunnen bedrijven in Nederland makkelijk producten verkopen aan mensen in Duitsland, Frankrijk of Italië.
Toch beschermen landen soms hun eigen bedrijven tegen concurrentie van buiten. Als buitenlandse producten goedkoper zijn, kunnen Nederlandse bedrijven het moeilijk krijgen. Daarom kunnen landen invoerrechten heffen: een extra belasting op ingevoerde producten, waardoor die duurder worden.
Als landen producten mogen importeren en exporteren zonder protectiemaatregelen, noem je dat vrijhandel. Binnen de EU is er onderlinge vrijhandel. Je mag als EU-burger naar bijna alle lidstaten reizen zonder paspoortcontrole, en je mag in een ander EU-land wonen, werken of studeren.
Twintig EU-landen gebruiken de euro. Je hoeft dan geen geld te wisselen als je van Nederland naar Duitsland of Spanje gaat, en je hebt geen last meer van wisselkoersschommelingen.
Voordelen van de euro: prijzen in andere eurolanden zijn direct vergelijkbaar, je hoeft geen geld te wisselen en betaalt geen wisselkosten, en je hebt geen last van schommelende wisselkoersen.
Niet iedereen ter wereld leeft zoals jij. In veel landen leven mensen in armoede — zonder genoeg eten, zonder schoon drinkwater, zonder goede gezondheidszorg en soms zonder de kans om naar school te gaan. Die landen noem je ontwikkelingslanden. Kenmerken zijn: weinig gezondheidszorg, veel kinderarbeid, analfabetisme en hoge kindersterfte.
Welvaart is de mate waarin je in je behoeften kunt voorzien. In Nederland is de welvaart hoog. In ontwikkelingslanden is de welvaart laag: veel mensen hebben onvoldoende eten of schoon drinkwater.
Om de welvaart van landen te vergelijken, kijk je naar het nationaal inkomen — alle inkomens in een land bij elkaar opgeteld. Maar een hoog nationaal inkomen zegt nog niets als je niet weet hoeveel mensen dat moeten delen. Daarom gebruik je het inkomen per hoofd van de bevolking: nationaal inkomen gedeeld door het aantal inwoners.
Ontwikkelingslanden hebben verschillende problemen die lastig zijn op te lossen, omdat die problemen elkaar versterken. Ze zitten vaak in een viciöuze cirkel: de oorzaak van het ene probleem is een gevolg van een ander probleem. Je kunt er alleen uitkomen met hulp van buitenaf.
Voorbeeld: Weinig geld → geen geld voor school → geen opleiding → laag betaald werk → weinig geld. Je doorbreekt deze cirkel met hulp: financiële steun, kennisoverdracht of gratis onderwijs.
Om armoede te bestrijden krijgen ontwikkelingslanden hulp van andere landen en organisaties. Dat noem je ontwikkelingssamenwerking. Het doel is dat ontwikkelingslanden economisch zelfstandiger worden. Die hulp kan via geld, kennis delen of eerlijke handel — zonder invoerrechten op producten uit ontwikkelingslanden.
Er zijn twee soorten hulp: noodhulp voor acute situaties zoals na een aardbeving, en structurele hulp voor de langere termijn — gericht op economische zelfstandigheid.
Ook jij kunt mensen in ontwikkelingslanden helpen. Je kunt geld geven aan hulporganisaties zoals Unicef of Oxfam Novib. Maar je kunt ook bewust kiezen voor fairtrade producten. Fairtrade betekent eerlijke en gelijkwaardige handel: boeren in ontwikkelingslanden krijgen een hogere prijs, zodat ze er fatsoenlijk van kunnen leven. Je herkent fairtrade producten aan het keurmerk op bananen, chocola en koffie.
Hoe kun jij helpen? Koop fairtrade producten, doneer aan Unicef of Oxfam Novib, of kies voor merken die eerlijk produceren.
Finn vergelijkt: FIFA-uitbreiding bij Bol.com €24,99, gamewinkel €34,99, Vinted €12. Hoe kan hetzelfde product zulke verschillende prijzen hebben? Economie draait om twee krachten: vraag en aanbod. De vraag naar producten komt van consumenten — er is vraag als zij iets willen kopen. Het aanbod komt van producenten — er is aanbod als zij iets te koop aanbieden. De consument vraagt een product en betaalt daarvoor; de producent biedt het aan en krijgt er geld voor. Op de markt bepalen vraag en aanbod samen de prijs. Denk aan de woningmarkt (alle vraag en aanbod van huizen), de energiemarkt of de arbeidsmarkt — dat zijn abstracte markten die je niet kunt bezoeken, maar die de prijzen wel bepalen.
Hoge vraag + weinig aanbod = hogere prijs. Denk aan concertkaartjes van Taylor Swift: enorm veel vraag, beperkt aanbod → prijs schiet omhoog op de doorverkoopmarkt.
Denk je dat jij helemaal zelf bepaalt wat je koopt? Dat valt mee. Twee grote krachten sturen jouw aankoopgedrag. Sociale invloed is de invloed van familie, vrienden en bekenden — als je vrienden een bepaald merk sneakers dragen, wil jij die misschien ook. Commerciële invloed is de invloed van fabrikanten en winkeliers: via reclame, aanbiedingen, mooie verpakkingen en slimme plaatsing in de winkel proberen bedrijven jou te verleiden meer te kopen. Dat alles noem je marketing.
Als winkelier verkoop je producten aan consumenten — je heet dan een detaillist of retailer. Je koopt die producten in, meestal bij een groothandel of soms rechtstreeks bij een fabriek. Voor één product betaal je de inkoopprijs. Daarna stel je de verkoopprijs vast: de inkoopprijs plus een brutowinstopslag. Een deel van die opslag gebruik je om je kosten te betalen (huur, personeel, energie), het andere deel is je winst.
Een winkelier staat er nooit alleen voor — er zijn altijd concurrenten: andere bedrijven die dezelfde soort producten aanbieden. Je kunt concurreren met lagere prijzen, betere kwaliteit, betere service of een betere bereikbaarheid. Naast concurrentie speelt ook de keuze tussen een fysieke winkel en een webwinkel een grote rol. Een gewone winkel heeft hoge vaste kosten: huur, inrichting, verwarming en verlichting. Een webshop heeft die kosten niet — en kan daardoor vaak goedkoper zijn.
Bijna alles wat je koopt is inclusief btw — belasting over de toegevoegde waarde, ook wel omzetbelasting. De prijs op het prijskaartje is de prijs inclusief btw. Er zijn twee btw-tarieven: 21% op de meeste producten en 9% op eten, drinken, boeken en medicijnen. Jij betaalt de btw als consument, maar de winkelier int het en draagt het af aan de Belastingdienst. De winkelier verdient er zelf niets aan — het is puur een doorgeefluik voor de overheid.
De winkelier is alleen een doorgeefluik voor btw: hij int het van jou en betaalt het door aan de Belastingdienst. Hij verdient er zelf niets aan — zijn verkoopprijs is altijd exclusief btw.
Op een kassabon staan zowel de verkoopprijs (exclusief btw) als de consumentenprijs (inclusief btw). Je kunt de consumentenprijs berekenen vanuit de verkoopprijs door de btw erbij op te tellen. Maar je kunt ook andersom redeneren: als je de consumentenprijs weet, kun je terugrekenen naar de verkoopprijs exclusief btw. De consumentenprijs is altijd 121% (bij 21% btw) van de verkoopprijs — de verkoopprijs is dus 100/121 van de consumentenprijs.
Als winkelier koop je producten in om ze later te verkopen. De prijs die je voor de inkoop van één product betaalt is de inkoopprijs. Het totaalbedrag dat je betaalt voor de inkoop van alle producten is de inkoopwaarde. Door producten te verkopen ontvang je de omzet. Trek je daar de inkoopwaarde van af, dan houd je de brutowinst over. Dat is nog niet je echte inkomen — want je hebt ook nog andere kosten.
Brutowinst is nog niet je echte inkomen. Van die brutowinst moet je eerst alle bedrijfskosten betalen: personeelskosten, huur van het pand, verzekeringskosten, reclamekosten, energiekosten en de kosten van de winkelinrichting. Wat daarna overblijft is de nettowinst — dat is jouw inkomen als ondernemer. Als de bedrijfskosten hoger zijn dan de brutowinst, heb je verlies en draait jouw bedrijf in de min.
Finn fietst langs het nieuwe schoolplein dat net is opgeknapt. 'Wie heeft dat betaald?' vraagt hij thuis. Zijn moeder: 'De gemeente — en dus ook wij, via belasting.' De overheid regelt veel dingen waar jij elke dag mee te maken hebt
Om al die dingen te regelen werken er veel mensen voor de overheid. Deze mensen noem je ambtenaren.
De overheid in Nederland bestaat uit drie lagen: de gemeente, de provincie en de rijksoverheid. Elke laag regelt andere dingen.
De gemeente is de overheid die het dichtst bij jou staat. Jij woont bijvoorbeeld in de gemeente Pijnacker-Nootdorp. De gemeente regelt dingen in jouw woonplaats:
Ook ga je naar het gemeentehuis als je een ID-kaart of paspoort nodig hebt. Als er een nieuw voetbalveld komt of een skatepark wordt opgeknapt, dan heeft de gemeente dat geregeld.
Nederland heeft 12 provincies. Jij woont in de provincie Zuid-Holland. De provincie regelt grotere zaken die voor meerdere gemeenten belangrijk zijn:
Als er een nieuwe buslijn komt tussen verschillende dorpen of steden, dan helpt de provincie vaak mee met het regelen daarvan.
De rijksoverheid regelt zaken voor heel Nederland — dingen die overal hetzelfde moeten zijn:
De drie lagen van de overheid zorgen samen voor de infrastructuur van Nederland — alle voorzieningen voor vervoer en communicatie.
Wie regelt wat?
Jij kunt iedere schooldag naar school fietsen of met de bus reizen. Onderweg maak je gebruik van fietspaden, verkeerslichten en soms openbaar vervoer. Dat is allemaal geregeld door de overheid. Maar er zijn nog meer voorzieningen die we aan de overheid te danken hebben — denk aan parken, speeltuinen, de politie en de brandweer. Als je gaat sporten op een gemeentelijk voetbalveld of basketbalplein, maak je gebruik van een collectieve voorziening.
Deze voorzieningen zijn er voor iedereen. Daarom noem je ze collectieve voorzieningen. Het woord collectief betekent: samen of gezamenlijk. De overheid betaalt deze voorzieningen met geld uit belastingen.
Later ga je misschien werken en zelf geld verdienen. Maar wat gebeurt er als iemand geen werk kan vinden of ziek wordt en daardoor geen inkomen heeft? Daarvoor bestaat de sociale zekerheid. Dat betekent dat mensen die te weinig geld hebben tijdelijk hulp kunnen krijgen van de overheid. Die hulp heet een uitkering. Jouw opa of oma krijgt waarschijnlijk iedere maand AOW van de overheid.
Uitkeringen kosten veel geld. Daarom betaalt iedereen die werkt mee. Als je later een baan hebt, gaat een deel van je loon automatisch naar de overheid. Dat noem je sociale premies. Van dat geld betaalt de overheid de uitkeringen. Zo helpen werkende mensen mee aan mensen die tijdelijk geen inkomen hebben.
Het woord sociaal betekent dat je rekening houdt met anderen. Zo zorgen mensen die werken er samen voor dat mensen zonder werk toch een inkomen hebben.
Als je op school zit, maak je gebruik van een collectieve voorziening. Collectieve voorzieningen worden verzorgd door de collectieve sector — dat zijn de overheid en instanties zoals het UWV die zorgen voor de uitkeringen. De collectieve sector hoeft geen winst te maken. Het belangrijkste is dat zij hun werk goed uitvoeren met het geld dat zij krijgen.
Bij bedrijven werkt dit anders. Bedrijven zijn commercieel en willen wél winst maken — want anders kunnen zij failliet gaan. Bedrijven en burgers behoren tot de particuliere sector.
Burgers en bedrijven betalen belasting — een verplichte bijdrage aan de overheid. Maar niet iedereen betaalt belasting op dezelfde manier. Soms betaal je belasting rechtstreeks aan de Belastingdienst. En soms betaal je belasting via een omweg, zonder dat je er bewust bij stilstaat.
Als je iets koopt in de winkel, betaal je btw. Die btw gaat niet rechtstreeks naar de Belastingdienst — de winkelier int het en maakt het over. Jij betaalt dus belasting via een omweg. Dat noem je een indirecte belasting. Betaal je zelf direct aan de Belastingdienst, zoals bij inkomstenbelasting, dan is dat een directe belasting.
Iedereen met een inkomen betaalt inkomstenbelasting. Maar hoe dat precies werkt, verschilt per situatie. Als je in loondienst bent — dus werkt voor een baas — houdt je werkgever de belasting al in op je loon. Je hoeft dan zelf niets te doen. Dit heet loonbelasting. De werkgever maakt het geld direct over aan de Belastingdienst.
Bedrijven die winst maken betalen ook belasting — de vennootschapsbelasting. Dat geldt voor grote bedrijven zoals Coolblue, maar ook voor een kleine bv die een bakker heeft opgericht.
Soms geeft de overheid geld aan burgers of bedrijven in plaats van het te innen. Zo'n bijdrage van de overheid heet subsidie. Door subsidie wordt iets beter betaalbaar, waardoor de overheid mensen stimuleert om iets te gaan doen. De overheid geeft bijvoorbeeld subsidies aan sportverenigingen, voor culturele activiteiten en aan burgers of bedrijven die maatregelen nemen om energie te besparen.
Bepaalde producten zijn slecht voor je gezondheid of voor het milieu: alcohol, tabak (sigaretten) en brandstof (benzine). De overheid wil het gebruik van deze producten ontmoedigen. Daarom heft de overheid er accijns op. Accijns is een extra verbruiksbelasting — een indirecte belasting die verwerkt is in de prijs. Door accijns worden producten duurder, waardoor mensen er minder van kopen.
Belastingen zijn de belangrijkste inkomsten voor de overheid. Maar er zijn ook andere inkomsten: de niet-belastingontvangsten. De overheid heeft namelijk ook inkomsten uit boetes en uit bedrijven waarvan zij mede-eigenaar is. Als zo'n bedrijf winst maakt, krijgt de overheid een deel van die winst.
Voorbeelden van bedrijven waarvan de overheid mede-eigenaar is:
Elk jaar op de derde dinsdag van september is het Prinsjesdag. Op die dag leest de koning de troonrede voor. Daarin staan alle plannen van de regering voor het komende jaar. Daarna presenteert de minister van Financiën de rijksbegroting. Dat is een overzicht van alle verwachte inkomsten en uitgaven van het Rijk voor het komende jaar. Net zoals jij misschien bijhoudt hoeveel zakgeld je krijgt en hoeveel je uitgeeft, doet de overheid dat ook — maar dan voor het hele land en in miljarden euro's.
De overheid heeft niet genoeg geld voor alles. Daarom moet ze kiezen waar het geld naartoe gaat. Die keuzes staan in de miljoenennota. Dit is een toelichting op de rijksbegroting: waarom zijn bepaalde keuzes gemaakt? Als de overheid bijvoorbeeld meer geld wil uitgeven aan de zorg, moet ze ergens anders op bezuinigen of de belastingen verhogen. De Eerste en Tweede Kamer moeten de keuzes goedkeuren. Pas dan mag de regering de plannen uitvoeren.
Op de rijksbegroting staan inkomsten en uitgaven. Als de verwachte uitgaven hoger zijn dan de inkomsten, is er een begrotingstekort. De overheid kan dit voorkomen door te bezuinigen of de belastingen te verhogen. Als dat allebei niet lukt, moet de overheid geld lenen. Als de verwachte uitgaven lager zijn dan de inkomsten, is er een begrotingsoverschot. Met een overschot kan de overheid meer uitgeven of schulden afbetalen.
Noah is 14 jaar en heeft net zijn eerste bijbaantje bij de Jumbo — kassamedewerker, 8 uur per week. Vrijdag staat zijn eerste loonbetaling op zijn rekening: €60. Hij heeft een lijstje gemaakt van wat hij wil kopen: nieuwe Jordans (€130), een PS5-game (€70), een concertticket van zijn favoriete artiest (€45), en hij wil ook nog wat opzij zetten voor een nieuwe telefoon. Eén probleem: €60 is niet genoeg voor alles. Noah moet kiezen. Dat is precies wat economie bestudeert: behoeften zijn onbeperkt, maar geld is dat niet.
Niet alle behoeften van Noah zijn even urgent. Primaire behoeften zijn noodzakelijke levensbehoeften — eten, kleding, woonruimte. Zonder die kan hij niet overleven. Secundaire behoeften zijn alles wat zijn leven leuker of beter maakt, maar waarzonder hij ook kan leven. De Jordans, het concert, de game: dat zijn secundaire behoeften. Welke behoeften je hebt en hoe zwaar die wegen, verschilt per persoon — door je budget, leeftijd en omgeving.
Noah wil van alles, maar zijn €60 is op voordat hij alles heeft kunnen kopen. Dat is schaarste in een notendop: behoeften zijn onbeperkt, maar de middelen om ze te vervullen — in dit geval geld — zijn beperkt. Vrijwel alles wat Noah wil kopen heeft een prijs, omdat er middelen (arbeid, grondstoffen, energie) nodig zijn om het te maken. Dat zijn schaarse goederen. Een vrij goed is anders: dat is zomaar beschikbaar, zonder dat iemand er iets voor hoeft te doen. Frisse lucht, zonlicht, regenwater — niemand hoeft daar een fabriek voor te draaien.
Noah wil meer kunnen kopen dan zijn €60 toelaat. Zijn welvaart — de mate waarin hij in zijn behoeften kan voorzien — kan op drie manieren toenemen. Ten eerste meer inkomen: als hij meer uren gaat werken bij de Jumbo, verdient hij meer en kan hij meer kopen. Ten tweede prioriteiten stellen: misschien geeft hij zijn Spotify-abonnement op en kiest hij bewust voor het concert in plaats van de game. Met hetzelfde geld meer welvaart door slimmer te kiezen. Ten derde zelfvoorziening: dingen zelf doen in plaats van kopen — zijn moeder naait zijn gescheurde broek zelf in plaats van een nieuwe te kopen.
Percentages komen overal terug in economie: kortingen, belastingen, rente, inflatie. Noah ziet al meteen op zijn loonstrookje dat er 4% loonheffing is ingehouden — maar hoeveel euro is dat nou eigenlijk? Je moet dus snel en zeker een percentage van een getal kunnen berekenen.
Noah heeft zijn €60 verdiend en weet inmiddels dat hij niet alles kan kopen. Maar dan opent hij TikTok. Een influencer draagt de nieuwste Jordans. Zijn klasgenoot Daan heeft ze ook al. En plotseling wil Noah ze nog veel harder dan een uur geleden. Denk jij zelf na over wat je koopt? Deels — maar je wordt van twee kanten beïnvloed. Sociale beïnvloeding komt van mensen in je omgeving: Daan met zijn Jordans. Commerciële beïnvloeding komt van fabrikanten en winkeliers: de TikTok-advertentie, de influencer die betaald wordt om ze te dragen. Alles wat bedrijven doen om hun product te verkopen heet marketing, en ze zetten daar zes instrumenten voor in — de 6 P's.
Reclame is aandacht vragen voor een product of boodschap. Niet alle reclame is hetzelfde — er zijn drie soorten. Informatieve reclame geeft feitelijke informatie over een product. Merkreclame maakt een merknaam bekender zonder per se iets uit te leggen. Ideële reclame vraagt aandacht voor maatschappelijke thema's en probeert mensen aan het denken te zetten over hun gedrag — denk aan campagnes over duurzaamheid of gezondheid.
Bedrijven richten zich niet op iedereen tegelijk — ze kiezen een doelgroep: de groep mensen voor wie een product of boodschap is bedoeld. Noah is precies wie Nike, Spotify en PlayStation voor ogen hebben: een jongere met eigen geld, gevoelig voor wat zijn vrienden dragen en luisteren, en als je hem vroeg aan een merk bindt, blijft hij misschien zijn hele leven klant. Merken spelen daarin een grote rol: een A-merk heeft een goede naam en straalt kwaliteit uit. Een B-merk is goedkoper en minder bekend, maar de kwaliteit is niet altijd minder. Een huismerk is het goedkoopste alternatief van de supermarkt of winkel zelf.
Noah heeft na een paar weken werken bij de Jumbo al snel door dat hij een overzicht nodig heeft van zijn geld. Wat komt er binnen, wat gaat er uit? Dat overzicht heet een begroting. Budgetteren betekent je inkomsten en uitgaven op elkaar afstemmen. Het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) helpt daar ook bij — ze hebben zelfs een speciale website voor scholieren: scholieren.nibud.nl.
Uitgaven zijn ook niet allemaal hetzelfde — voor een goede begroting deel je ze in drie categorieën. Dagelijkse of huishoudelijke uitgaven zijn je alledaagse kosten, zoals boodschappen. Vaste lasten betaal je met een vaste regelmaat, bijvoorbeeld elke maand: abonnementen, huur of telefoonkosten. Incidentele uitgaven zijn grotere uitgaven die je niet zo vaak doet, zoals een nieuwe telefoon of een vakantie. Voor die laatste categorie moet je vaak reserveren: elke maand een vast bedrag opzij zetten.
Om uitgaven eerlijk te vergelijken, reken je ze om naar dezelfde periode. Gebruik daarvoor het jaar als tussenstap: 1 jaar = 12 maanden = 52 weken. Van week naar maand: vermenigvuldig met 52 en deel door 12. Van maand naar week: vermenigvuldig met 12 en deel door 52. Een maand is namelijk geen vier weken precies — er zitten gemiddeld 4,33 weken in een maand. Vergeet je dat, dan reken je verkeerd.
Heb jij het gevoel dat alles duurder wordt? Dat klopt — dat heet inflatie: een algemene stijging van de prijzen. Het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) meet prijsveranderingen en drukt ze uit in een percentage. 2,3% inflatie betekent dat de gemiddelde prijzen nu 2,3% hoger zijn dan een jaar geleden. Als de prijzen gemiddeld dalen, heet dat deflatie — dat is zeldzamer maar ook schadelijk voor de economie.
Koopkracht is de hoeveelheid goederen en diensten die je met je inkomen kunt kopen. Je loon kan stijgen, maar als de prijzen harder stijgen, ga je er toch op achteruit. Als de loonstijging in procenten meer is dan de inflatie, neemt je koopkracht toe en kun je meer kopen. Is de loonstijging minder dan de inflatie, dan daalt je koopkracht — je kunt minder kopen, ook al verdien je meer.
Om veranderingen door de tijd heen makkelijk te vergelijken, gebruiken economen indexcijfers. Je kiest een basisjaar — de periode waarmee je vergelijkt. Het indexcijfer in het basisjaar is altijd 100. Stijgen de prijzen daarna met 5%, dan is het indexcijfer 105. Zo zie je in één oogopslag hoeveel er veranderd is ten opzichte van het basisjaar, zonder te hoeven rekenen met absolute bedragen.
Noah wil slim kopen — maar hoe weet hij of de Jordans die hij online ziet wel echt de kwaliteit waard zijn? Als consument sta je er niet alleen voor. Consumentenorganisaties komen op voor jouw belangen — onafhankelijk van fabrikanten en winkeliers. Ze geven onpartijdige productinformatie via vergelijkend warenonderzoek: ze testen gelijksoortige producten van verschillende merken op prijs, kwaliteit, gezondheid en energieverbruik. Ze informeren ook over je rechten en plichten als consument, en voeren acties bij bedrijven of de overheid als dat nodig is.
Een grote verpakking lijkt altijd goedkoper — maar is dat ook zo? Om producten eerlijk te vergelijken, reken je altijd om naar dezelfde hoeveelheid — de prijs per standaardhoeveelheid. Dat doe je door de prijs te delen door de hoeveelheid en te vermenigvuldigen met de standaardhoeveelheid (bijv. per 100 gram). Zo vergelijk je producten van verschillende merken en verpakkingen eerlijk met elkaar.
Als consumenten samenwerken, hebben ze meer invloed op bedrijven. En met keurmerken zie je in één oogopslag of een product aan bepaalde eisen voldoet. Een keurmerk is een officieel erkend teken voor kwaliteit, veiligheid of duurzaamheid. Voorbeelden: CE-keurmerk (veiligheid), EKO-keurmerk (biologisch), Fairtrade-keurmerk (eerlijke handel). Door bewust voor producten mét keurmerk te kiezen, oefen je als consument invloed uit op wat bedrijven produceren.
De Jordans die Noah online heeft besteld, blijken een losse zool te hebben na twee weken dragen. Wat nu? Als je iets koopt, heb je rechten. Het consumentenrecht beschermt jou als koper tegen oneerlijke praktijken. Je hebt altijd recht op een deugdelijk product — een product dat doet wat het moet doen bij normaal gebruik. Wat deugdelijk is hangt af van het soort product, de prijs en wat de fabrikant heeft beloofd. Twee wetten beschermen je extra: de Warenwet verbiedt verkoop van onveilige producten, en de Wet productaansprakelijkheid stelt de fabrikant aansprakelijk voor gevolgschade.
Gekocht is gekocht — maar niet altijd. Bij online aankopen en bij verkoop aan de deur heb je wettelijk recht op minimaal 14 dagen bedenktijd. De Wet koop op afstand geldt voor aankopen via internet, telefoon of bestelbon. De Colportagewet geldt voor aankopen aan de deur of bij verkoopdemonstaties (bij aankopen boven €50). In die tijd mag je de koop zonder opgave van reden ongedaan maken. Heb je toch problemen? Dan kun je terecht bij de NVWA, ACM, Consuwijzer of de Geschillencommissie.
Noahs oudere zus Lisa (19) wil na haar mbo-opleiding op zichzelf gaan wonen. Ze vertelt thuis aan tafel hoe moeilijk dat is: de wachtlijst voor sociale huur is jarenlang, vrije sector is te duur, en een huis kopen zonder vast inkomen is onmogelijk. Noah hoort voor het eerst termen als 'hypotheek', 'huurtoeslag' en 'sociale huur'. Wonen kost geld — veel geld. Je kunt een woning kopen of huren. Op de koopwoningmarkt bepalen vraag en aanbod de prijs. Op de huurwoningmarkt zijn er twee segmenten: sociale huurwoningen (tot ca. €740/maand), verhuurd door woningcorporaties aan mensen met een lager inkomen, en vrije sector huurwoningen door commerciële verhuurders. Als je inkomen en vermogen laag genoeg zijn, kun je huurtoeslag aanvragen bij de Belastingdienst.
Een huis kopen is de grootste aankoop van je leven. Naast de koopprijs zijn er extra kosten. Bij een bestaande woning zijn dat de "kosten koper": 2% overdrachtsbelasting over de aankoopprijs plus notariskosten. Voor de financiering sluit je bijna altijd een hypothecaire lening af: een lening waarbij de woning als onderpand dient. Hoe hoger de lening, hoe hoger de maandlasten en hoe meer rente je betaalt over de looptijd.
Onderpand: als jij de hypotheek niet meer kunt betalen, mag de bank je huis verkopen om de lening terug te krijgen. Dat is het risico van een hypotheek.
Naast huur of hypotheek betalen huishoudens ook belasting aan de gemeente. De onroerendezaakbelasting (OZB) betalen woningeigenaren over de WOZ-waarde van hun woning. Huurders betalen geen OZB maar wél rioolheffing en reinigingsheffing — samen met eigenaren. Deze gemeentelijke heffingen zijn een toepassing van het profijtbeginsel: je betaalt mee voor de voorzieningen die je gebruikt.
Noah ziet de energierekening van zijn ouders liggen: €180 deze maand. Hij realiseert zich dat zijn spelcomputer, zijn telefoonlader die altijd in het stopcontact zit en de wasbeurt van zijn werkkleding allemaal bijdragen. Elke keer dat jij iets koopt, gebruikt of weggooit heeft dat gevolgen voor het milieu. Milieuschade omvat alle negatieve gevolgen voor het milieu: vervuiling van lucht, water en bodem, verbruik van grondstoffen en fossiele brandstoffen, en het ontstaan van afval. De bredere schade voor de samenleving — geluidsoverlast, uitlaatgassen, verdwijnen van natuurgebieden — heet maatschappelijke kosten. Die zijn vaak moeilijk in geld uit te drukken.
De overheid stimuleert duurzame energie met subsidies (bijv. bij aanschaf van een warmtepomp), energiebespaarleningen tegen lage rente, en de mogelijkheid om btw terug te vragen op zonnepanelen. Maar milieuschade heeft ook kosten die niet altijd zichtbaar zijn op je energierekening. De energierekening bestaat uit vaste kosten (netbeheer en levering), variabele verbruikskosten (per kWh of m³), energiebelasting en btw.
Noah krijgt elke vrijdag zijn loon overgemaakt — €60 op zijn ING-rekening. Dat klinkt simpel, maar achter dat ene tikje van zijn werkgever zit een heel systeem. Voor er geld was, ruilden mensen producten direct met elkaar — dat heet directe ruil. Dat is niet altijd handig: de hoeveelheden moeten kloppen en de ander moet precies hebben wat jij wilt. Geld loste dit op: je verkoopt iets en gebruikt het geld later om iets anders te kopen. Dat heet indirecte ruil — geld is het ruilmiddel. Maar geld heeft drie functies: als ruilmiddel (kopen en verkopen), als rekenmiddel (waarde vergelijken) en als spaarmiddel (bewaren voor later).
Noah betaalt zijn broodje bij de schoolkantine met zijn telefoon — één tikje en het geld is weg van zijn rekening. Zijn oma geeft hem met zijn verjaardag altijd een briefje van €50. Twee manieren van betalen, twee soorten geld. Chartaal geld zijn alle munten en bankbiljetten — contant geld dat je kunt aanraken. Giraal geld staat op je betaalrekening en gebruik je door te pinnen, tikken met je telefoon of via een betaalapp. In Nederland worden steeds meer betalingen giraal gedaan. En elektronisch betalen heeft voordelen: het is snel, veilig en je hebt geen wisselgeld nodig.
Saldo berekenen: Creditsaldo = positief (je hebt geld). Debetsaldo = negatief (je staat rood). Nieuw saldo = Oud saldo + Bijschrijvingen − Afschrijvingen.
Noah wil een nieuwe telefoon — zijn huidige is bijna kapot. Prijs: €349. Met €60 per week verdient hij dat niet in één keer. Hij besluit te sparen: elke week €20 opzij. Maar op welke rekening? En wat levert dat op? Sparen is geld opzij zetten voor later, en de keuze hangt af van je doel.
Er zijn twee manieren waarop rente wordt berekend. Bij enkelvoudige rente wordt rente altijd over het originele bedrag berekend. Bij samengestelde rente krijg je rente óver je rente — en groeit je spaargeld sneller.
Noah heeft na drie maanden sparen €240 opzij gezet. Zijn ING-rekening geeft 1,5% rente. Maar de inflatie is 3%. Groeit zijn spaargeld wel echt? Zijn spaarrekening groeit door rente — maar inflatie holt de koopkracht van je spaargeld uit. Als inflatie hoger is dan je rente, word je er in werkelijkheid armer van.
Inflatie > spaarrente → koopkracht spaargeld neemt af
Inflatie < spaarrente → koopkracht spaargeld neemt toe
Noah ziet bij de Jumbo een advertentie: "Nu een AirTag-portemonnee — betaal in 3 termijnen van €10!" Klinkt aantrekkelijk. Maar is het slim? Soms heb je geld nodig dat je nog niet hebt. Er zijn vier leenmotieven: een tijdelijk geldtekort opvangen, een dure aankoop niet uitstellen, dringend geld nodig zonder spaargeld, of een woning kopen (hypothecaire lening). Lenen kan dan een oplossing zijn — maar het kost altijd geld. Je betaalt het geleende bedrag (de kredietsom) terug in termijnen, plus kredietkosten: rente en eventuele administratiekosten. Alles wat je méér terugbetaalt dan je leende, zijn de kredietkosten.
Er zijn verschillende soorten leningen, elk met eigen regels. Een persoonlijke lening heeft vaste termijnen en een vast termijnbedrag. Bij een doorlopend krediet leen je tot een kredietlimiet, los je af en mag je opnieuw bijlenen. Een salariskrediet is roodstand op je betaalrekening. En ook als je in termijnen betaalt in de winkel — koop op afbetaling — is dat een lening, nu bij de winkelier.
Banken zijn de bemiddelaars tussen mensen die geld hebben (spaarders) en mensen die geld nodig hebben (leners). Het aanbod van geld komt van huishoudens die sparen. De vraag naar geld komt van huishoudens en bedrijven die willen lenen. De bank brengt die twee bij elkaar: jouw spaargeld wordt uitgeleend aan anderen, en jij krijgt daarvoor spaarrente. De bank verdient het verschil tussen de rente die ze ontvangt van leners en de rente die ze betaalt aan spaarders. Ze verdienen geld door een hogere rente te vragen dan ze uitbetalen.
Hoe verdient een bank geld? Door het renteverschil: de bank betaalt spaarders 2% rente en vraagt leners 5% rente. Het verschil van 3% is de winst van de bank.
Sparen is veilig maar levert weinig op. Beleggen kan meer opleveren — maar er zit ook risico aan vast. Als aandeelhouder deel je mee in de winst via dividend, en als de koers stijgt maak je koerswinst. Maar de koers kan ook dalen, of een bedrijf kan failliet gaan — dan verlies je (een deel van) je geld. De basisregel: hoe hoger het potentiële rendement, hoe groter het risico.
Noahs klas gaat op schoolreis naar Londen. Hij heeft €80 gespaard voor souvenirs en eten. In Engeland betaal je niet met euro's maar met Britse ponden (£). Hoe weet hij hoeveel £ hij krijgt voor zijn €80? Dat hangt af van de wisselkoers: de waarde van €1 uitgedrukt in de vreemde munt. Stel: €1 = $1,10 — dan krijg je voor €100 precies $110. De wisselkoers verandert elke dag. Let op: banken en wisselkantoren hanteren twee koersen — een aankoopkoers en een verkoopkoers. Je koopt vreemd geld altijd tegen een hogere koers dan je het terugverkoopt.
Noah heeft drie weken gespaard en koopt een tweedehands racefiets van €350. Eén week later staat hij voor een leeg fietsenrek — zijn fiets is gestolen. Hij heeft geen verzekering. Had hij er een moeten hebben? Zulke dingen kosten geld — soms heel veel geld. Of je je moet verzekeren hangt af van twee dingen: de kans op schade en het mogelijke schadebedrag. Als je het zelf kunt betalen, is verzekeren minder nodig. Als de schade groot kan zijn, is verzekeren verstandig. Je kunt je alleen verzekeren voor een onzeker voorval: een gebeurtenis waarvan je niet weet of en wanneer die ooit plaatsvindt.
Verzekeren heeft geen zin als: je genoeg spaargeld hebt om de schade zelf te betalen, of als de schade zo klein is dat je hem makkelijk zelf kunt dragen. De verzekeraar verdient immers altijd aan premies.
Noah vraagt zich af: als hij zijn volgende fiets wél had verzekerd, wat had dat gekost? En krijg je dan altijd alles terug? Voor een verzekering betaal je premie aan de verzekeraar. Met die premies van alle verzekerden samen kan de verzekeraar schadevergoedingen uitbetalen, zijn bedrijfskosten betalen, een reserve opbouwen én winst maken. Bij schade krijg je niet altijd het volledige schadebedrag vergoed — je betaalt zelf een deel: het eigen risico. Hoe hoger je eigen risico kiest, hoe lager je premie wordt.
Noah vraagt zijn ouders: "Als mijn fiets was gestolen, had de inboedelverzekering dat dan gedekt?" Zijn vader legt het uit — en het antwoord verrast Noah. Thuis zijn er meerdere risico's te verzekeren. De AVP (Aansprakelijkheidsverzekering Particulieren) dekt schade die jij of je gezin per ongeluk bij anderen veroorzaakt — ook huisdieren vallen hieronder. Voor je huis zijn er twee verzekeringen: de inboedelverzekering (voor de spullen in je huis, verzekerd voor nieuwwaarde) en de opstalverzekering (voor het huis zelf, verzekerd voor herbouwwaarde).
De premie voor een woonhuisverzekering hangt af van de waarde waarvoor je verzekerd bent. Het premietarief is een bedrag per €1.000 verzekerd bedrag. Ben je voor te weinig verzekerd en je hebt schade? Dan vergoedt de verzekeraar maar een evenredig deel — dat heet onderverzekering. Door regelmatig de verzekerde waarde te controleren en aan te passen aan prijsstijgingen voorkom je dat je ongemerkt te laag verzekerd raakt.
Noah (nu 16) gaat met zijn familie op vakantie naar Griekenland. Op Kreta wil hij een scooter huren om het eiland te verkennen. Het verhuurbedrijf vraagt: "Wil je de basisverzekering erbij?" Noah heeft geen idee wat dat inhoudt. Zijn vader legt het uit: zodra je met een scooter of auto de weg op gaat, ben je wettelijk verplicht een WA-verzekering (Wettelijke Aansprakelijkheid) te hebben. Die dekt schade die jij aan anderen toebrengt. Een cascoverzekering dekt ook je eigen schade. De combinatie heet een allriskverzekering. De hoogte van de premie hangt af van het soort verzekering, het gewicht of de cataloguswaarde van het voertuig, kilometers per jaar, regio, leeftijd van de bestuurder en het eigen risico.
Na een geweldige week op Kreta geeft Noah de scooter onbeschadigd terug. "Als je dit elk jaar schadevrij doet," zegt zijn vader, "bouw je no-claim op en betaal je steeds minder premie." Hoe langer je schadevrij rijdt, hoe minder premie je betaalt. Verzekeraars werken met een no-claimsysteem: elk schadevrij jaar stijg je op een trede van de no-claimladder en daalt je premie. Claim je wel schade? Dan val je terug op de ladder en stijgt je premie. Het is dus niet altijd verstandig om kleine schades te claimen — soms is het goedkoper om de schade zelf te betalen. Vergelijkingssites helpen je de goedkoopste verzekering te vinden.
| Trede | Schadevrije jaren | No-claimkorting |
|---|---|---|
| 8 | 4+ | 75% |
| 5 | 1 | 60% |
| 4 (start) | 0 | 55% |
| 1 | −3 | 25% |
| 0 | −4 | 0% |
Lisa (Noahs zus) wordt binnenkort 18. Ze vertelt thuis: "Ik moet nu zelf een zorgverzekering afsluiten — en dat kost €140 per maand!" Noah denkt: dat staat mij ook te wachten. In Nederland is iedereen van 18 jaar en ouder verplicht een zorgverzekering af te sluiten voor de basisverzekering. Die dekt huisarts, ziekenhuis en medicijnen. Onder de 18 jaar ben je gratis meeverzekerd op de polis van je ouders. Naast de basisverzekering kun je een aanvullende verzekering afsluiten, bijvoorbeeld voor de tandarts of fysiotherapie — dat is niet verplicht. Verzekeraars hebben een acceptatieplicht voor de basisverzekering: ze mogen niemand weigeren.
Lisa betaalt net zoveel premie als haar opa van 72. "Is dat eerlijk?" vraagt Noah. Zijn vader legt het uit. Het verplichte eigen risico is er om zorggebruik te remmen. Maar er is ook een dieper principe: solidariteit. Iedereen betaalt mee — ook gezonde mensen — zodat zieke mensen de zorg kunnen betalen die ze nodig hebben. De overheid helpt mensen met een laag inkomen via zorgtoeslag: een bijdrage in de kosten van de zorgverzekering, aan te vragen bij de Belastingdienst.
Noah werkt inmiddels bijna een jaar bij de Jumbo. Zijn moeder vraagt: 'Vind je het niet zwaar, elke zaterdag werken?' Noah denkt na. Het geld is fijn — maar hij vindt het ook leuk om zijn collega's te zien en iets nuttigs te doen. Waarom ga jij werken? Alleen voor het geld? Nee — er zijn meerdere arbeidsmotieven: geld verdienen, nuttig en zinvol bezig zijn, contact met andere mensen, regelmaat in je leven en nieuwe dingen leren. Hoeveel je verdient hangt af van je opleiding (geschoold vs. ongeschoold werk), je functie en wat er in je arbeidsovereenkomst en de cao is vastgelegd. Het wettelijk minimumloon is de ondergrens.
Noah kijkt voor het eerst goed naar zijn loonstrookje. Hij werkte 8 uur à €7,50 bruto — dat is €60 bruto. Maar er is €2,40 loonheffing ingehouden. Op zijn rekening staat €57,60. Wat is er afgehouden en waarom? Van je brutoloon houdt je werkgever loonbelasting en sociale premies in. Wat overblijft is je nettoloon — het bedrag op je rekening. Naast loon in loondienst zijn er ook andere arbeidsvormen: wit werk (officieel, met belasting), zwart werk (niet opgegeven aan de Belastingdienst, illegaal) en grijs werk (een tussenvorm). Het wettelijk minimumloon geldt voor iedereen van 21 jaar en ouder; voor jongeren gelden lagere percentages.
Noahs oom Riad heeft een eigen kapsalon in de buurt. Noah helpt hem een middag met schoonmaken en ziet hoe anders een klein bedrijf werkt dan de Jumbo. Welke sector zit de Jumbo in? En de kapsalon? En Noahs school? Je kent de drie productiesectoren al van klas 2. In klas 3 voegen we de quartaire sector toe: de niet-commerciële dienstverlening, zoals onderwijs, zorg en overheid. Bedrijven verdelen taken via arbeidsverdeling: iedereen doet waarvoor hij of zij het meest geschikt is. Er is leidinggevend werk (beslissingen nemen, aansturen) en uitvoerend werk (de taken uitvoeren). Een eigen bedrijf beginnen kan als eenmanszaak, zzp, vof, nv of bv — elke vorm heeft andere regels voor aansprakelijkheid en winstverdeling.
Oom Riad werkt alleen — hij is zijn eigen baas en draait voor alles op. Noah vraagt: 'Stel dat iemand jou aanklaagt voor een mislukte coupe — ben jij dan persoonlijk aansprakelijk?' Riad zucht: 'Helaas wel.' Dat is het risico van zijn ondernemingsvorm. Als je een bedrijf start, kies je een ondernemingsvorm. Die keuze bepaalt hoe aansprakelijk je bent voor schulden. Bij een eenmanszaak of vof ben je privé aansprakelijk: schuldeisers kunnen je privébezit aanspreken. Bij een bv of nv is de aansprakelijkheid beperkt tot het ingelegde kapitaal. Een zzp'er (zelfstandige zonder personeel) werkt als eenmanszaak maar voor meerdere opdrachtgevers. Een nv heeft aandelen die vrij verhandelbaar zijn; bij een bv zijn dat besloten aandelen.
Noah hoort op het nieuws dat jongeren het moeilijkst werk vinden — zelfs voor bijbaantjes. Zijn klasgenote Amara heeft drie keer gesolliciteerd maar steeds afwijzingen gekregen. Noah vraagt zich af: hoe werkt die arbeidsmarkt eigenlijk? De arbeidsmarkt is de markt waar werkgevers en werknemers elkaar vinden. De vraag naar arbeid bepaalt de werkgelegenheid — alle arbeidsplaatsen bij bedrijven en de overheid. Het aanbod van arbeid komt van de beroepsbevolking: iedereen van 15 jaar tot de pensioenleeftijd die werkt of actief werk zoekt. Steeds meer mensen werken flexibel: als uitzendkracht of oproepkracht, alleen inzetbaar als een bedrijf ze nodig heeft.
Amara en Noah solliciteren allebei bij een supermarkt. Noah krijgt een uitnodiging, Amara niet — terwijl ze allebei even oud zijn en vergelijkbare ervaring hebben. Toeval? Misschien. Maar discriminatie op de arbeidsmarkt is een bewezen probleem. Iedereen verdient gelijke kansen op de arbeidsmarkt. Maar in de praktijk werkt dat niet altijd zo: ouderen en mensen met een migratieachtergrond vinden moeilijker werk, en vrouwen verdienen gemiddeld minder dan mannen in dezelfde functie. De Algemene wet gelijke behandeling verbiedt onderscheid op basis van geslacht, religie, leeftijd en afkomst. Toch blijft discriminatie op de arbeidsmarkt een hardnekkig probleem.
Noahs vader werkt als bouwvakker, maar zijn bedrijf heeft minder opdrachten door de gestegen bouwkosten. Hij wordt tijdelijk werkloos. Thuis merkt Noah het direct: zijn vader zit vaker thuis, er is minder geld, en de sfeer is gespannen. Werkloos zijn heeft grote gevolgen — niet alleen financieel (minder inkomen), maar ook sociaal en psychologisch: je verliest het contact met collega's, kunt je nutteloos voelen en raakt je dagelijkse structuur kwijt. Je bent officieel werkloos als je tussen de 15 en de pensioenleeftijd bent, geen baan hebt én actief naar werk zoekt. Je kunt je inschrijven bij het UWV (Uitvoeringsinstantie Werknemersverzekeringen), dat je helpt bij het zoeken naar werk en beoordeelt of je recht hebt op een WW-uitkering.
Gevolgen van werkloosheid: verlies van contact met collega's, nutteloosheidsgevoel, lager inkomen, misschien verhuizen. Werk geeft niet alleen geld, maar ook structuur en sociale contacten.
Noahs vader is niet de enige: zijn collega's in de bouw zitten ook thuis. Maar een kassamedewerker bij de Jumbo verloor haar baan door een nieuwe zelfscankassa. En Noahs neef zit tussen twee bijbanen in. Drie mensen werkloos — maar om totaal verschillende redenen. Niet alle werkloosheid heeft dezelfde oorzaak. Conjuncturele werkloosheid ontstaat door een economische neergang — minder vraag naar producten betekent minder personeel nodig. Structurele werkloosheid ontstaat door blijvende veranderingen, zoals automatisering. Daarnaast zijn er frictiewerkloosheid (tijdelijk tussen twee banen), seizoenwerkloosheid (terugkerend door seizoensgebonden werk) en regionale werkloosheid (concentratie van werkloosheid in bepaalde gebieden).
Ines is een klasgenote van Noah. Ze maakt zelfgemaakte armbanden van kralen en verkoopt die via haar Instagram en op de weekmarkt. Wat heeft ze nodig om te produceren? Om iets te produceren heb je middelen nodig. Die middelen heten productiefactoren. Er zijn er vier: natuur (grond, regenwater, grondstoffen, fossiele brandstoffen), arbeid (de menselijke inspanning), kapitaal (machines, gebouwen, voertuigen) en ondernemerschap (de ondernemer die alles combineert en risico neemt). Elke productiefactor heeft een eigen beloning: pacht voor natuur, loon voor arbeid, rente of huur voor kapitaal, en winst voor de ondernemer.
Toegevoegde waarde = alle beloningen samen. De som van alle pacht, lonen, rente, huren en winsten in een bedrijf is gelijk aan de totale toegevoegde waarde van dat bedrijf.
Voordat Ines een armband kan verkopen, hebben er al meerdere bedrijven aan bijgedragen: een mijnbedrijf wint de edelstenen, een handelaar verkoopt de kralen, Ines koopt ze in en maakt de armband, en haar klant koopt het eindproduct. Van grondstof tot eindproduct doorloopt een product meerdere bedrijven. Elk bedrijf in die keten voegt waarde toe aan het product en verkoopt het duurder door dan het ingekocht heeft. De reeks van bedrijven die achtereenvolgens aan een product werken heet de bedrijfskolom. Het verschil tussen de verkoopprijs en de inkoopprijs per bedrijf is de toegevoegde waarde. Alle toegevoegde waarden samen in een land vormen het nationaal inkomen.
Ines maakt elke armband met de hand — veel arbeid, weinig machines. De kralengroothandel waar ze inkoopt, gebruikt geautomatiseerde sorteerrobots. Sommige bedrijven draaien vooral op mensen, andere op machines. Een bedrijf dat relatief veel arbeid gebruikt en weinig kapitaal heet arbeidsintensief — denk aan een restaurant of thuiszorginstelling. Een bedrijf dat relatief veel machines gebruikt heet kapitaalintensief — zoals een autofabriek of een raffinaderij. Machines worden elk jaar minder waard door gebruik en slijtage: dat heet afschrijving. Hoe je afschrijving berekent hangt af van de aanschafprijs en de economische levensduur.
Ines koopt een setje kralen in voor €1,50 en verkoopt de armband voor €4,50. Maar is dat genoeg? Ze moet ook haar marktkraam betalen. Een winkelier koopt producten in en verkoopt ze duurder. Het verschil tussen inkoopprijs en verkoopprijs heet de brutowinstopslag. Die opslag is een percentage van de inkoopprijs. Met de brutowinstopslag betaalt de winkelier zijn bedrijfskosten (huur, personeel, energie) én behaalt hij winst. De verkoopprijs kun je berekenen door de brutowinstopslag bij de inkoopprijs op te tellen, of door de inkoopprijs te vermenigvuldigen met (1 + opslagpercentage).
Ines verkoopt haar armbanden voor €4,50. Maar hoeveel btw moet ze afdragen? En als ze op haar prijskaartje €5,- wil vragen inclusief btw, hoe hoog is haar prijs dan excl. btw? Bovenop de verkoopprijs betaalt de consument btw. De winkelier draagt die af aan de overheid — hij verdient er niets aan. Je kunt ook terugrekenen: hoeveel btw zit er ín een prijs die je al kent?
Ines heeft een goede marktdag: ze verkoopt 18 armbanden. Maar wat heeft ze er nou écht aan overgehouden? Van verkoop naar echte winst gaat in stappen. De afzet bepaalt de omzet; van de omzet trek je de inkoopwaarde af voor de brutowinst; dan nog de bedrijfskosten en je hebt de nettowinst.
Ines verkoopt op twee plekken: op de weekmarkt in haar stad en via Instagram. Zijn dat allebei markten? De term "markt" betekent in de economie meer dan een weekmarkt. Een concrete markt is een fysieke plek waar goederen worden verhandeld — een weekmarkt, winkel of beurs. Een abstracte markt bestaat uit alle vraag naar en aanbod van een product, zonder dat er een vaste locatie is — denk aan de woningmarkt, de arbeidsmarkt of de wereldmarkt voor olie. Abstracte markten kun je opdelen in deelmarkten, zoals de woningmarkt in een markt voor koopwoningen en huurwoningen.
Ines vraagt €4,50 voor haar armbanden. Op een rustige marktdag houdt ze er drie over. De week daarna verlaagt ze de prijs naar €3,80 — en verkoopt ze alles. Wanneer is er nu een evenwichtsprijs? Vraag en aanbod bepalen samen de prijs. Bij de prijs waarbij precies evenveel wordt gevraagd als aangeboden, spreken we van de evenwichtsprijs. En als bedrijf wil je weten hoe groot jouw stuk van de marktkoek is: dat is je marktaandeel.
Ines betaalt €15 per marktdag voor haar kraampje — of ze nu 5 of 25 armbanden verkoopt. De kralen kosten haar €1,20 per armband — hoe meer ze maakt, hoe meer ze uitgeeft. Productiekosten zijn niet allemaal hetzelfde. Vaste kosten betaal je altijd — ook als je niets produceert. Ze blijven in totaal gelijk, maar per product worden ze lager naarmate je meer produceert. Voorbeelden: huur, loon vaste medewerkers, afschrijving. Variabele kosten nemen toe als je meer produceert en dalen als je minder produceert — maar per product blijven ze gelijk. Voorbeelden: grondstoffen, energie, loon flexwerkers.
Ines kan per marktdag maximaal 20 armbanden maken. Maar als ze haar werkplek beter organiseert — alles klaargezet, vaste volgorde — maakt ze er 25. Is dat realistisch? Hoeveel kan een bedrijf maximaal produceren? Dat is de productiecapaciteit — de maximale hoeveelheid die een bedrijf kan maken met de beschikbare mensen en machines. Een bedrijf produceert zelden op volle capaciteit. De arbeidsproductiviteit geeft aan hoeveel een medewerker in een bepaalde tijd produceert. Die kun je verhogen door te mechaniseren, automatiseren of werknemers beter op te leiden. Meer arbeidsproductiviteit = meer produceren met dezelfde mensen.
Bedrijven veroorzaken niet alleen winst, maar ook maatschappelijke kosten: vervuiling, files, geluidsoverlast. Maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) betekent dat een bedrijf rekening houdt met meer dan alleen winst. Het gaat om drie P's: People (eerlijke arbeidsomstandigheden), Planet (milieu en duurzaamheid) en Profit (financieel gezond blijven). Bedrijven die MVO serieus nemen zorgen zo dat hun activiteiten op lange termijn goed zijn voor mensen, milieu én bedrijfsresultaten.
Noah kijkt op het label van zijn nieuwe Jordans: 'Made in Vietnam'. Zijn telefoon: 'Assembled in China'. Bij de Jumbo verkoopt hij elke dag Spaanse tomaten en Keniaanse boontjes. Alles om hem heen komt van ergens anders. Waarom maakt Nederland die dingen niet zelf? Nederland is een kleine, open economie midden in Europa. We importeren wat we niet zelf kunnen maken of wat elders goedkoper wordt geproduceerd: grondstoffen die hier niet voorkomen, landbouwgewassen die niet in ons klimaat groeien, en producten die consumenten willen maar die hier niet worden gemaakt. We exporteren producten die in Nederland zijn gemaakt én producten die we eerst hebben ingevoerd en onbewerkt doorverkopen: dat heet wederuitvoer. Rotterdam als doorvoerhaven speelt daarin een grote rol.
Noah vraagt aan zijn moeder: 'Als Nederland zoveel importeert, heeft het dan niet steeds meer schulden?' Ze legt uit dat Nederland ook veel exporteert — meer dan het importeert. Dat staat allemaal op de betalingsbalans. Hoeveel geld gaat er in totaal het land in en uit door handel? Dat staat op de betalingsbalans: een overzicht van alle ontvangsten uit het buitenland en alle betalingen aan het buitenland. De invoerwaarde is het totale bedrag dat we voor import betalen; de uitvoerwaarde is wat we aan export verdienen. Als de uitvoerwaarde hoger is dan de invoerwaarde is er een handelsoverschot — het saldo op de betalingsbalans is dan positief.
Ines ziet op Etsy dat Chinese verkopers vergelijkbare armbanden aanbieden voor €1,50 — minder dan wat zij voor haar kralen betaalt. Hoe kan dat? Landen concurreren met elkaar op de wereldmarkt. Nederland heeft een sterke internationale concurrentiepositie: we kunnen beter en/of goedkoper produceren dan veel andere landen, dankzij goed onderwijs en goede infrastructuur. Internationale arbeidsverdeling houdt in dat elk land maakt waar het goed in is. Zo kunnen consumenten wereldwijd kiezen uit de beste producten tegen de laagste prijs — wat de welvaart in de wereld vergroot. De toename van wereldwijde handel en contacten heet globalisering. Multinationals zoals Shell, Ikea en McDonald's zijn niet meer aan één land gebonden.
Ines vraagt zich af: als de overheid een invoerrecht zou heffen op goedkope Chinese sieraden, zou ze dan makkelijker kunnen concurreren? Vrijhandel is goed voor de welvaart — maar niet voor elke sector in elk land. Soms beschermen landen hun eigen industrie met protectiemaatregelen zoals invoerrechten, importquota of exportsubsidies. Een invoerrecht maakt buitenlandse producten duurder, waardoor eigen producenten worden beschermd. Nadeel: consumenten betalen meer en de internationale welvaart daalt. De meeste economen zijn dan ook vóór vrijhandel en tégen protectie — maar politiek is dat een stuk gecompliceerder.
Op vakantie in Griekenland betaalde Noah gewoon met zijn pinpas — geen valuta wisselen, geen douane. Op de schoolreis naar Londen moest hij wél ponden wisselen. Waarom is dat zo anders? Nederland is één van de 27 lidstaten van de Europese Unie. Binnen de EU gelden speciale regels voor handel via de interne markt: grenzen spelen geen rol bij handel tussen EU-landen. De interne markt heeft drie vrijheden: vrij verkeer van goederen en diensten (vrijhandel), vrij verkeer van personen (wonen, werken, studeren in elk EU-land) en vrij verkeer van kapitaal (sparen, lenen en investeren in elk EU-land). Het CE-keurmerk geeft aan dat een product aan alle EU-eisen voldoet.
Noah wisselde in Londen €80 naar £68,80 (H3). Maar als hij een jaar later terugkomt en de koers is veranderd, krijgt hij voor diezelfde €80 misschien meer of minder pond. Bedrijven die elke dag handelen hebben daar veel last van. Handel buiten de eurozone betekent werken met wisselkoersen. Die kunnen veranderen — met grote gevolgen voor bedrijven en consumenten. Als de euro sterker wordt ten opzichte van de dollar, worden Europese producten duurder voor Amerikanen (minder export) maar goedkoper voor Europeanen om te importeren. Als de euro zwakker wordt, is het omgekeerde het geval. Bedrijven die veel internationaal handelen lopen daardoor wisselkoersrisico.
Voordelen van de euro: prijzen in eurolanden zijn direct vergelijkbaar, geen wisselkosten bij reizen of handel binnen de eurozone, geen wisselkoersrisico voor bedrijven die in de eurozone handelen.
Ines koopt haar kralen bij een handelaar die ze importeert uit Marokko. Ze vraagt zich af: hoeveel verdient de vrouw die deze kralen met de hand maakt? En hoe arm is Marokko eigenlijk vergeleken met Nederland? Om de welvaart van landen te vergelijken kijk je naar het inkomen per hoofd van de bevolking: het nationaal inkomen gedeeld door het aantal inwoners. Maar dat vertelt niet het hele verhaal. Je moet ook kijken naar de inkomensverdeling (in ontwikkelingslanden is die vaak erg ongelijk), naar zelfvoorziening en informele economie (tellen niet mee voor het nationaal inkomen maar zorgen wel voor welvaart), en naar de koopkracht (met hetzelfde inkomen koop je in een goedkoop land meer dan in een duur land).
De Marokkaanse kralenmaakster verdient weinig. Ze kan haar kinderen niet naar een goede school sturen. Zonder diploma's verdienen zij ook weinig. Armoede in ontwikkelingslanden heeft meerdere oorzaken die elkaar versterken. Ze zitten vast in een vicieuze cirkel: weinig inkomen → geen geld voor onderwijs → geen geschoolde arbeid → lage productiviteit → weinig inkomen. Andere oorzaken zijn slechte infrastructuur, politieke instabiliteit, corruptie, schulden aan rijke landen en klimatologische omstandigheden. Die cirkel doorbreken lukt zelden zonder hulp van buitenaf.
Cirkel doorbreken: beter onderwijs → kinderen gaan naar school → voldoende scholing → beter betaald werk → meer welvaart → kinderen hoeven niet te werken. Ontwikkelingssamenwerking, eerlijke handel en het afschaffen van protectiemaatregelen helpen hierbij.
Ines besluit bewust Fairtrade-kralen te kopen: €0,30 duurder per setje, maar de kralenmaakster in Marokko krijgt een eerlijke prijs. Ines vraagt zich af of dat echt helpt, of dat je voor echte verandering meer nodig hebt. Armoede bestrijden kan op twee manieren. Noodhulp reageert snel op acute crises zoals hongersnood, aardbevingen of overstromingen: voedsel, medicijnen en onderdak. Structurele hulp richt zich op de lange termijn: betere landbouwtechnieken, onderwijs, gezondheidszorg en het opbouwen van eigen industrie. Structurele hulp is effectiever omdat het landen helpt zichzelf te redden. Bekende voorbeelden van ontwikkelingsorganisaties: Oxfam Novib, UNICEF en de Wereldbank. Ook Fairtrade draagt bij: eerlijke prijzen voor producten uit ontwikkelingslanden.
Noah heeft er nooit bij stilgestaan, maar de overheid speelt elke dag een rol in zijn leven. De centrale overheid heet het Rijk. Het Rijk maakt wetten en regels die voor het hele land gelden — van Amsterdam tot Pijnacker. Ministers vormen het bestuur en zijn verantwoordelijk voor nationale zaken zoals defensie, het NS-spoornet en de snelwegen.
Noah fietst elke dag naar school over een fietspad — aangelegd door de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Soms gaat hij naar Zoetermeer via de provinciale N470, of neemt hij de bus naar Delft — beide geregeld door de provincie Zuid-Holland. En zijn vader rijdt dagelijks over de A12 — een rijksweg. Drie overheden, één gezin, één dag. Naast het Rijk zijn er lagere overheden die taken uitvoeren voor een kleiner gebied — jouw buurt, gemeente of regio. De provincie regelt regionale zaken: bedrijventerreinen aanwijzen, recreatiegebieden en aanleg van provinciale wegen. De gemeente regelt lokale zaken: jeugd- en ouderenzorg, afgifte paspoort en rijbewijs. Het waterschap zorgt voor maatregelen tegen overstromingen en de zuivering van afvalwater.
Noahs moeder overweegt zonnepanelen op het dak. Er is subsidie beschikbaar — de overheid betaalt een deel mee. Maar Noahs vader tankt nog benzine en betaalt daarvoor accijns: de overheid maakt fossiele brandstof bewust duur. Trekken en duwen tegelijk. De overheid wil dat mensen en bedrijven beter omgaan met het milieu en energie. Ze doet dat door gewenst gedrag te stimuleren met subsidies en belastingvoordelen — zoals subsidie voor zonnepanelen of een belastingkorting op een elektrische auto. Zo maakt de overheid duurzame keuzes aantrekkelijker.
Naast stimuleren kan de overheid ook ongewenst gedrag afremmen via heffingen en verboden. Accijns op tabak en alcohol maakt deze producten bewust duurder. Parkeergeld en tol remmen autogebruik in de stad. En uitstootnormen verbieden de meest vervuilende voertuigen. Zo stuurt de overheid gedrag zonder het te verbieden.
Noah gaat elke dag naar school. Zijn buurjongen ook — ook al verdienen zijn ouders veel minder. Dat is geen toeval: het is een bewuste keuze van de overheid. In Nederland zijn er veel voorzieningen waar iedereen gebruik van kan maken: onderwijs, gezondheidszorg, openbaar vervoer, defensie en dijken. Die voorzieningen worden betaald uit belastingen en noem je collectieve voorzieningen. Ze zijn er voor iedereen — ongeacht inkomen of vermogen.
Maar waarom betaalt de overheid voor Noahs school en niet hijzelf — of zijn ouders? En waarom kan Noah gratis gebruik maken van het fietspad ook al betaalt hij zelf geen belasting? De overheid zorgt voor collectieve voorzieningen om drie redenen: de markt brengt ze niet voort omdat niemand ervoor wil betalen als je er toch van kunt profiteren (free rider-probleem), ze zijn niet-uitsluitbaar (niemand uitsluiten van gebruik), en niet-rivaliserend (gebruik door één persoon vermindert gebruik door anderen niet). Straatverlichting en defensie zijn klassieke voorbeelden.
Er is een belangrijk onderscheid tussen organisaties die voor de overheid werken en bedrijven die voor de markt werken. De collectieve sector omvat de overheid en alle door haar gefinancierde instellingen — zoals scholen, ziekenhuizen en uitvoeringsorganisaties. Ze hoeven geen winst te maken. De particuliere sector bestaat uit bedrijven en zelfstandigen die wél winst willen maken.
Noah neemt weleens de bus van Connexxion naar Delft. Dat is een privaat bedrijf — maar het rijdt op een lijn die de provincie heeft aanbesteed. De overheid hoeft niet alles zelf te doen. Voor sommige taken — zoals het ophalen van vuilnis of het beheer van energienetwerken — kan ook een privaat bedrijf worden ingeschakeld. Als de overheid een taak overdraagt aan de markt heet dat privatisering. Het idee is dat concurrentie leidt tot lagere prijzen en betere kwaliteit (marktwerking). Maar privatisering heeft ook risico's: winst kan ten koste gaan van kwaliteit of toegankelijkheid.
Bekende voorbeelden van privatisering in Nederland zijn de NS (gedeeltelijk) en de energiebedrijven. Er is ook kritiek op privatisering: als een bedrijf winst wil maken, gaat kwaliteit soms omlaag of worden tarieven hoger.
Noahs vader is werkloos (H5). Hij heeft een WW-uitkering aangevraagd. Hoe werkt dat systeem? Waar komt dat geld vandaan? Iedereen heeft geld nodig om van te leven — voor eten, kleding en een dak boven je hoofd. Dat verdien je meestal met werk. Maar dat lukt niet altijd: misschien heb je geen baan, ben je ziek, of kun je door een beperking niet werken. In zulke situaties kun je geld krijgen van de overheid: een uitkering.
Naast uitkeringen zorgt de overheid ook voor andere hulp voor mensen met weinig geld:
Noahs moeder betaalt elke maand premie — ook al is ze nu gezond en werkt ze volop. Noahs vader heeft jarenlang premie betaald en krijgt nu een uitkering terug. Dat is geen toeval: het is het systeem. Al die hulp kost veel geld. Dat geld moet ergens vandaan komen. In Nederland geldt het idee van solidariteit: we helpen elkaar. Mensen die werken, betalen belasting en sociale premies — een deel van hun salaris. Daarmee wordt de uitkering betaald voor mensen die tijdelijk geen inkomen hebben.
Zo zorgen we er samen voor dat iedereen kan leven, ook als het even tegenzit.
De sociale zekerheid in Nederland bestaat uit twee soorten: sociale verzekeringen (waar je premie voor betaalt) en sociale voorzieningen (betaald met belastinggeld).
Uitkeringen waar je recht op hebt als je premie hebt betaald via je werk. Er zijn twee soorten:
Uitkeringen die de overheid betaalt via belastinggeld. Je hoeft er geen premie voor te betalen.
Al die uitkeringen kosten veel geld. Door de vergrijzing — steeds meer ouderen, steeds minder werkenden — wordt het steeds moeilijker om alles te betalen. De overheid neemt daarom maatregelen om sociale zekerheid ook in de toekomst betaalbaar te houden.
Noah kijkt naar zijn loonstrookje: er is loonbelasting ingehouden. Zijn moeder betaalt elke week btw bij de Jumbo. En de gemeente stuurt zijn ouders een rekening voor riool en afval. Allemaal belasting — maar waarom? De overheid geeft geld uit aan van alles: scholen, ziekenhuizen, wegen en uitkeringen. Maar dat geld moet ergens vandaan komen. Daarom betaalt iedereen in Nederland belasting. Er zijn verschillende soorten:
Belastingen kun je verdelen in twee groepen: directe belastingen (die je rechtstreeks betaalt) en indirecte belastingen (die al in de prijs zitten van wat je koopt).
Niet iedereen kan evenveel belasting betalen. Daarom geldt in Nederland het draagkrachtbeginsel: verdien je weinig, dan betaal je minder belasting. Verdien je veel, dan betaal je meer. Je betaalt altijd een percentage van je inkomen — maar dat percentage stijgt mee met je inkomen.
Rijke mensen betalen dus meer dan mensen met een lager inkomen — zo probeert de overheid het verschil tussen arm en rijk niet te groot te laten worden.
Wie ergens gebruik van maakt, heeft er profijt van — en betaalt mee aan de kosten. Automobilisten betalen extra belasting omdat ze de weg gebruiken.
Noah hoort op het nieuws dat er wordt bezuinigd op jeugdzorg. Zijn buurmeisje zat in een jeugdhulptraject — dat wordt nu beperkt. Tegelijk krijgt zijn school €500 extra budget per leerling voor laptops. Hoe beslist de overheid waar het geld naartoe gaat? De overheid heeft elk jaar veel plannen: geld voor scholen, zorg, wegen en veiligheid. Maar net als Noah met zijn €60 per week, moet de overheid goed nadenken over wat ze kan uitgeven. Op Prinsjesdag — de derde dinsdag in september — worden die plannen bekendgemaakt in Den Haag. De koning leest de troonrede voor, daarna presenteert de minister van Financiën de begroting.
Pas als de Tweede Kamer en Eerste Kamer akkoord gaan, mag de regering het geld ook echt gaan uitgeven. De Kamer heeft dus de laatste stem over de plannen van het kabinet.
De overheid geeft geld uit dat van alle burgers samen is — want het komt uit belastingen. Daarom moet ze goed nadenken waar het naartoe gaat. Ze kan niet alles doen en moet keuzes maken.
Elk jaar worden prioriteiten gesteld, afhankelijk van wat er speelt. Voorbeelden:
De twee grootste posten op de rijksbegroting zijn zorg (ziekenhuizen, dokters, medicijnen) en sociale zekerheid (uitkeringen en hulp). Samen beslaan ze meer dan de helft van alle overheidsuitgaven.
Noahs vader was werkloos — de overheid moest meer uitbetalen aan uitkeringen terwijl er minder belasting binnenkwam. Is dat een probleem? Ook de overheid kan geld tekortkomen — of juist geld overhouden. Je kunt het vergelijken met Noahs situatie: als hij meer uitgeeft dan hij verdient, heeft hij een probleem. Als je geld overhoudt, kun je dat opzij zetten.
Als er een tekort is, heeft de overheid twee opties:
Als de overheid te weinig geld heeft, moet ze geld lenen. Dat doet ze bij banken, pensioenfondsen, verzekeraars en soms ook bij gewone burgers. Door al die leningen uit het verleden is er een staatsschuld ontstaan.
Op haar eerste loonstrook van de supermarkt ziet Dunya dat er automatisch loonheffing wordt ingehouden op haar brutoloon — zonder dat ze daar zelf iets voor moet doen. Dit bedrag gaat rechtstreeks naar de Belastingdienst. Loonheffing bestaat uit loonbelasting en premies volksverzekeringen. Door deze inhouding is haar nettoloon lager dan haar brutoloon.
Inkomstenbelasting betaal je over je hele privé-inkomen van een heel jaar. De loonheffing die Dunya's werkgever inhoudt, is een voorheffing: een vooruitbetaling op die inkomstenbelasting. Één keer per jaar doet ze (straks, als dat verplicht wordt) aangifte: ze geeft haar inkomsten van het afgelopen jaar op. Daarna stuurt de Belastingdienst een aanslag met het definitieve bedrag. Is de inkomstenbelasting gelijk aan de loonheffing? Dan gebeurt er niets. Is er te veel loonheffing ingehouden? Dan krijgt ze geld terug. Is er te weinig ingehouden? Dan moet ze bijbetalen.
Inkomstenbelasting wordt berekend over verschillende soorten inkomens. Box 1 gaat over het belastbaar inkomen uit werk en eigen woning. Bram, die inmiddels een koophuis heeft en met zijn bedrijfsauto ook privé rijdt, ziet dat zijn belastbaar inkomen uit meer bestaat dan alleen zijn nettowinst.
Het belastbaar inkomen bestaat uit: inkomen uit werk (loon of de nettowinst van je bedrijf), het eigenwoningforfait (heb je een koophuis, dan telt de overheid een deel van de waarde van je huis bij je inkomen op), en de bijtelling (rij je privé in een auto van de zaak, dan telt een deel van de nieuwwaarde van die auto mee). Daar mag je aftrekposten van aftrekken: kosten die je belastbaar inkomen lager maken, zoals betaalde hypotheekrente, giften aan goede doelen, en reiskosten woon-werkverkeer met het openbaar vervoer.
Je belastbaar inkomen in box 1 bereken je met het schijventarief. Over je belastbaar inkomen tot €68.508 betaal je 37,1%* — de meeste mensen hebben alleen met dit tarief te maken. Is je belastbaar inkomen hoger dan €68.508? Dan betaal je over het deel daarboven 49,5%*.
Het tarief in schijf 2 is hoger dan in schijf 1. Over een hoger inkomen betaal je daardoor in verhouding (in %) meer belasting dan over een lager inkomen. Dit noem je een progressief belastingtarief. Bij een degressief tarief betaal je naar verhouding juist minder belasting als je inkomen toeneemt. Bij een proportioneel tarief (vlaktaks) is er één belastingpercentage voor alle inkomens.
Vermogen is je bezit in de vorm van spaargeld, beleggingen, enzovoort. Over je vermogen betaal je belasting in box 3: de vermogensrendementsheffing. Over de eerste €50.000 betaal je geen belasting — dat is het heffingsvrij vermogen. De rest van je vermogen is het belastbaar vermogen. Daarover berekent de Belastingdienst het fictief rendement: een veronderstelde opbrengst, ook als je in werkelijkheid minder hebt verdiend. In box 3 betaal je belasting over dat fictieve rendement.
Nadat je de belasting in box 1 en box 3 hebt berekend, mag je daarvan de heffingskorting aftrekken: een korting op de inkomstenbelasting. Na aftrek van de heffingskorting blijft het bedrag over dat je daadwerkelijk aan belasting moet betalen. Er zijn verschillende heffingskortingen, bijvoorbeeld de algemene heffingskorting (voor iedereen) en de arbeidskorting (voor werkenden).
Heb je geen loonheffing betaald? Dan betaal je het hele verschuldigde bedrag aan de Belastingdienst. Is er loonheffing op je loon ingehouden? Dan betaal je alleen het verschil tussen de verschuldigde belasting en de betaalde loonheffing — of je krijgt het verschil terug.
Actieven zijn mensen met betaald werk. Inactieven zijn mensen zonder betaald werk die een uitkering ontvangen. Actieven betalen premies en belasting; een deel daarvan gaat als uitkering naar de inactieven. Dit noem je de herverdeling van inkomens. Er moeten voldoende actieven zijn om de sociale zekerheid te kunnen betalen.
Dunya's oma ontvangt AOW (Algemene Ouderdomswet): zij is, samen met veel andere ouderen, een inactieve met een uitkering. Door vergrijzing groeit de groep inactieven sneller dan de groep actieven. Gevolg: actieven zoals Dunya's moeder betalen premie voor steeds meer inactieven. De oplossing van de overheid: de AOW-leeftijd is verhoogd. Daarmee wordt de groep actieven groter (meer premiebetalers, omdat mensen langer doorwerken) en het aantal inactieven kleiner (minder AOW-uitkeringen, omdat mensen later met pensioen gaan).
Met herverdeling van inkomens beïnvloedt de overheid de verhouding tussen hoge en lage inkomens. Dit kan onder andere door belastingheffing, premieheffing, het geven van uitkeringen, en het geven van subsidies en toeslagen.
Nivellering: het inkomensverschil wordt naar verhouding kleiner — lagere inkomens gaan er in verhouding meer op vooruit dan hogere inkomens. Denivellering: het inkomensverschil wordt naar verhouding groter — hogere inkomens gaan er in verhouding meer op vooruit dan lagere inkomens.
| Inkomen | Vóór | Na | Stijging |
|---|---|---|---|
| Laag | €18.000 | €19.800 | +10% |
| Hoog | €90.000 | €92.250 | +2,5% |
Het lage inkomen stijgt relatief veel harder dan het hoge inkomen — het verschil wordt naar verhouding kleiner: nivellering.
Dunya Bram
Een hoger inkomen betekent meer draagkracht. Volgens het draagkrachtbeginsel betaal je meer belasting als je meer inkomen hebt — zo betaalt Dunya inkomstenbelasting naar verhouding van haar (kleinere) inkomen, en Bram naar verhouding van zijn (grotere) winst. Een progressief belastingtarief, zoals het schijventarief, hoort bij dit beginsel.
Profijt hebben betekent: ergens voordeel van hebben. Volgens het profijtbeginsel betaal je belasting voor het gebruik van goederen of diensten die de overheid levert. Bram heeft voor zijn werk een auto nodig, en betaalt daarom motorrijtuigenbelasting (wegenbelasting): hij maakt met zijn auto gebruik van de wegen die de overheid aanlegt en onderhoudt. Motorrijtuigenbelasting is ook een houderschapsbelasting: je betaalt hem voor het bezit van een auto, ook als je hem niet gebruikt.
Via de belasting betalen we samen de collectieve voorzieningen. Wie opzettelijk te weinig belasting betaalt, doet aan belastingontduiking of belastingfraude. Belastingontduiking is strafbaar, kan leiden tot meer belastingontduiking door anderen, en kost de overheid naar schatting €22 miljard per jaar.
Onzekerheid speelt overal in de economie een rol: consumenten, bedrijven en de overheid moeten voortdurend keuzes maken zonder zeker te weten wat de uitkomst zal zijn. Jim speelt dit seizoen in het 1e team van zijn volleybalclub — een leuke uitdaging, maar hij weet niet zeker of hij dit seizoen geblesseerd raakt.
Nu we weten dat risico de prijs van onzekerheid is: hoe bereken je die prijs eigenlijk precies? Daarvoor kijk je eerst naar de opbrengst van een onzekere situatie. Mila speelt op zaterdag als straatmuzikant in de binnenstad. Bij droog weer verdient ze €120 aan fooien, maar er is 25% kans op een regenbui die haar optreden vroegtijdig beëindigt — dan houdt ze maar €40 over.
Jim heeft ook net een scooter gekocht om naar trainingen te rijden. Twee verschillende risico's, twee verschillende soorten.
Mila's twee opties uit een eerdere kaart hebben allebei een verwachte opbrengst van €100: buiten optreden (risico €20) of het vaste café-optreden (risico €0). Toch is er voor haar wel degelijk een verschil — en dat verschil verklaart meteen waarom de meeste mensen een verzekering afsluiten, zoals je in H2 zult zien.
Sommige gebeurtenissen komen bijna nooit voor, maar hebben als ze wél gebeuren een enorme impact.
Jim heeft net een scooter van €1.000 gekocht. Onvrijwillige risico's zoals diefstal kun je niet vermijden — maar je kunt ze wel verzekeren. Jim sluit zich aan bij honderden andere scooterrijders die precies hetzelfde risico lopen.
Mila kreeg een gitaar van €900 voor haar verjaardag en speelt er nu ook op optredens buitenshuis mee. Een instrumentenverzekering kost €150 per jaar, terwijl haar risico (12% kans op schade van €900) maar €108 is. Toch sluit ze de verzekering af. Drie factoren bepalen deze keuze.
Jims scooterverzekeraar heeft duizenden klanten. Naast de schade-uitkeringen heeft de verzekeraar ook overige kosten, zoals personeel en kantoorruimte. Hoe blijft zo'n bedrijf winstgevend?
Een verzekering werkt goed als de verzekeraar het risico van elke klant goed kan inschatten. Maar de verzekeringsnemer weet altijd meer over zichzelf dan de verzekeraar. Jims scooterverzekeraar weet bijvoorbeeld niet hoe fanatiek en af en toe roekeloos Jim eigenlijk rijdt — dat informatieverschil leidt tot een ernstig marktprobleem.
Uiteindelijk: premie zo hoog dat de verzekering ophoudt te bestaan → marktfalen.
Ama is 16 en woont bij Kumasi, in Ghana. Haar dag begint vroeg: eerst meehelpen op de cacaoboerderij van haar ouders, dan pas naar school — als daar die week geld voor is. Hoe rijk of arm is een land als Ghana eigenlijk, vergeleken met Nederland? De meest gebruikte maatstaf is het inkomen per hoofd van de bevolking. Maar dat getal alleen vertelt niet het hele verhaal — het zegt bijvoorbeeld niets over Ama's schooldagen die soms uitvallen.
Dunya ken je al van eerdere hoofdstukken — ze werkt bij de supermarkt. Ama is 16 en woont bij Kumasi, Ghana. Haar familie is cacaoboer: het cacaogeld is de belangrijkste inkomstenbron van het gezin. Alleen het inkomen per hoofd vergelijken vertelt niet het hele verhaal:
| Dunya (Nederland) | Ama (Ghana) | |
|---|---|---|
| Gezinsinkomen | Rond het Nederlands gemiddelde, elke maand ongeveer even hoog | Afhankelijk van de cacao-oogst en de wereldmarktprijs — het ene jaar meer, het andere jaar amper genoeg |
| Onderwijs | Verplicht en gratis tot 18 jaar | Ama helpt mee op de boerderij; schoolgeld en schoolspullen moeten uit het cacaogeld komen |
| Zorg | Verzekerd, ziekenhuis dichtbij | Dichtstbijzijnde kliniek is een uur lopen |
Dit is precies waarom je bij het vergelijken van welvaart niet alleen naar het inkomen per hoofd moet kijken — onderwijs, zorg en zekerheid tellen net zo hard mee.
Neem Ama's familie. Valt de cacao-oogst tegen, dan is er soms te weinig geld voor schoolspullen — dan blijft Ama die periode thuis om mee te werken op het land. Dat is precies hoe een vicieuze cirkel werkt: arme gezinnen en landen blijven vaak arm, omdat problemen elkaar versterken. De oorzaak van het ene probleem is het gevolg van een ander probleem.
Nederland is een van de grootste handelslanden ter wereld. Rotterdam is de grootste haven van Europa. Maar waarom handelen we eigenlijk zo veel met het buitenland? Bram merkt het ook met zijn huiswerkplanner-app: in Nederland alleen zijn er maar zoveel scholieren die hem kunnen downloaden. Zet hij zijn app ook in de Belgische en Duitse app store, dan exporteert hij eigenlijk een dienst — en heeft hij in één klap een veel grotere afzetmarkt.
De wisselkoers is de prijs van een valuta uitgedrukt in een andere valuta. Als de euro goedkoper wordt (koersdaling), worden onze producten goedkoper voor buitenlanders — goed voor de export, maar duurder voor ons om te importeren.
| Koersverandering euro | Effect op export | Effect op import |
|---|---|---|
| Euro daalt (goedkopere euro) | ↑ Neemt toe | ↓ Neemt af |
| Euro stijgt (duurdere euro) | ↓ Neemt af | ↑ Neemt toe |
Dunya merkt dat haar eigen bestedingen — haar uitgaven aan goederen en diensten — de laatste jaren flink zijn veranderd. Twee jaar geleden ging haar geld vooral naar snoep, nu meer naar kleding en uitjes met vrienden. Bestedingen veranderen als je behoeften veranderen: als je ouder wordt, als je interesses veranderen, als er nieuwe producten op de markt komen, of als producten op nieuwe manieren worden aangeboden. Maar bestedingen veranderen ook door marketing: producenten beïnvloeden je met de 6 P’s.
Bij de supermarkt waar Dunya werkt liggen de energiedrankjes opvallend op ooghoogte, vlak bij de ingang — precies waar jongeren als zij langslopen. Dat is geen toeval. Een doelgroep is een groep consumenten met dezelfde kenmerken voor wie een product of boodschap bedoeld is, en bedrijven richten hun winkel en marketing daar bewust op in.
Bij de supermarkt ziet Dunya twee soorten chocoladerepen naast elkaar liggen: één met een Fairtrade-keurmerk, én zonder. Ze vraagt zich af of dat verschil eigenlijk maakt. Alles wat je koopt is ergens geproduceerd — de vraag is hoe (vervuilend? diervriendelijk?) en door wie (kinderarbeid? onderbetaalde werknemers?). Duurzaam consumeren betekent dat je bij je aankopen rekening houdt met de gevolgen voor mens en milieu. Het gevolg daarvan: lagere maatschappelijke kosten.
Dunya ziet bij de kassa dat haar energiedrankje duurder is geworden. De prijs was €1,20 en is met 15% gestegen. Wat is de nieuwe prijs?
Dat kan ook sneller, met een groeifactor: je rekent in één keer uit hoeveel procent het nieuwe bedrag is van het oude bedrag.
Aan het eind van de maand krijgt Dunya haar eerste echte loonstrookje en schrikt: er staat een hoger bedrag boven dan wat er op haar rekening verschijnt. Dat verschil zit in drie soorten inkomen. Haar brutoloon is het loon dat is afgesproken met haar werkgever. Haar nettoloon is het loon dat ze daadwerkelijk ontvangt, na inhouding van loonbelasting en sociale premies. En haar besteedbaar inkomen is het deel van haar inkomen dat ze daarna nog vrij kan uitgeven — want ook na het nettoloon volgen nog verplichte uitgaven, zoals gemeentelijke heffingen en de premie zorgverzekering.
Naast bruto, netto en besteedbaar bestaat er nog een ander onderscheid tussen inkomens. Dunya werkt drie middagen per week als vakkenvuller bij de supermarkt. Haar loon is een primair inkomen: een bruto inkomen uit arbeid. Primaire inkomens zijn bruto inkomens uit arbeid (loon, vakantiegeld, winst uit een eigen zaak) of uit bezit (rente over spaargeld, dividend van aandelen, huur- en pachtopbrengsten). Door inhouding van belasting en sociale premies ontstaan secundaire inkomens: netto inkomens uit arbeid en bezit, én overdrachtsinkomens zoals een werkloosheidsuitkering, bijstandsuitkering of kinderbijslag. Met premies en belastingen wordt inkomen dus overgedragen naar uitkeringen.
Op het journaal hoort Dunya dat het modaal inkomen in Nederland ongeveer €35.000 per jaar is, en ze vraagt zich af waarom de buurman die in de bouw werkt zoveel meer verdient dan haar moeder. Inkomensverschillen ontstaan door verschillen in opleiding, ervaring, de aantrekkelijkheid van het werk (zwaarte, risico’s) en de verhouding tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt.
Dunya's economieleraar laat een grafiek zien die in één plaatje toont hoe ongelijk inkomens in een land verdeeld zijn: de Lorenzcurve. De Lorenzcurve laat zien hoe alle inkomens over de bevolking verdeeld zijn. Op de horizontale as staat de bevolking in groepen verdeeld, van minst naar meest verdienend. Op de verticale as staat het percentage van het nationaal inkomen dat die groep samen verdient.
De eerste 30% van de bevolking (de laagste inkomens) verdient samen maar 5% van het nationaal inkomen. De eerste 60% verdient samen 30% van het nationaal inkomen. De eerste 90% verdient samen 80% van het nationaal inkomen. Hoe verder de curve van de diagonaal (de stippellijn van volkomen gelijke verdeling) af buigt, hoe groter de inkomensongelijkheid.
Het nationaal inkomen is wat alle inwoners van een land samen aan inkomen hebben uit arbeid en bezit. Hoe de Lorenzcurve eruitziet, verschilt sterk van land tot land — afhankelijk van hoe groot de inkomensverschillen zijn.
Dunya's loon van de supermarkt is in de eerste week na de betaaldag alweer op: ze had te veel tegelijk willen kopen. Om in je behoeften te voorzien heb je middelen nodig: geld om te consumeren (goederen en diensten kopen) en tijd voor zelfvoorziening (dingen zelf doen of maken). De hoeveelheid middelen is beperkt, terwijl het aantal behoeften vrijwel oneindig is. Daarom moet je prioriteiten stellen: welke behoeften krijgen voorrang? Als je in meer behoeften kunt voorzien, neemt je welvaart toe.
Bij de supermarkt vult Dunya de bananenkist aan. Zijn bananen schaars? De natuur levert vrije goederen: zonlicht, regenwater, wind — die zijn er vanzelf. Andere goederen zijn schaars: ze zijn er niet vanzelf, er zijn productiemiddelen voor nodig om ze te maken. Bananen groeien dan wel aan een boom, maar er is een plantage, transport en arbeid voor nodig om ze tot in de supermarkt te krijgen — dus ja, ook al liggen ze overal, bananen zijn schaars. Voor schaarse goederen betaal je een prijs: hoe schaarser, hoe duurder.
Met haar bijbaantje verdient Dunya meer geld, maar ze heeft daardoor ook minder tijd om met vrienden af te spreken. Dat is precies het verschil tussen welvaart en welzijn. Welvaart is de mate waarin je in je behoeften kunt voorzien — je kunt het uitdrukken in geld: meer inkomen betekent meer welvaart. Welzijn is de kwaliteit van je leven, en dat is lastig in geld uit te drukken: denk aan een prettige woonomgeving, liefde en vriendschap, of gezondheid. Welvaart en welzijn samen noem je brede welvaart.
Een verandering in procenten bereken je met de oude en de nieuwe waarde:
Met indexcijfers kun je gegevens met elkaar vergelijken. Wil je een verandering over een bepaalde tijd laten zien, dan vergelijk je met het basisjaar: dat krijgt indexcijfer 100. Je kunt ook andere gegevens met elkaar vergelijken, bijvoorbeeld omzetcijfers van verschillende winkels — één van die gegevens is dan de basis, met indexcijfer 100.
Voorbeeld: een concertticket kostte in 2020 (het basisjaar) €45. Nu kost hetzelfde soort ticket €58,50. Wat is het indexcijfer?
Dunya merkt bij de kassa van haar eigen supermarkt dat haar boodschappen steeds meer kosten, terwijl haar loon gelijk blijft. Haar koopkracht — de hoeveelheid goederen en diensten die je met je inkomen kunt kopen — daalt daardoor. Door een stijging van je netto inkomen neemt je koopkracht toe; door inflatie neemt je koopkracht af. Inflatie is een algemene stijging van de prijzen.
Dunya hoort haar filiaalmanager klagen dat de inkoopprijzen van groente flink zijn gestegen. Prijzen kunnen stijgen als de vraag sneller stijgt dan het aanbod, als de productiekosten stijgen (bijvoorbeeld door loonstijgingen, waarbij producenten de hogere kosten doorberekenen in de verkoopprijzen), als ingevoerde grondstoffen duurder worden (zoals een stijging van de olieprijs), of als de overheid belastingtarieven verhoogt (zoals een verhoging van het btw-tarief).
Dunya vraagt zich af hoe het CBS precies bepaalt dat "de inflatie 3,6% is". Het CBS onderzoekt elke maand de prijsstijging van vrijwel alle goederen en diensten, verdeeld over veertien uitgavencategorieën met in totaal honderden producten. Hiermee berekent het CBS het consumentenprijsindexcijfer (cpi). In het basisjaar is het cpi altijd 100. Is het cpi nu bijvoorbeeld 103,6, dan is de inflatie 3,6%.
Elke uitgavencategorie heeft een eigen wegingsfactor: hoe groter het aandeel van die categorie in de gezinsuitgaven, hoe groter de wegingsfactor. De wegingsfactor van huisvesting is bijvoorbeeld vrij hoog, omdat huishoudens daaraan een groot deel van hun inkomen besteden.
Een inkomensstijging van bijvoorbeeld 2,5% is een nominale stijging. Bij een inflatie van bijvoorbeeld 1% neemt je koopkracht dan met 1,5% toe — dat is een reële stijging. Door inflatie kun je met één euro steeds minder kopen: dat heet geldontwaarding. Door inflatie in Nederland kan ook de concurrentiepositie ten opzichte van het buitenland verslechteren.
Dunya's moeder vraagt via haar vakbond om prijscompensatie, omdat de prijzen harder stijgen dan haar loon. Als inflatie groter is dan de loonstijging, daalt de koopkracht. Vakbonden willen dan dat lonen net zo veel stijgen als de prijzen. Maar voor werkgevers stijgen daardoor de loonkosten, en die berekenen zij weer door in hun prijzen — waardoor de inflatie verder toeneemt, vakbonden opnieuw prijscompensatie willen, enzovoort. Dit noem je een loon-prijsspiraal.
Noah runt sinds dit schooljaar een eigen broodjeskraam in de pauze, vlak bij de fietsenstalling. Een paar weken later begint Fenna een tweede kraam, drie meter verderop. Beiden verkopen ongeveer hetzelfde: verse broodjes, voor een vergelijkbare prijs. Noah merkt al snel iets bijzonders op: wat hij ook doet, het heeft gevolgen voor Fenna — en andersom. Verlaagt hij zijn prijs, dan lopen leerlingen over naar zijn kraam en verkoopt Fenna minder. Verhoogt Fenna juist haar prijs, dan komen er meer klanten bij Noah. Ze zijn niet los van elkaar te bekijken: wat de één doet, beïnvloedt de ander direct.
Deze situatie heet wederzijdse afhankelijkheid: wat de ene aanbieder doet, heeft invloed op wat de andere aanbieder doet. Dit ken je misschien al van het oligopolie uit de module Markt en overheid: een klein aantal aanbieders die goed in de gaten houden wat de concurrent doet. Maar hóe reageren Noah en Fenna precies op elkaar? En is het voor Noah eigenlijk wel verstandig om zijn prijs te verlagen, wetend dat Fenna daarop zal reageren?
Om te bepalen wat er gebeurt bij wederzijdse afhankelijkheid, is er een theorie ontwikkeld: de speltheorie. Deze oorspronkelijk wiskundige theorie heeft een centrale plaats gekregen in de moderne economische wetenschap — en is dus veel breder toepasbaar dan alleen op Noah en Fenna's broodjeskraampjes.
De speltheorie vergelijkt situaties van wederzijdse afhankelijkheid met een spel: er zijn spelregels, er zijn spelers (iedereen wil winnen) en het spel is een keer afgelopen. In de economie noem je zo'n situatie een economiespel. De speltheorie komt daarbij niet in de plaats van de economische theorie die je in andere modules leert, maar is er een aanvulling op. Je gebruikt een paar specifieke woorden: vragers en aanbieders zijn spelers, de keuzes die zij maken zijn hun acties, en het marktevenwicht is de speluitkomst.
Het marktevenwicht is de situatie die ontstaat nadat het spel gespeeld is. Om het marktevenwicht te bepalen, moet je voorspellen welke actie iedere speler zal kiezen. Daarbij speelt de keuze van de andere speler een grote rol: voor iedere speler moet worden bepaald welke actie hij zal kiezen, gegeven iedere mogelijke actie van de andere speler. Als je dat in kaart hebt gebracht, kun je het marktevenwicht bepalen: de situatie waarbij beide spelers tegelijkertijd hun beste actie hebben gekozen, gegeven de gekozen actie van de andere speler.
Noah en Fenna verkopen allebei zoveel mogelijk broodjes. Om meer klanten te trekken, overweegt Noah zijn prijzen te verlagen. Fenna kan daarop reageren door hetzelfde te doen. Zal Noah zijn prijzen verlagen? En hoe zal Fenna daarop reageren? Met de speltheorie in de hand kun je hun keuzes voorspellen. Daarvoor moet de economische context eerst omgezet worden naar een economiespel, aan de hand van zes vragen:
Voor Noah en Fenna zijn de antwoorden als volgt. Noah en Fenna zijn de spelers. Hun doelstelling is zoveel mogelijk omzet behalen. Daarbij kunnen ze kiezen uit dezelfde twee acties: wel een prijsverlaging, of geen prijsverlaging. Ze weten van elkaar dat ze uit dezelfde acties kunnen kiezen, en kennen ook de gevolgen voor hun eigen omzet en die van de ander. Ze bepalen tegelijkertijd of ze een prijsverlaging doorvoeren, en het spel wordt eenmalig gespeeld.
De volgende stap is het opstellen van de opbrengstenmatrix: de matrix met daarin de opbrengsten voor beide spelers bij alle mogelijke acties. Noah is de rijspeler en Fenna is de kolomspeler. Die namen volgen uit de opbrengstenmatrix: Noah kiest welke rij van toepassing is, Fenna kiest welke kolom van toepassing is. In elke cel staat de opbrengst van de rijspeler (Noah) altijd als eerste genoemd.
| Fenna | |||
|---|---|---|---|
| Geen prijsverlaging | Wel prijsverlaging | ||
| Noah | Geen prijsverlaging | (€500, €600) | (€430, €680) |
| Wel prijsverlaging | (€560, €540) | (€520, €640) | |
Bekijk de cel linksboven: als geen van beiden de prijs verlaagt, verkoopt Noah voor €500 en Fenna voor €600 per week. Verlaagt alleen Noah zijn prijs (cel linksonder), dan stijgt zijn omzet naar €560 — hij trekt klanten van Fenna weg — terwijl Fenna's omzet daalt naar €540. Verlaagt juist alleen Fenna haar prijs (cel rechtsboven), dan geldt het omgekeerde: haar omzet stijgt naar €680, die van Noah daalt naar €430.
Bekijk nu de cel rechtsonder: als beide spelers hun prijs verlagen, stijgt de omzet voor beiden — Noah naar €520, Fenna naar €640 — vergeleken met de situatie waarin geen van beiden iets doet. Dat lijkt vreemd: er worden immers geen klanten meer van elkaar afgesnoept, want beide prijzen dalen tegelijk. Toch stijgt de omzet van allebei. Dat komt doordat er bij een gelijktijdige prijsverlaging geen klanten worden weggelokt bij de concurrent — de omzetstijging wordt dan volledig veroorzaakt doordat meer mensen in de pauze een broodje gaan kopen nu de prijzen bij beide kraampjes lager zijn. Om te bepalen welke keuzes Noah en Fenna daadwerkelijk zullen maken, moet je het economiespel oplossen. Hoe dat moet, wordt in de volgende paragraaf uitgelegd.
De laatste stap is het oplossen van het economiespel. Dat gebeurt met de opbrengstenmatrix. Voor beide spelers moet worden bepaald wat de beste actie is, gegeven iedere actie van de andere speler. De opbrengst die hoort bij deze beste actie wordt onderstreept.
Bekijk de matrix eerst vanuit Noah's perspectief. Als Fenna geen prijsverlaging doorvoert, telt voor Noah alleen de linkerkolom: hij vergelijkt €500 (geen prijsverlaging) met €560 (wel prijsverlaging) en kiest voor €560 — wel een prijsverlaging levert hem meer op. Als Fenna wél een prijsverlaging doorvoert, is voor Noah alleen de rechterkolom relevant: hij vergelijkt €430 met €520 en kiest weer voor €520 — wel een prijsverlaging. Noah kiest dus in beide gevallen voor een prijsverlaging: dat heet een dominante strategie.
Voor Fenna doe je hetzelfde. Als Noah geen prijsverlaging doorvoert (bovenste rij), vergelijkt Fenna €600 met €680 en kiest voor €680 — wel een prijsverlaging. Als Noah wél een prijsverlaging doorvoert (onderste rij), vergelijkt Fenna €540 met €640 en kiest opnieuw voor €640 — wel een prijsverlaging. Ook Fenna heeft dus een dominante strategie: altijd de prijs verlagen, ongeacht wat Noah doet.
| Fenna | |||
|---|---|---|---|
| Geen prijsverlaging | Wel prijsverlaging | ||
| Noah | Geen prijsverlaging | (€500, €600) | (€430, €680) |
| Wel prijsverlaging | €560, €540) | (€520, €640) | |
De oplossing van het spel is het marktevenwicht: de situatie waarbij beide spelers tegelijkertijd hun beste actie kiezen, gegeven de actie van de andere speler. Logischerwijs is dat de cel waarin beide opbrengsten onderstreept zijn. Want alleen in dat geval geldt: gegeven de actie van de andere speler, kan geen van beide spelers vooruitgaan door een andere actie te kiezen als de andere speler dat ook niet doet.
Dit evenwicht heeft een speciale naam: het Nash-evenwicht, vernoemd naar John Forbes Nash. In de matrix hierboven is dat de cel rechtsonder: beide spelers voeren wel een prijsverlaging door. Anders gezegd: het marktevenwicht van het economiespel van Noah en Fenna is {wel prijsverlaging, wel prijsverlaging} — met een weekomzet van €520 voor Noah en €640 voor Fenna.
Een belangrijk inzicht uit de speltheorie is dat er situaties bestaan waarbij meerdere uitkomsten een Nash-evenwicht kunnen zijn. Dan is niet meteen gezegd welke speluitkomst dat precies wordt — dat hangt af van het gedrag van de spelers, maar ook van het economisch beleid van de overheid. In hoofdstuk 5 kom je hierop terug.
Een paar weken na de eerste prijsverlagingen uit hoofdstuk 1 speelt er iets nieuws. Beide kraampjes overwegen een aantrekkelijke korting: 50 cent per broodje bij aankoop van drie of meer. Zonder korting verdienen Noah en Fenna allebei €600 per week. Geeft één van hen als enige korting, dan stijgt zijn omzet naar €800 — ten koste van de ander, die terugvalt naar €200. Geven ze allebei korting, dan verdienen ze door de lagere marge nog maar €300 elk.
| Fenna | |||
|---|---|---|---|
| Geen korting | Wel korting | ||
| Noah | Geen korting | (€600, €600) | (€200, €800) |
| Wel korting | (€800, €200) | (€300, €300) | |
Los het spel op met de onderstreep-methode uit hoofdstuk 1. Wat Fenna ook doet, Noah kiest altijd wel korting: bij Fenna=geen korting is €800 beter dan €600, en bij Fenna=wel korting is €300 beter dan €200. Voor Noah is wel korting dus een dominante actie: een actie die bij iedere andere actie van de andere speler steeds de beste actie is. Hetzelfde geldt voor Fenna. Het Nash-evenwicht is daarom {wel korting, wel korting} — en omdat beide spelers hier hun dominante actie kiezen, heeft dit Nash-evenwicht een speciale naam: een evenwicht in dominante acties. Heeft een speler geen dominante actie, dan hangt zijn beste keuze af van wat de ander doet — in zo'n geval kan een spel zelfs meerdere Nash-evenwichten tegelijk hebben.
Dat is opvallend, want in hoofdstuk 1 kwam je dit ook al tegen: bij het economiespel van Noah en Fenna in §2 was {wel prijsverlaging} voor beide spelers ook al een dominante actie. Niet ieder Nash-evenwicht is een evenwicht in dominante acties — maar als spelers een dominante actie hebben, wordt die altijd gekozen, en bestaat er maar één Nash-evenwicht: het evenwicht in dominante acties.
Dit economiespel van Noah en Fenna is bijzonder. Vergelijk het Nash-evenwicht {wel korting, wel korting} = (€300, €300) met de situatie {geen korting, geen korting} = (€600, €600). Beide spelers gaan er flink op vooruit als ze allebei geen korting geven — ze verdienen dan het dubbele. Dit is een Pareto-verbetering: door een verandering gaat er ten minste één speler op vooruit, terwijl er geen enkele andere speler op achteruit gaat. Maar zolang beide spelers alleen denken aan hun eigen belang, zal deze Pareto-verbetering niet tot stand komen: wie als enige stopt met korting geven, verliest meteen klanten aan de ander.
Deze tegenstelling tussen het individuele belang en het collectieve belang heet het gevangenendilemma. Het ontstaat doordat elke speler zijn eigenbelang nastreeft, waardoor spelers in een marktevenwicht terechtkomen dat voor hen beiden slecht is, terwijl er een betere uitkomst mogelijk was geweest.
In hoofdstuk 1 was er geen sprake van een gevangenendilemma bij Noah en Fenna's prijsverlaging: daar gingen beide spelers er juist op vooruit door het Nash-evenwicht, vergeleken met geen prijsverlaging. Het grote verschil tussen dat evenwicht en het evenwicht hierboven is dat er bij Noah en Fenna's prijsverlaging in hoofdstuk 1 geen Pareto-verbetering mogelijk was: het evenwicht in dominante acties pakte voor beide spelers het best uit. Bij het kortingsspel van Noah en Fenna is dat dus niet zo — en daar is wél sprake van een gevangenendilemma.
Consumenten kunnen niet worden uitgesloten van consumptie van een collectief goed zodra het er eenmaal is, zodat er geen winst mee kan worden gemaakt. De productie van collectieve goederen is een voorbeeld van het gevangenendilemma: in het marktevenwicht wordt het collectieve goed niet geproduceerd, terwijl iedereen erop vooruit zou gaan als het wél wordt geproduceerd.
Noah en Fenna overwegen samen met de andere kraamhouders een grote partytent te huren voor bij het schoolplein, zodat niemand meer nat wordt bij regen en de verkoop op slechte dagen niet instort. De tent kost €160 per week om te huren. Voor beide kraamhouders is een droge, overdekte plek €120 waard aan extra omzet. Als beiden meebetalen, delen ze de kosten (€80 elk): netto voordeel €40 per persoon. Draagt maar één van beiden bij, dan betaalt hij de volle €160 zelf: zijn netto voordeel is dan €120 − €160 = −€40. De ander profiteert wél van de tent — hij kan namelijk niet worden buitengesloten — zonder er iets aan bij te dragen: netto voordeel €120.
| Fenna | |||
|---|---|---|---|
| Wel bijdragen | Niet bijdragen | ||
| Noah | Wel bijdragen | (€40, €40) | (−€40, €120) |
| Niet bijdragen | (€120, −€40) | (€0, €0) | |
Los het spel op: wat Fenna ook doet, voor Noah is niet bijdragen altijd beter (€120 > €40, en €0 > −€40). Hetzelfde geldt voor Fenna. Niet bijdragen is voor beiden een dominante actie, dus het Nash-evenwicht is {niet bijdragen, niet bijdragen} = (€0, €0). Terwijl er met de tent voor beiden €40 te verdienen was geweest — een gemiste Pareto-verbetering, precies het gevangenendilemma.
Het positieve effect van de tent voor wie er niet aan meebetaalt, lokt meeliftgedrag uit: iemand die niet betaalt voor het collectieve goed, maar wel van de opbrengsten geniet zodra het er eenmaal is, "liftmee" op de bijdrage van iemand anders. Meeliften is altijd mogelijk zodra er sprake is van zo'n niet-uitsluitbaar voordeel. En vanwege meeliftgedrag ontstaat een marktevenwicht dat voor alle spelers slechter is dan wat eigenlijk mogelijk was.
Zijn Noah en Fenna kansloos overgeleverd aan een slecht marktevenwicht? Nee: er zijn vijf manieren om uit het gevangenendilemma te geraken. (1) Spelers kijken naar collectieve opbrengsten. (2) Spelers gedragen zich volgens een sociale norm. (3) Spelers binden zichzelf. (4) Spelers worden onderworpen aan collectieve dwang. (5) Het spel wordt herhaaldelijk gespeeld — daarover leer je veel meer in hoofdstuk 4. In deze paragraaf bespreken we de eerste vier.
Bij collectieve opbrengsten beschouwen spelers niet hun individuele winst bij een actie, maar de optelsom van de opbrengsten van beide spelers samen. Voor Noah en Fenna's kortingsdilemma is de collectieve opbrengst bij {geen korting, geen korting} gelijk aan €600 + €600 = €1.200 — hoger dan bij elke andere combinatie van acties (bij het Nash-evenwicht {wel, wel} is dat maar €300 + €300 = €600). Kijken Noah en Fenna naar het collectieve belang in plaats van hun eigenbelang, dan kiezen ze allebei voor geen korting. Een coöperatie is hier een bekend praktijkvoorbeeld van: leden van bijvoorbeeld een melkveehouderscoöperatie kijken vanzelf naar het gezamenlijke belang in plaats van ieders individuele winst, en kunnen zo structureel uit een gevangenendilemma blijven.
Een andere oplossing is een sociale norm: een ongeschreven regel binnen een groep over hoe je je hoort te gedragen. Stel dat Noah en Fenna toevallig allebei op dezelfde voetbalvereniging zitten. Binnen die vereniging is de norm dat je elkaar klanten gunt en niet keihard beconcurreert. Een korting geven om klanten van de ander weg te lokken gaat in tegen die norm — en daarom ziet geen van beiden ervan af. Een sociale norm beperkt zo de keuzevrijheid van spelers, maar is geen garantie: zodra de norm niet meer geldt (bijvoorbeeld omdat iemand van school verandert), kan het gevangenendilemma alsnog terugkeren.
Bij zelfbinding maakt een speler een bepaalde actie voor zichzelf onaantrekkelijk of zelfs onmogelijk. Stel dat Noah en Fenna allebei op hun kraam de volgende belofte ophangen: "Geef ik korting, dan trakteer ik de hele klas op een gratis limonade" — een dure belofte die alleen bij de actie {wel korting} geldt. Dit maakt korting geven voor beiden minder aantrekkelijk, ongeacht wat de ander doet.
| Fenna | |||
|---|---|---|---|
| Geen korting | Wel korting | ||
| Noah | Geen korting | (€600, €600) | (€200, €500) |
| Wel korting | (€500, €200) | (€150, €150) | |
Reken na: voor Noah is geen korting nu altijd beter dan wel korting (€600 > €500, en €200 > €150) — ongeacht Fenna's keuze. Hetzelfde geldt voor Fenna. Het Nash-evenwicht verschuift daardoor terug naar {geen korting, geen korting} = (€600, €600): precies de Pareto-verbetering die zonder zelfbinding niet tot stand kwam. Door zichzelf te binden maken Noah en Fenna de actie {wel korting} voor zichzelf onaantrekkelijk, en op die manier ontsnappen ze aan het gevangenendilemma.
De meest vergaande oplossing is collectieve dwang: spelers worden simpelweg gedwongen om een bepaalde actie te kiezen. Deze dwang zorgt er altijd voor dat het gevangenendilemma wordt opgelost.
Denk terug aan de partytent uit §2. Daar was het Nash-evenwicht {niet bijdragen, niet bijdragen} = (€0, €0), terwijl er met de tent €40 per persoon te verdienen was. Stel dat de schoolleiding besluit alle kraamhouders een verplichte bijdrage van €80 per week te laten betalen voor de partytent — ongeacht of ze willen of niet. Dan wordt iedereen gedwongen de actie {wel bijdragen} te kiezen. Het gevolg: de uitkomst verschuift naar (€40, €40) voor Noah en Fenna samen — exact de Pareto-verbetering die vrijwillig niet tot stand kwam. Zo laat dit voorbeeld ook zien dat het opleggen van een verplichte bijdrage voor de productie van collectieve goederen een Pareto-verbetering kan zijn: het levert beide spelers voordeel op, ook al voelt de verplichting zelf niet vrijwillig.
Collectieve dwang hoeft niet altijd van een externe partij zoals een schoolleiding of de overheid te komen. Spelers kunnen elkaar ook dwingen door zelf een contract op te stellen: een bindende afspraak die bepaalde acties uitsluit en andere verplicht. Houdt een van beide partijen zich niet aan het contract, dan kan de ander naar de rechter stappen om naleving af te dwingen — ook dit is dus een vorm van collectieve dwang, alleen dan tussen de spelers zelf in plaats van opgelegd door een derde partij. Let op: niet elk contract mag zomaar. Zouden Noah en Fenna bijvoorbeeld een contract sluiten om nooit korting te geven, dan is dat in werkelijkheid een verboden prijsafspraak — zulke afspraken tussen concurrenten zijn bij wet verboden, juist omdat ze de concurrentie (en daarmee het voordeel voor consumenten) uitschakelen.
Noah en Fenna willen samen een groot schoolplein-evenement organiseren, met één gezamenlijk thema: streetfood (Noah's specialiteit) of zoetigheid (Fenna's specialiteit). Kiezen ze hetzelfde thema, dan werken hun kraampjes elkaar juist in de kaart en trekken ze samen veel bezoekers — al verdient wie zijn eigen specialiteit als thema heeft daarbij het meest, omdat hij dan de hoofdact is. Kiezen ze verschillende thema's, dan spreken de twee kraampjes een heel ander publiek aan en mislukt het evenement voor beiden.
| Fenna | |||
|---|---|---|---|
| Streetfood | Zoetigheid | ||
| Noah | Streetfood | (€700, €500) | (€200, €200) |
| Zoetigheid | (€200, €200) | (€500, €700) | |
Los dit spel op als het gelijktijdig wordt gespeeld. Bij {streetfood, streetfood} heeft geen van beiden een prikkel om af te wijken (200 < 700 voor Noah, 200 < 500 voor Fenna): een Nash-evenwicht. Maar ook bij {zoetigheid, zoetigheid} heeft geen van beiden een prikkel om af te wijken: óók een Nash-evenwicht. Dit spel heeft dus twee Nash-evenwichten, en het is onduidelijk welke van de twee tot stand komt. Hier brengt volgtijdelijk spelen uitkomst.
Tot nu toe bekeken we steeds situaties waarbij spelers tegelijkertijd hun actie kiezen. Nu kijken we naar situaties waarin een van de spelers als eerste zijn actie kiest: volgtijdelijke spelen, ook wel sequentiële spelen genoemd. Stel dat Noah en Fenna niet tegelijk, maar na elkaar hun thema kiezen.
Bij volgtijdelijke spelen is er sprake van asymmetrische informatie. De speler die als tweede zijn keuze maakt, heeft een informatievoorsprong: op het moment dat hij kiest, weet hij wat de andere speler gekozen heeft. De speler die als eerste kiest, heeft juist een informatieachterstand: op het moment dat hij kiest, weet hij nog niet wat de andere speler zal kiezen. Bij de gelijktijdige spellen uit hoofdstuk 1 en 2 was hiervan geen sprake: beide spelers wisten de keuze van de ander niet op het moment dat ze zelf kozen — ze wisten evenveel.
Om een volgtijdelijk spel op te lossen, gebruik je een opbrengstenboom: een boom die bestaat uit beslispunten en takken. Onder aan de takken staan de opbrengsten die horen bij de gemaakte keuzes. Het bovenste getal is telkens de opbrengst van de speler die als eerste kiest, het onderste getal die van de speler die als tweede kiest.
Stel dat Noah als eerste zijn thema kiest. Dan ontstaat de volgende opbrengstenboom:
Met de opbrengstenboom los je het spel op net zoals met de opbrengstenmatrix: je vergelijkt de uitkomsten voor de verschillende keuzes en onderstreept de hoogste. Het enige verschil is dat je nu ook streepjes zet in de boom zelf, en dat je terugredeneert vanaf de laatste beslispunten naar het eerste.
De keuze van Fenna. Kiest Noah voor streetfood, dan vergelijkt Fenna €500 (streetfood) met €200 (zoetigheid) en kiest voor streetfood. Kiest Noah voor zoetigheid, dan vergelijkt Fenna €200 (streetfood) met €700 (zoetigheid) en kiest voor zoetigheid. Voor Fenna zijn nu beide keuzes bepaald, voor elke mogelijke actie van Noah.
De keuze van Noah. Noah weet hoe Fenna zal redeneren, en kan daarom dezelfde redenering maken. Kiest hij voor streetfood, dan weet hij dat Fenna ook voor streetfood kiest: een opbrengst van €700 voor Noah. Kiest hij voor zoetigheid, dan weet hij dat Fenna voor zoetigheid kiest: een opbrengst van €500. De hoogste opbrengst voor Noah is €700. Noah kiest dus voor streetfood. Het Nash-evenwicht is {streetfood, streetfood} = (€700, €500).
Wat gebeurt er als niet Noah, maar Fenna als eerste kiest? Dezelfde methode van terugredeneren geeft dan deze boom:
Kiest Fenna voor streetfood, dan kiest Noah ook streetfood (€700 > €200 voor hem): opbrengst €500 voor Fenna. Kiest Fenna voor zoetigheid, dan kiest Noah ook zoetigheid (€500 > €200 voor hem): opbrengst €700 voor Fenna. Fenna kiest dus voor zoetigheid. Het Nash-evenwicht is nu {zoetigheid, zoetigheid} = (€700, €500) — waarbij het eerste bedrag nu bij Fenna hoort.
Vergeleken met het gelijktijdige spel, waarbij er twee Nash-evenwichten waren, is er bij volgtijdelijk spelen nog maar één Nash-evenwicht over: het evenwicht dat de speler die als eerste kiest het meest wenselijk vindt. Dat is het voordeel van de eerste keuze: door als eerste te kiezen, trekt een speler het evenwicht naar zijn eigen voorkeur. Noah kiest liever streetfood-streetfood (hij verdient dan €700 in plaats van €500), Fenna kiest liever zoetigheid-zoetigheid (zij verdient dan €700 in plaats van €500). Wie als eerste beweegt, wint dit spel.
In een economiespel kiezen spelers een actie. Als spelers hun acties gelijktijdig kiezen, kan hun keuze niet afhankelijk worden gemaakt van de keuze van de andere speler — want de keuze van die andere speler is nog niet bekend op het moment dat een actie gekozen wordt. Bij volgtijdelijke spelen ligt dat anders: daar kan de speler die als tweede kiest, wél een conditie inbrengen. In de boom hierboven kiest Fenna niet zomaar een actie, maar laat hij zijn keuze afhangen van de actie die Noah maakt. We spreken dan van een strategie: een voorschrift dat voor iedere mogelijke situatie aangeeft welke actie een speler kiest.
De strategie van Fenna (in de boom waar Noah als eerste kiest) luidt: "Ik kies de actie {streetfood} als Noah de actie {streetfood} kiest, en ik kies de actie {zoetigheid} als Noah de actie {zoetigheid} kiest." Deze strategie geeft aan welke actie Fenna kiest voor alle mogelijke situaties die zich kunnen voordoen.
Als spelers tegelijkertijd hun keuze bepalen, weet geen van beiden in welke situatie hij zich bevindt op het moment dat hij kiest; een speler kent op dat moment de actie van de andere speler niet. Dat heeft een logisch gevolg: een strategie bestaat dan maar uit één actie, want de keuze voor een bepaalde actie kan niet afhankelijk worden gemaakt van de keuze van de andere speler. Anders gezegd: bij een gelijktijdig economiespel is er geen onderscheid tussen actie en strategie; de strategie is de actie. Bij volgtijdelijke spelen is dit onderscheid er wel.
Een volgtijdelijk economiespel heeft een belangrijke toepassing: de toetreding tot een markt van een nieuwe aanbieder. Iris overweegt een derde broodjeskraam te beginnen, vlak bij Noah's kraam. Iris is de speler die als eerste haar actie kiest: wel of niet starten. Noah is het zittende bedrijf: hij moet reageren op de eventuele komst van Iris. Het enige wapen dat Noah heeft, is dreigen met een prijsverlaging na Iris' toetreding. Kan die dreiging Iris afschrikken?
Los deze boom op. Als Iris start, vergelijkt Noah €370 (wel prijsverlaging) met €410 (geen prijsverlaging) en kiest voor geen prijsverlaging. Als Iris niet start, vergelijkt Noah €380 met €450 en kiest ook dan voor geen prijsverlaging. Iris weet dit, en vergelijkt daarom €150 (starten, met als reactie geen prijsverlaging) met €0 (niet starten). Iris kiest voor wel starten. Het Nash-evenwicht is {wel starten, geen prijsverlaging}.
Noah's dreiging met een prijsverlaging is hier niet geloofwaardig: een prijsverlaging kost Noah zelf meer dan hij oplevert (€370 < €410), dus als puntje bij paaltje komt, voert Noah de dreiging niet uit. Iris doorziet dit en treedt gewoon toe. We noemen dit: toetreding wordt geaccommodeerd — Noah vindt zich erbij neer en deelt de markt met Iris.
Stel nu dat de situatie iets anders ligt: Noah heeft een goedkopere leverancier gevonden, waardoor een prijsverlaging na toetreding hem minder kost. Zijn opbrengst bij {wel starten, wel prijsverlaging} stijgt daardoor van €370 naar €430:
Reken na: als Iris start, vergelijkt Noah nu €430 (wel prijsverlaging) met €410 (geen prijsverlaging) en kiest voor wel prijsverlaging. Als Iris niet start, kiest Noah nog steeds voor geen prijsverlaging (€450 > €380). Iris vergelijkt nu −€50 (starten, met als reactie wel prijsverlaging) met €0 (niet starten). Iris kiest voor niet starten. Het Nash-evenwicht is nu {niet starten, geen prijsverlaging}.
Nu is Noah's dreiging wél geloofwaardig: een prijsverlaging na toetreding is voor Noah zelf de beste reactie geworden. Iris weet dit, ziet dat toetreden haar geld kost, en ziet af van toetreding. We noemen dit: toetreding wordt afgewend. Een dreiging met een prijsverlaging houdt een mogelijke toetreder alleen buiten de markt als die dreiging geloofwaardig is — dat wil zeggen: als het voor het zittende bedrijf zelf ook daadwerkelijk de beste keuze is om de dreiging uit te voeren.
De zesde vraag uit hoofdstuk 1 die beantwoord moet worden voor het opstellen van een economiespel was deze: wordt het spel herhaald? Tot nu toe veronderstelden we steeds dat spelers het spel maar één keer speelden. In dit hoofdstuk bekijken we wat er gebeurt als een economiespel herhaaldelijk wordt gespeeld — dezelfde spelers, hetzelfde spel, keer op keer opnieuw.
| Situatie | Spelers | Acties | Wanneer wordt het spel gespeeld? |
|---|---|---|---|
| Noah en Fenna runnen allebei een vaste kraam op het schoolplein | Noah en Fenna | {normale prijs, korting} | Iedere schoolweek dat beide kraampjes open zijn |
| Twee klasgenoten maken samen meerdere werkstukken | Twee klasgenoten | {wel je werk doen, niet je werk doen} | Iedere keer dat een werkstuk gemaakt wordt |
| Twee schoolteams spelen in een competitie | Spelers uit het team | {wel je best doen, niet je best doen} | Iedere keer dat er een wedstrijd wordt gespeeld |
| Noah en Fenna overwegen onderling een prijsafspraak | Noah en Fenna | {afspraak nakomen, afspraak schenden} | Iedere keer dat een van beiden iets verkoopt |
We bekijken de situatie waarin hetzelfde economiespel achter elkaar wordt gespeeld. Daarbij maken de spelers iedere keer tegelijkertijd hun keuze: op het moment dat een speler zijn keuze maakt, weet hij niet wat de andere speler in die ronde zal kiezen. Dat was ook al zo bij de economiespelen in hoofdstuk 1 en 2. Maar er is een groot verschil: bij herhaling weten beide spelers wél wat de andere speler in het verleden heeft gedaan. Hierdoor ontstaat een belangrijke mogelijkheid: een speler kan aan het begin van een ronde zijn keuze laten afhangen van wat de ander in het verleden heeft gedaan. Daarom is bij herhaalde spelen de keuze voor een actie niet genoeg om een Nash-evenwicht af te leiden; ook nu weer moet daarvoor de strategie van iedere speler worden opgesteld.
Spelers die een spel herhaaldelijk spelen, zijn in de praktijk verwikkeld in een langdurige relatie. Dit is bijvoorbeeld het geval bij Noah en Fenna, die elke schoolweek weer met elkaar te maken hebben, of bij twee buren die dag in dag uit dezelfde straat delen. In deze situaties bouwen spelers bij herhaling van het spel een reputatie op. En die reputatie heeft invloed op de acties die zij en andere spelers in de toekomst kiezen. Een klasgenoot die betrouwbaar blijkt te zijn, zal sneller meer verantwoordelijkheid krijgen bij een volgend project. In deze situaties kan er sprake zijn van een gevangenendilemma als het spel eenmalig gespeeld wordt. Door het spel te herhalen, bouwen spelers een reputatie op die ertoe kan leiden dat spelers andere acties gaan kiezen dan de dominante acties van het eenmalig gespeelde gevangenendilemma.
Noah en Fenna overwegen een prijsafspraak: geen van beiden geeft nog korting. Zonder deze afspraak geldt hun bekende kortingsdilemma uit hoofdstuk 2. Bij deze nieuwe, hogere prijzen geldt de volgende opbrengstenmatrix:
| Fenna | |||
|---|---|---|---|
| Normale prijs | Korting | ||
| Noah | Normale prijs | (€100, €100) | (€0, €150) |
| Korting | (€150, €0) | (€60, €60) | |
Zonder afspraak is {korting, korting} het Nash-evenwicht: €60 voor beiden. Maar een prijsafspraak is volgens de schoolregels niet toegestaan — wordt de afspraak ontdekt door de schoolleiding, dan moeten beide overtreders een boete van €40 betalen. Stel dat de kans dat de afspraak wordt ontdekt 50% is. De verwachte boete is dan: 0,5 × €40 = €20. Zelfs met dit risico verrekend, houden Noah en Fenna aan de afspraak netto €100 − €20 = €80 per persoon over — nog altijd meer dan de €60 die ze zonder afspraak verdienen in het Nash-evenwicht. Een prijsafspraak blijft dus de moeite waard, ook met het risico op een boete meegerekend.
Maar er schuilt een ander probleem in deze afspraak, los van de boete: precies zoals bij de garnalenvissers in de visserij is een prijsafspraak een gevangenendilemma op zich. Beide spelers hebben nog steeds een prikkel om de afspraak te schenden: wie als enige stiekem korting geeft terwijl de ander zich aan de afspraak houdt, verdient €150 in plaats van €100. Zonder verdere maatregelen zal de afspraak dus vanzelf weer uit elkaar vallen — precies zoals in hoofdstuk 2. In de volgende paragraaf zie je hoe herhaling van het spel dit probleem juist kan oplossen.
In hoofdstuk 2 werden vier manieren besproken om uit een gevangenendilemma te geraken. De vijfde manier — het spel herhalen — komt nu aan bod. We gaan uit van Noah en Fenna's kortingsdilemma uit hoofdstuk 2: zonder afspraak verdienen ze €600 als geen van beiden korting geeft, maar in het Nash-evenwicht geven ze allebei korting en verdienen ze maar €300.
Als het spel één keer wordt gespeeld, is het Nash-evenwicht {korting, korting} en verdienen beide spelers €300. Wat gebeurt er nu als het economiespel twee keer achter elkaar wordt gespeeld? Dat hangt af van de strategie die de spelers hanteren. Ze kunnen bijvoorbeeld de volgende strategie hanteren: "Wat de ander ook kiest, ik geef in beide rondes geen korting." Herhaling van het spel heeft dan geen invloed op het Nash-evenwicht: dat blijft {korting, korting} in elke ronde. Kunnen Noah en Fenna er met een andere strategie op vooruitgaan?
In hoofdstuk 2 zagen we dat het maken van een prijsafspraak het gevangenendilemma niet oplost: beide spelers hebben nog steeds een prikkel om de afspraak te schenden. Bij een herhaald gevangenendilemma ligt dit anders. Daarbij kan een afspraak om geen korting te geven wél stand houden, door het volgen van een slimme strategie:
Een ronde is een keer dat het economiespel gespeeld wordt. Deze strategie maakt de keuze vanaf de tweede ronde afhankelijk van wat de andere speler in de ronde daarvoor heeft gedaan. Deze strategie heeft een speciale naam: de vergeldingsstrategie. Deze naam komt voort uit de vergelding die in de strategie besloten ligt: als een speler zich in een ronde niet aan de afspraak houdt, wordt dat vanaf de daaropvolgende ronde door de andere speler vergolden door zich nooit meer aan de afspraak te houden.
Stel dat het economiespel van Noah en Fenna twee keer achter elkaar wordt gespeeld, en beide spelers de vergeldingsstrategie hanteren. Vergelijk de totale opbrengsten bij drie mogelijke keuzes:
| Nooit schenden | Schenden in ronde 1 | Schenden in ronde 2 | |
|---|---|---|---|
| Opbrengst ronde 1 | €600 | €800 | €600 |
| Opbrengst ronde 2 | €600 | €300 | €800 |
| Totaal | €1.200 | €1.100 | €1.400 |
Nooit schenden: Noah en Fenna houden zich in beide rondes aan de afspraak: 2 × €600 = €1.200.
Schenden in ronde 1: wie als enige in ronde 1 korting geeft terwijl de ander zich aan de afspraak houdt, verdient in die ronde €800. Maar de vergeldingsstrategie van de ander treedt dan in werking: in ronde 2 geeft de ander ook korting, en belandt het spel in het Nash-evenwicht €300. Totaal: €800 + €300 = €1.100 — minder dan nooit schenden. Het loont dus niet om de afspraak in ronde 1 te schenden.
Schenden in ronde 2: houdt een speler zich in ronde 1 aan de afspraak, en schendt hij de afspraak pas in ronde 2 (de laatste ronde), dan verdient hij €600 (ronde 1) + €800 (ronde 2, korting terwijl de ander nog aan de afspraak vasthoudt) = €1.400 — meer dan nooit schenden! Want er komt geen ronde 3 meer waarin de ander dit kan vergelden.
De reden dat schenden in de laatste ronde loont, is dat er na de laatste ronde geen nieuwe ronde meer komt. Voor spelers is het spelen van de laatste ronde hetzelfde als het gevangenendilemma één keer spelen: de keuze die ze in die laatste ronde maken, heeft geen gevolgen meer voor de toekomst, want die toekomst is er niet. Daarom maken spelers in die laatste ronde precies dezelfde afweging als in een eenmalig gevangenendilemma: het Nash-evenwicht is dat beide spelers de afspraak zullen schenden.
Met als gevolg dat de afspraak ook al in de eerste ronde geschonden zal worden. Want er is voor beide spelers niets te winnen in de tweede ronde door zich in de eerste ronde aan de afspraak te houden — de ander zal die afspraak in de tweede ronde toch al schenden. Deze redenering geldt altijd als er een laatste ronde is. Bij een eindige herhaling van het gevangenendilemma is er altijd een laatste ronde — en daardoor zal in die laatste ronde de afspraak altijd geschonden worden, en daarmee ook in alle voorafgaande rondes.
Bij een oneindige herhaling ligt dit anders: het gevangenendilemma wordt dan opgelost, want er is geen laatste ronde meer. Daarvoor is het noodzakelijk dat er geen laatste ronde is; het spel wordt eeuwig gespeeld met vergelding: het uitdelen van een straf in de toekomst als de afspraak in de huidige spelronde niet wordt nageleefd. In de praktijk komen situaties waarbij het lijkt alsof het spel altijd maar weer herhaald wordt vaak voor. Noah en Fenna spelen elke schoolweek weer met elkaar; zolang de school niet verandert en geen van beiden van school gaat, komt het einde van de herhaling niet in zicht. Voor hen is het alsof hun dagelijkse economiespel oneindig vaak herhaald wordt.
Noah en Fenna willen aanstaande zaterdagmiddag samen iets ondernemen: naar de bioscoop, of naar een concert. Ze houden allebei van beide dingen, maar Fenna gaat liever naar de bioscoop, terwijl Noah liever naar het concert gaat. Ze vinden het allebei wel belangrijker dat ze de middag samen doorbrengen dan dat ze gescheiden van elkaar iets ondernemen.
Dit economiespel gaat niet over omzet of winst, maar over voorkeur: we drukken de opbrengsten daarom uit in denkbeeldige punten in plaats van euro's.
| Fenna | |||
|---|---|---|---|
| Bioscoop | Concert | ||
| Noah | Bioscoop | (1, 2) | (0, 0) |
| Concert | (0, 0) | (2, 1) | |
Zowel Noah als Fenna vindt het niets om alleen iets te ondernemen: bij {bioscoop, concert} en {concert, bioscoop} krijgen beiden 0 punten. Gaan ze allebei naar de bioscoop, dan krijgt Fenna 2 punten (haar voorkeur) en Noah 1. Gaan ze allebei naar het concert, dan krijgt Noah 2 punten en Fenna 1.
Los dit spel op. Bij {bioscoop, bioscoop} heeft geen van beiden een prikkel om af te wijken: Noah zou bij afwijken (0) slechter af zijn dan bij bioscoop (1), en hetzelfde geldt voor Fenna. Dit is een Nash-evenwicht. Maar ook bij {concert, concert} heeft geen van beiden een prikkel om af te wijken: ook dit is een Nash-evenwicht. Dit spel heeft dus meerdere Nash-evenwichten, met een eenvoudige oorzaak: geen van beide spelers heeft een dominante actie. Noah kiest niet altijd voor concert, wat Fenna ook kiest, en Fenna kiest niet altijd voor bioscoop, wat Noah ook kiest.
Dit is een ander soort probleem dan het gevangenendilemma. Bij het gevangenendilemma is iedereen het er middels het collectieve belang over eens welke uitkomst het beste is voor alle spelers samen — het probleem is dat het eigenbelang die uitkomst in de weg zit. Hier is dat niet het geval: Noah en Fenna zijn het juist oneens over welk van de twee Nash-evenwichten het beste is. Fenna vindt {bioscoop, bioscoop} het fijnst, Noah vindt {concert, concert} het fijnst. De oplossing van dit economiespel moet daarom door onderhandelingen tot stand komen.
In hoofdstuk 3 zag je dat Nash-evenwichten kunnen verdwijnen als spelers volgtijdelijk kiezen. Dat geldt ook hier. Stel dat Noah als eerste zijn keuze aankondigt — bijvoorbeeld door alvast concertkaartjes te kopen en dit aan Fenna te laten weten:
Kiest Noah voor bioscoop, dan gaat Fenna mee (2 is meer dan 0 voor haar): opbrengst (1, 2). Kiest Noah voor concert, dan gaat Fenna ook mee (1 is meer dan 0 voor haar): opbrengst (2, 1). Noah kent deze redenering van Fenna. Hij vergelijkt zijn eigen opbrengst bij beide keuzes: 1 (bioscoop) tegenover 2 (concert). Noah kiest voor concert. Er is nu nog maar één Nash-evenwicht over: het evenwicht dat Noah, die als eerste kiest, het meest wenselijk vindt. Door als eerste een keuze te maken, zet Noah het economiespel naar zijn hand.
Spelers kunnen een economiespel ook in hun voordeel beïnvloeden door voorafgaand aan het spel een investering te doen. Daarvoor moet de investering aan twee voorwaarden voldoen: (1) de investering is alleen van waarde bij één van de mogelijke acties — het is een specifieke investering; en (2) de investering is niet terug te draaien — het zijn verzonken kosten. Investeringen die aan deze twee voorwaarden voldoen, kunnen de keuze voor bepaalde acties ongeloofwaardig maken, waardoor voor de investerende speler alleen de actie overblijft die juist door hem gewenst is.
Noah koopt alvast, zonder met Fenna te overleggen, een concertkaartje van €15. Dit kaartje is niet terug te geven en niet door te verkopen: de kosten zijn verzonken. Bovendien heeft het kaartje voor Noah alleen waarde als hij ook echt naar het concert gaat: het is een specifieke investering.
| Fenna | |||
|---|---|---|---|
| Bioscoop | Concert | ||
| Noah | Bioscoop | (0, 2) | (0, 0) |
| Concert | (1, 0) | (2, 1) | |
Vergeleken met §1 verandert alleen Noah's punten (het eerste getal in elke cel). Gaat Noah naar de bioscoop, dan heeft hij niets aan zijn concertkaartje: zijn punten dalen van 1 naar 0. Gaat hij alleen naar het concert (Fenna kiest voor de bioscoop), dan gebruikt hij zijn kaartje tenminste zelf: zijn punten stijgen van 0 naar 1. Fenna's punten blijven in elke cel precies hetzelfde als in §1 — haar situatie is niet veranderd.
Los het spel opnieuw op. Wat Fenna ook kiest, voor Noah is concert nu altijd beter: kiest Fenna bioscoop, dan vergelijkt Noah 0 (bioscoop) met 1 (concert) en kiest voor concert; kiest Fenna concert, dan vergelijkt Noah 0 (bioscoop) met 2 (concert) en kiest weer voor concert. Door zijn specifieke, verzonken investering heeft Noah zichzelf een dominante actie gecreëerd: concert.
Fenna weet dit. Zij weet dat Noah, wat zij ook kiest, altijd naar het concert zal gaan — zijn kaartje is immers al gekocht en niet meer terug te draaien. Voor haar zit er dan niets anders op dan mee te gaan naar het concert: 1 punt (mee met Noah) is beter dan 0 punten (alleen naar de bioscoop). Er is nu nog maar één Nash-evenwicht over: {concert, concert}.
De verandering van Fenna's afweging is voor haar geloofwaardig, omdat de investering van Noah in het concertkaartje een specifieke, verzonken investering is: hij kán zijn keuze niet meer terugdraaien, ook al zou hij dat willen. Door een specifieke, verzonken investering te doen, heeft Noah de uitkomst van het economiespel in zijn voordeel beïnvloed. Dit is, net als in hoofdstuk 2, een vorm van geloofwaardige zelfbinding: door zichzelf te binden aan een actie, maakt Noah die actie voor zichzelf onontkoombaar — en daarmee voor Fenna voorspelbaar.
Specifieke investeringen waarvan de kosten verzonken zijn, herbergen een gevaar: ze kunnen voor niets zijn geweest. Stel dat Fenna, zonder dat zij van Noah's concertkaartje wist, dezelfde week zelf ook al twee bioscoopkaartjes heeft gekocht — eveneens een specifieke, verzonken investering, maar dan voor de bioscoop. Vergelijk nu de opbrengsten met béén investeringen tegelijk:
| Fenna | |||
|---|---|---|---|
| Bioscoop | Concert | ||
| Noah | Bioscoop | (0, 2) | (0, 0) |
| Concert | (1, 1) | (2, 0) | |
Reken na: Fenna heeft nu zélf ook een dominante actie gekregen. Wat Noah ook kiest, voor Fenna is bioscoop altijd beter (2 > 0 als Noah bioscoop kiest, en 1 > 0 als Noah concert kiest). Maar Noah heeft, vanwege zijn eigen concertkaartje, nog steeds concert als dominante actie. De twee dominante acties botsen: Noah kiest altijd concert, Fenna kiest altijd bioscoop. Het Nash-evenwicht is nu {concert, bioscoop} = (1, 1) — de slechtst mogelijke uitkomst voor beiden, want ze ondernemen de middag apart van elkaar, terwijl samen zijn voor allebei het belangrijkste was.
Dit heet het beroovingsprobleem: een specifieke investering waarvan de kosten verzonken zijn, kan niet alleen verloren gaan, maar ook ten voordele komen van de andere speler — die daarmee de investerende speler "berooft" van het voordeel dat hij ermee hoopte te behalen. Fenna wist niet van Noah's kaartje, en Noah wist niet van Fenna's kaartjes; hun investeringen doorkruisten elkaar toevallig. Maar hetzelfde kan ook opzettelijk gebeuren: als de andere speler weet dat jij een specifieke investering hebt gedaan waarvan de kosten verzonken zijn, kan hij daar juist zelf van profiteren door zijn eigen keuze aan te passen.
Dit heeft een vervelend gevolg. Als een speler bang is beroofd te worden van zijn specifieke investering, zal hij de investering wellicht liever achterwege laten. Dit heet het hold-upprobleem: uit angst voor beroving komt een investering die eigenlijk voor beide spelers voordelig had kunnen zijn, niet van de grond — en dat is in het nadeel van iedereen.
Economen hebben het hold-upprobleem onderzocht met een experiment waarbij één speler verkoper is en een andere speler koper van een denkbeeldig product. De verkoper kan investeren in een specifieke, verzonken verbetering van dat product; vervolgens stelt de koper een prijs voor, die de verkoper kan accepteren of afwijzen.
Dunya merkt dat haar loon van de supermarkt op heel verschillende manieren wordt uitgegeven. Soms gaat het op aan boodschappen voor zichzelf, soms aan haar telefoonabonnement, en af en toe aan iets groots zoals een nieuwe laptop. Dat zijn drie verschillende soorten uitgaven. Het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) geeft voorlichting over hoe je je inkomsten en uitgaven op elkaar kunt afstemmen.
Dunya besluit een budgetplan te maken: een overzicht van haar verwachte inkomsten en uitgaven. Dat heet ook wel budgetteren. Omdat haar loon per maand binnenkomt, maar haar telefoonabonnement per maand en haar verzekering per jaar wordt afgeschreven, moet ze tijdens het budgetteren alle bedragen omrekenen naar dezelfde periode. Vaak reken je daarvoor als tussenstap eerst alles om naar een bedrag per jaar.
Dunya gaat met vier vrienden twee weken kamperen. Ze huren samen een tent voor 5-8 personen, voor €130 per week. Over drie maanden moet Dunya betalen. Reserveren betekent: sparen om een grote, incidentele uitgave te kunnen betalen. Hoeveel moet ze vanaf nu per maand reserveren?
Het geld dat Dunya uitgeeft, komt vaak bij een producent terecht. Wat doet die producent eigenlijk met haar geld? Houdt hij rekening met het milieu? Zorgt hij goed voor zijn personeel? Ook als ze spaart, zet ze haar geld op de bank — en dan is de vraag: wat doet de bank met haar geld? Leent de bank het uit aan een producent die arbeiders uitbuit, of misschien wel aan de wapenindustrie?
Dunya spaart voor een nieuwe telefoon: ze wil over een paar maanden iets duurs kunnen kopen. Dat is één van de spaarmotieven: redenen om te sparen. Daarnaast houdt ze ook altijd een beetje geld achter de hand voor onverwachte uitgaven, zoals een kapotte fietsband. Een derde reden om te sparen is de rente — al geldt: is de rente heel laag, dan zullen nog maar weinig mensen daarvoor sparen.
Over je spaargeld ontvang je rente (of interest). De hoogte van de rente op je spaarrekening hangt af van het rentepercentage (vast of variabel), de hoogte van het spaarbedrag, en de periode dat het geld op je rekening staat. Dunya zet €2.500 op een spaardeposito: het geld staat een bepaalde tijd vast tegen een vaste rente van 1,6%. De rente wordt apart uitgekeerd, en het spaartegoed blijft daardoor elk jaar gelijk — dat heet enkelvoudige rente. Hoeveel rente krijgt ze over een periode van drie jaar?
Op haar gewone spaarrekening werkt het anders dan bij het spaardeposito. Daar krijgt Dunya samengestelde rente, ook wel ‘rente op rente’ genoemd: de rente wordt na elk jaar bijgeschreven bij het spaartegoed, en in het volgende jaar krijgt ze weer rente over haar spaarbedrag plus die bijgeschreven rente. Je berekent het spaartegoed met een groeifactor. Bij 1,2% rente is je tegoed na een jaar 100% + 1,2% = 101,2%. De groeifactor is dan 101,2 ÷ 100 = 1,012. Na drie jaar is je tegoed: spaarbedrag × 1,012 × 1,012 × 1,012.
De koopkracht van Dunya's spaargeld hangt af van de rente én de inflatie. De nominale rente is de rente waarmee de bank rekent: haar spaartegoed in euro's neemt daardoor toe. Maar door inflatie wordt haar spaargeld minder waard. De reële rente is de nominale rente gecorrigeerd met de inflatie, en laat zien of haar koopkracht ook werkelijk toeneemt.
Dunya's oudere broer overweegt daarom te beleggen: hij koopt iets waarvan hij verwacht dat de waarde zal stijgen, bijvoorbeeld aandelen, obligaties, goud of gebouwen. Wat hij daarmee verdient heet rendement, en dat kan hoger zijn dan de rente op een spaarrekening — maar ook lager. Een obligatie is een lening aan een bedrijf of aan de overheid tegen een vaste rente.
Een vriend van Dunya wil een nieuwe laptop voor zijn studie, maar heeft het geld er niet voor. Leenmotieven zijn redenen om te lenen: je wilt een dure aankoop niet uitstellen en meteen gebruikmaken van je aankoop, je moet een tijdelijk geldtekort overbruggen (bijvoorbeeld tot je binnenkort weer voldoende geld hebt), je hebt onverwacht dringend geld nodig (zoals voor een onverwachte reparatie), of je wilt een huis kopen — want sparen tot je genoeg hebt, zou veel te lang duren.
Voordat je leent, moet je jezelf afvragen: hoe hoog worden je maandlasten? Hoelang moet je die betalen? En kun je die extra maandlasten wel betalen?
Als je bij een bank een lening (krediet) hebt afgesloten, moet je er rente over betalen (een vergoeding voor het lenen) en de lening aflossen (het geleende bedrag terugbetalen). De rente en aflossing samen betaal je in termijnen. Alles wat je méér terugbetaalt dan je geleend hebt, zijn de kredietkosten — die bestaan uit rente, plus soms administratiekosten.
In de eerste maand is de schuld €5.000 (er is nog niets afgelost) bij een maandtermijn van €100 en een rente van 0,52% per maand.
In de volgende maanden betaal je telkens iets minder rente, want je schuld wordt steeds lager. Daardoor wordt de aflossing elke maand steeds iets meer.
Dunya's oudere broer overweegt een lening voor een tweedehands auto. Dat zou een consumptief krediet zijn: een lening voor de aankoop van een consumptiegoed, zoals een keuken, caravan of auto. Banken bieden daarvoor verschillende kredietvormen aan.
Ook leveranciers geven soms krediet. De meest voorkomende vormen daarbij zijn koop op afbetaling (het hele of een deel van het aankoopbedrag terugbetalen in termijnen, waarbij de verwerkte rente vaak hoog is) en private lease (vaak voor het gebruik van een auto: je betaalt maandelijks een vast bedrag inclusief onderhoud, wegenbelasting en verzekering, terwijl je de benzine zelf betaalt; na afloop mag je de auto vaak voor een bepaalde prijs overnemen).
Wil je later een huis kopen, dan sluit je een hypothecaire lening (hypotheek) af: een lening voor de aankoop van een woning, meestal met een looptijd van dertig jaar. Het huis is dan onderpand voor de bank — die mag het huis verkopen als je de rente en aflossing niet meer kunt betalen.
Dunya gebruikt geld op verschillende manieren: als ruilmiddel als ze iets koopt, als spaarmiddel als ze geld opzij zet voor later, en als rekenmiddel als ze de waarde van iets vaststelt (zoals wanneer ze de prijzen van twee telefoons met elkaar vergelijkt). Op haar telefoon checkt ze regelmatig haar banksaldo. Een creditsaldo is een positief saldo (‘in de plus’), een debetsaldo is een negatief saldo (rood staan, ‘in de min’).
Banken bemiddelen tussen de vraag naar geld en het aanbod van geld. Het aanbod van geld komt van spaarders zoals Dunya: de bank betaalt hen rente als vergoeding. De vraag naar geld komt van gezinnen en bedrijven die geld willen lenen: zij betalen daarvoor rente. Je kunt rente daarom zien als de prijs van geld. Is de rente hoog, dan sparen meer mensen en lenen minder mensen. Is de rente laag, dan gebeurt het omgekeerde: minder sparen, meer lenen. De ECB (Europese Centrale Bank) is de centrale bank voor de eurozone, en bepaalt voor alle eurolanden de basisrente.
De belangrijkste taak van de ECB is ervoor zorgen dat de euro zijn waarde behoudt — dus: de inflatie laag houden. Dat doet de ECB via de basisrente.
De bank waar Dunya een rekening heeft, verdient geld op meerdere manieren: met het regelen van girale betalingen en ontvangsten, met sparen, met lenen, en met verzekeren. Bij sparen en lenen werkt de bank met twee verschillende rentes. De creditrente is de rente die de bank betaalt over tegoeden (zoals het spaargeld van Dunya), en die is lager dan de debetrente: de rente die de bank ontvangt over tekorten (zoals leningen). Het verschil tussen die twee is winst voor de bank.
Bram bouwt in zijn vrije tijd een huiswerkplanner-app voor scholieren. Om die te kunnen maken en aanbieden, gebruikt hij productiefactoren: zijn eigen tijd achter de laptop is arbeid, zijn laptop en de serverruimte waarop de app draait zijn kapitaal, en de beslissingen en het risico die hij neemt zijn ondernemerschap. Toegevoegde waarde is de extra waarde die ontstaat doordat Bram zijn programmeerwerk omzet in een werkende, verkoopbare app.
Bij Bram's app speelt de vierde productiefactor, natuur, maar een kleine rol: de stroom voor zijn laptop en de servers komt uiteindelijk wel uit energiebronnen, maar dat voelt voor hem niet als een directe kostenpost. Bij andere bedrijven is natuur juist heel direct zichtbaar: een bakker die brood verkoopt, heeft meel nodig dat van tarwe komt — en de boer die het land verhuurt waarop die tarwe groeit, ontvangt daarvoor pacht.
Wie een productiefactor levert, ontvangt daarvoor een beloning. Het totaal van alle beloningen is gelijk aan de totale toegevoegde waarde.
Bram betaalt elke maand een vast bedrag voor zijn serverruimte, hoeveel mensen de app ook downloaden — dat zijn vaste kosten: ze blijven gelijk, ongeacht de hoeveelheid productie. Maar voor elke betaalde aankoop in de app rekent een betalingsverwerker een klein bedrag per transactie — dat zijn variabele kosten: ze veranderen met de hoeveelheid productie (in dit geval: het aantal verkochte premium-abonnementen).
Bram investeert in een krachtigere laptop om sneller te kunnen programmeren: hij besteedt geld aan een kapitaalgoed. Zo'n laptop gaat niet voor altijd mee — elk jaar wordt hij minder waard. Die jaarlijkse waardevermindering heet afschrijving.
De kostprijs per product is de gemiddelde kosten voor het maken van één product (in Bram's geval: één premium-abonnement op zijn app). Voor een productiebedrijf geldt: kostprijs per product + winstopslag = verkoopprijs.
De verkoopprijs die Bram rekent voor zijn app-abonnement is opgebouwd uit de kostprijs plus een brutowinstopslag (ook wel brutowinstmarge): een percentage erbovenop voor zijn eigen kosten en winst. Bovenop de verkoopprijs komt nog de btw, en dat geeft de consumentenprijs: het bedrag dat de gebruiker uiteindelijk betaalt.
Bram's kostprijs voor honderd premium-abonnementen is €240. Hij rekent een brutowinstopslag van 30%, en moet 21% btw afdragen.
Met de consumentenprijs en het btw-tarief kun je ook terugrekenen naar de verkoopprijs: je deelt de consumentenprijs door (100 + btw-percentage) en vermenigvuldigt met 100.
Aan het einde van het jaar houdt Bram zijn cijfers bij. De omzet (verkoopopbrengst) is het totaalbedrag dat hij voor zijn app-abonnementen heeft ontvangen. Trek je daar de inkoopwaarde (de directe kosten van wat verkocht is, zoals zijn betalingsverwerkerskosten) van af, dan houd je de brutowinst over. Trek je daar ook de overige bedrijfskosten (zoals serverkosten en marketing) van af, dan houd je het nettoresultaat over: winst of verlies.
Bram werkt samen met een vriend aan nieuwe functies voor de app. De arbeidsproductiviteit is de productie per persoon in een bepaalde tijd — in hun geval: hoeveel nieuwe functies ze samen per week bouwen, gedeeld door het aantal personen. Arbeidsproductiviteit kan toenemen door technologische ontwikkelingen (bijvoorbeeld AI-tools die saaie programmeertaken overnemen), betere arbeidsverdeling (Bram doet de techniek, zijn vriend het ontwerp — ieder zijn eigen specialisatie), scholing (een online cursus volgen), of prestatiebeloning (een bonus bij een succesvolle nieuwe functie).
Hoeveel nieuwe functies kunnen Bram en zijn vriend maximaal per maand bouwen? Dat is hun productiecapaciteit: de maximale hoeveelheid producten die een bedrijf kan maken. Die hangt af van het aantal mensuren dat er gewerkt wordt (hoeveel uur Bram en zijn vriend per week beschikbaar zijn naast school) en de kapitaalgoederen die ze gebruiken (hun laptops en servercapaciteit). Werken ze allebei het maximale aantal uren met hun apparatuur volop benut, dan is de productiecapaciteit 100% benut.
Bram's app helpt leerlingen beter te plannen en minder stress te hebben — dat is een maatschappelijke opbrengst: een voordeel van productie voor de samenleving. Maar de servers waarop zijn app draait, verbruiken stroom, en dat heeft een milieueffect — dat zijn maatschappelijke kosten: negatieve gevolgen van productie, zoals milieuvervuiling of geluidsoverlast. Daarom kiest Bram bewust voor een hostingpartij die zijn stroom volledig uit windenergie haalt. Dat is een vorm van maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo): rekening houden met de gevolgen van je productie voor mens en milieu.
Er zijn concrete markten, zoals een supermarkt of een weekmarkt: een fysieke plek waar vraag en aanbod elkaar ontmoeten. Bram's app concurreert op een abstracte markt: de markt voor huiswerkplanner-apps is alle vraag en aanbod van dat soort apps samen, niet één fysieke plek. Andere voorbeelden van abstracte markten zijn de huizenmarkt, de arbeidsmarkt en de scootermarkt.
De vraag van gebruikers en het aanbod van app-bouwers zoals Bram bepalen de evenwichtsprijs: de prijs waarbij de vraag gelijk is aan het aanbod. De evenwichtshoeveelheid is het aantal gevraagde en aangeboden producten bij die evenwichtsprijs.
Het aanbod van huiswerkplanner-apps kan veranderen. Beginnen steeds meer leerlingen zoals Bram zelf met het bouwen van zo'n app, dan stijgt het aanbod: de aanbodlijn verschuift naar rechts, en er ontstaat een nieuwe (lagere) evenwichtsprijs en een hogere evenwichtshoeveelheid. Stoppen juist veel kleine app-bouwers (bijvoorbeeld omdat goede programmeurs schaars en duur worden), dan daalt het aanbod: de aanbodlijn verschuift naar links, met een nieuwe (hogere) evenwichtsprijs en een lagere evenwichtshoeveelheid.
Ook de vraag naar Bram's app kan veranderen. Wordt het schooljaar drukker (proefwerkweken), dan stijgt de vraag naar planner-apps: de vraaglijn verschuift naar rechts, met een nieuwe (hogere) evenwichtsprijs en een hogere evenwichtshoeveelheid. Kiezen scholieren liever voor een gratis alternatief van een ander bedrijf, dan daalt de vraag naar Bram's app: de vraaglijn verschuift naar links, met een nieuwe (lagere) evenwichtsprijs en een lagere evenwichtshoeveelheid.
Bij vrije marktwerking wordt de prijs volledig door vraag en aanbod bepaald. Een te hoge prijs is soms onwenselijk bij basisbehoeften, zoals sociale huur of medicijnen. Dan kan de overheid een maximumprijs vaststellen, of een subsidie of toeslag geven. Soms stelt de overheid juist een minimumprijs in, om een producent te beschermen tegen een te lage prijs — vroeger zat er bijvoorbeeld een minimumprijs op melk. Bij beide ingrepen ontstaat geen marktevenwicht: bij een maximumprijs onder de evenwichtsprijs blijft een structureel vraagoverschot bestaan, bij een minimumprijs boven de evenwichtsprijs een structureel aanbodoverschot.
In een transparante markt kun je aangeboden producten en prijzen goed vergelijken. In zo'n markt, met veel vragers en aanbieders, geldt: als de prijs van een product stijgt, dan daalt de vraag (mensen stappen over naar een aanbieder met een lagere prijs); en als de prijs daalt, dan stijgt het aanbod (meer aanbieders willen tegen die prijs verkopen). Een app store waar gebruikers prijzen en beoordelingen van vergelijkbare apps makkelijk naast elkaar kunnen zien, werkt in die zin als een transparante markt.
Bram's app concurreert met tientallen andere huiswerkplanner-apps. Zijn marktaandeel is zijn afzet (of omzet) in procenten van de totale afzet (of omzet) op die markt. Hij probeert dat aandeel te vergroten door marketinginstrumenten in te zetten — zoals een aantrekkelijke prijs of slimme promotie. Grotere bedrijven vergroten hun marktaandeel soms ook door een overname (het ene bedrijf koopt het andere) of een fusie (twee bedrijven vormen samen één nieuw bedrijf).
Een monopolie is een marktvorm met maar één aanbieder. In Nederland is dit zeldzaam, al bestaan er wel overheidsmonopolies: zo is er maar één beheerder van het landelijke hoogspanningsnet, en mag alleen de centrale bank bankbiljetten uitgeven.
De markt voor huiswerkplanner-apps, waarop Bram actief is, heeft heel veel aanbieders — maar elke app is anders: andere functies, ander design, ander gebruiksgemak. Gebruikers hebben dus een voorkeur voor een bepaalde app: de producten zijn heterogeen. Een marktvorm met heterogene producten en veel aanbieders heet monopolistische concurrentie. Ter vergelijking: bij volkomen concurrentie zijn er ook veel aanbieders, maar zijn de producten homogeen: in de ogen van klanten verschillen ze niet van elkaar — denk aan de graanmarkt of de aandelenmarkt, waar de herkomst van het product de koper niets uitmaakt.
Een oligopolie is een markt met een klein aantal aanbieders. Bij een oligopolie met een heterogeen product concurreren bedrijven op de eigenschappen van het product — zoals op de markt voor smartphones, waar fabrikanten zich onderscheiden op vormgeving, camera of opslagcapaciteit. Mocht Bram's planner-app-markt ooit verschralen tot drie of vier grote aanbieders, dan zou dat ook een oligopolie zijn. Bij een oligopolie met een homogeen product concurreren bedrijven juist vooral op prijs — zoals op de benzinemarkt, waar soms een prijzenoorlog ontstaat.
Een kartel is een afspraak tussen aanbieders om de onderlinge concurrentie te beperken, bijvoorbeeld over de prijs of de hoeveelheid aanbod op de markt. Kartelafspraken zijn verboden. De ACM (Autoriteit Consument & Markt) onderzoekt kartels en kan hoge boetes geven.
Dunya merkt dat ze als werknemer bij de supermarkt minder te zeggen heeft dan haar filiaalmanager. De werkgever kan personeel aannemen en ontslaan, betaalt het loon, bepaalt de functie en beslist over een eventuele promotie. De werknemer, zoals Dunya, kan wel solliciteren, maar beslist daarna weinig: zij is financieel afhankelijk van haar loon en moet haar functie zo goed mogelijk uitvoeren. Er is dus een duidelijk verschil in machtspositie tussen werkgever en werknemer.
Dunya is blij dat ze, ook als scholier met een bijbaantje, recht heeft op het wettelijk minimumloon en op doorbetaling van loon bij ziekte. Werknemers worden op verschillende manieren beschermd: door de overheid, en door de vakbond.
Met haar bijbaantje is Dunya nog niet economisch zelfstandig: dat ben je als je eigen inkomen minstens gelijk is aan het sociaal minimum (het bijstandsniveau, gelijk aan 70% van het minimumloon). Voor een scholier is dat ook geen verwachting — maar later, als ze een vaste baan heeft, is economische zelfstandigheid wel een belangrijk doel.
Op dit moment is ongeveer 1 op de 3 vrouwen niet economisch zelfstandig. Oorzaken: vrouwen werken vaker in een deeltijdbaan (vaak door de zorg voor kinderen — oplossingen zijn betere en goedkopere kinderopvang en flexibelere werktijden), werken vaker in minder goed betalende sectoren (zoals zorg en horeca), hebben minder vaak een topfunctie, en ervaren soms (onbewuste) achterstelling. De Algemene wet gelijke behandeling verbiedt achterstelling vanwege religie, gender of geslacht, leeftijd, en afkomst of etniciteit, en geeft recht op gelijke beloning voor gelijk werk en gelijke kansen bij het solliciteren.
Dunya werkt niet alleen voor het geld: ze vindt het ook leuk om klanten te helpen en haar collega's te zien. Dat zijn voorbeelden van arbeidsmotieven: redenen om te werken. Naast inkomen verdienen zijn dat ook je talent ontplooien, je nuttig maken, sociale contacten, en regelmaat in je tijdsindeling — en deze motieven gelden net zo goed voor onbetaald werk.
Dunya's baan bij de supermarkt is wit werk: betaald werk met een arbeidscontract, waarbij loonbelasting en sociale premies worden ingehouden, geregistreerd in de formele sector. Ter vergelijking: zwart werk is ook betaald, maar zonder contract, zonder belasting en premies, niet verzekerd en niet geregistreerd — en dat is verboden. Grijs werk is onbetaald werk, zoals vrijwilligerswerk, werk in het eigen huishouden of mantelzorg: ook niet geregistreerd, maar niet verboden. Dunya's oma die regelmatig op haar kleine nichtje past, verricht grijs werk.
Dunya Bram
Dunya heeft bij de supermarkt een vaste baan: een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, met ontslagbescherming en veel zekerheid. Ter vergelijking: een oproepkracht of een uitzendkracht heeft een flexibele baan: een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (een tijdelijke baan), met weinig zekerheid.
Bram is geen werknemer, maar zelfstandig ondernemer: hij verdient zijn inkomen met zijn eigen app-bedrijfje. Voordeel: alle inkomsten zijn voor hemzelf, en hij bepaalt zelf wat hij doet, wanneer hij werkt en hoe hard hij werkt. Risico's: bij te weinig opdrachten heeft hij minder werk en minder inkomen, bij te veel concurrentie moet hij misschien te lage prijzen rekenen om nog winst te maken, en hij heeft geen bescherming door werknemersverzekeringen zoals WW of WIA.
Bram begon zijn app-bedrijfje als eenmanszaak: hij is de enige eigenaar, al zou hij in principe personeel in dienst kunnen nemen. Stel dat Bram met een vriend die meehelpt aan het ontwerp besluit om samen verder te gaan: dan zouden ze een vennootschap onder firma (vof) kunnen oprichten, met twee of meer eigenaren (vennoten of firmanten). Voordelen daarvan zijn een duidelijke taakverdeling (Bram doet de techniek, zijn vriend het ontwerp), samen meer kunnen investeren, en de winst verdelen.
In beide gevallen betalen de eigenaars over de winst inkomstenbelasting, en zijn ze ook met hun privévermogen aansprakelijk voor schulden van de zaak — gaat het mis met Bram's bedrijfje, dan kunnen schuldeisers in het ergste geval ook zijn persoonlijke spaargeld aanspreken.
Mocht Bram's app ooit heel groot worden, zou hij kunnen overwegen er een besloten vennootschap (bv) van te maken: één of meer aandeelhouders, waarbij de aandelen niet vrij te verhandelen zijn. Wil hij zijn bedrijf later naar de beurs brengen, dan wordt een naamloze vennootschap (nv) relevant: dan kan iedereen aandelen kopen, die op de effectenbeurs worden verhandeld.
Voor beide geldt: de eigenaren zijn de aandeelhouders, en zij lopen alleen risico met hun aandeel (niet met hun hele privévermogen, zoals bij een eenmanszaak of vof). Bv's en nv's betalen over de winst vennootschapsbelasting. Aandeelhouders behalen rendement door dividend (winstuitkering) of door een stijging van de aandelenkoers.
Een stichting is opgericht voor een bepaald doel, bijvoorbeeld: Excelsior maakt betaald voetbal mogelijk, SIRE verzorgt ideële reclame, en Stichting Beter Leven komt op voor dierenwelzijn. Winst behalen mag bij een stichting geen doel zijn — eventuele winst is voor de stichting zelf, niet voor de oprichters. Inkomsten komen uit subsidie en donaties, en uit eigen inkomsten zoals entreegeld of sponsorgeld.
Dunya Bram
De economie is verdeeld in vier productiesectoren. Dunya's werk bij de supermarkt en Bram's app-bedrijfje vallen allebei onder de tertiaire sector: commerciële dienstverlening, zoals handel, transport, banken, verzekeraars en schoonmaak. Ter vergelijking: de boer die landbouwgrond verhuurt (uit hoofdstuk 3) werkt in de primaire sector — landbouw, visserij en mijnbouw, die voedsel en grondstoffen rechtstreeks vanuit de natuur leveren. De bakker die met dat meel brood bakt, werkt in de secundaire sector: industrie, bouw en ambachten, die grondstoffen verwerken tot (eind)producten. Onderwijs, gezondheidszorg en overheidsdiensten vallen onder de quartaire sector: niet-commerciële dienstverlening.
Bij gewone producten geldt: de vrager (consument) wil het product hebben en betaalt de prijs, de aanbieder (producent) wil het verkopen en ontvangt de prijs. Bij arbeid werkt het net zo, maar dan omgedraaid wat betreft wie vraagt en wie aanbiedt. Stel dat Bram een vriend inhuurt om mee te helpen aan zijn app: dan is Bram de vrager naar arbeid (hij heeft arbeidskracht nodig en betaalt daarvoor het loon), en is zijn vriend de aanbieder van arbeid (hij stelt zijn arbeidskracht beschikbaar en ontvangt het loon).
Werkgelegenheid is het totaal van alle banen die er zijn. Je kunt dit op twee manieren meten: werkgelegenheid in personen (alle mensen die werken, in voltijd én in deeltijd) en werkgelegenheid in arbeidsjaren (alle gewerkte uren omgerekend naar voltijdbanen).
Op de arbeidsmarkt bepalen vraag naar arbeid en aanbod van arbeid samen of er evenwicht is. Bij een ruime arbeidsmarkt is er meer aanbod dan vraag: veel werkloosheid. Bij een krappe arbeidsmarkt is er meer vraag dan aanbod: veel onvervulde vacatures, minder werkloosheid. Werkt de supermarkt waar Dunya werkt in een tijd met een krappe arbeidsmarkt, dan heeft ze meer onderhandelingsruimte om bijvoorbeeld een hoger loon te vragen — werkgevers hebben dan immers moeite om personeel te vinden.
Dunya Bram
Voor gegevens over de arbeidsmarkt kijkt het CBS naar de bevolking tussen 15 en 75 jaar. Dunya (met haar bijbaantje) en Bram (als zelfstandig ondernemer) horen beiden bij de beroepsbevolking en zijn werkzaam. Mensen die niet werken én niet willen of kunnen werken (zoals voltijd huisvrouw/-man of iemand die voltijd studeert zonder bijbaan) horen bij de niet-beroepsbevolking.
Arbeidsparticipatie (arbeidsdeelname) is het deel van de bevolking dat werkt of wil werken: de beroepsbevolking gedeeld door de totale bevolking van 15-75 jaar. In het CBS-voorbeeld: 9,7 ÷ 13,2 × 100% = 73,5%. Een hogere arbeidsparticipatie is een oplossing voor een krappe arbeidsmarkt.
Van de werklozen is een deel geregistreerd werkloos: ingeschreven bij het UWV. Een ander deel is verborgen werkloos: ze willen wel werken, maar hebben zich niet ingeschreven bij het UWV (bijvoorbeeld omdat ze studeren of fulltime huisvrouw/-man zijn).
Zou Dunya haar baan bij de supermarkt onverwacht verliezen, dan loopt ze niet alleen inkomen mis: ze ervaart ook onzekerheid, een gemis aan sociale contacten met collega's en klanten, mogelijk het gevoel nutteloos te zijn, en geen vast dagritme meer. Werkloosheid is dus een probleem voor de werkloze zelf. Het is ook een probleem voor de samenleving: het talent en de inzet van werklozen wordt niet benut, de samenleving betaalt de uitkeringen, en er ontstaat een welvaartsverschil tussen werkenden en werklozen.
Stel dat consumenten zoals Dunya, door een dalende koopkracht, minder gaan besteden. Daardoor heeft de supermarkt minder klanten te bedienen: minder productie, en daardoor minder personeel nodig — in een ernstig scenario zou dat zelfs Dunya's collega's hun baan kunnen kosten. Dit heet conjuncturele werkloosheid: het gevolg van minder vraag naar goederen en diensten door afnemende bestedingen.
Wat is hieraan te doen? De overheid kan de loonheffing verlagen (hoger nettoloon, waardoor de vraag toeneemt) of investeren, bijvoorbeeld in infrastructuur (waardoor de vraag ook toeneemt). Werkgevers kunnen de lonen verhogen, wat de vraag eveneens doet toenemen.
Stel dat concurrerende huiswerkplanner-apps, zoals die van Bram, door automatisering steeds minder programmeurs nodig hebben om nieuwe functies te bouwen. Dat kan structurele werkloosheid onder programmeurs veroorzaken: het gevolg van problemen aan de aanbodkant van de economie. Andere oorzaken: aanbod van verouderde producten (productie stopt), aanbod en productie die naar lagelonenlanden verhuist, en een aanbod van werkzoekenden met de 'verkeerde' opleiding (geen kans op werk).
Wat is hieraan te doen? Innovatie van producten (nieuwe producten waar wel vraag naar is), innovatie van productiemethoden (goedkoper produceren → meer vraag → meer productie → meer personeel nodig), en scholing van personeel voor banen die er wel zijn.
Naast conjuncturele en structurele werkloosheid bestaan er nog andere soorten werkloosheid. Frictiewerkloosheid: na een opleiding of ontslag heb je even tijd nodig om een nieuwe baan te vinden. Regionale werkloosheid: in een bepaald gebied is de werkloosheid hoger dan gemiddeld in het land. Seizoenwerkloosheid: bepaald werk kan niet het hele jaar door gedaan worden — denk aan werk op de kermis, dat 's winters stilligt.
Dunya rijdt elke dag langs de brandweerkazerne op weg naar haar werk, en weet dat als het ooit misgaat, de brandweer er gewoon is — zonder dat ze daarvoor apart moet betalen. Dat is een collectieve voorziening: een voorziening waarvan iedereen gebruik kan maken, en die door de overheid wordt betaald en geleverd.
Waarom doet de overheid dit, in plaats van het aan bedrijven over te laten? Omdat deze voorzieningen voor iedereen van belang zijn, de overheid zelf de kwaliteit ervan wil bewaken, je mensen er niet apart voor kunt laten betalen (denk aan dijken: je kunt niet alleen het huis van een betalende klant beschermen), en ze voor iedereen betaalbaar moeten blijven.
Bram leeft eigenlijk in twee werelden. Met zijn app-bedrijfje hoort hij bij de particuliere sector (ook wel marktsector): hij verkoopt een dienst, zijn doel is winst maken, en hij moet concurreren met andere app-bouwers om klanten te krijgen — dat heet marktwerking. Maar de gemeente waar Bram zelf woont, hoort bij de collectieve sector (ook wel publieke sector): de overheid en instellingen voor sociale zekerheid, die de collectieve voorzieningen leveren en geen winst hoeven te maken.
Privatisering is de verkoop van een dienst of activiteit door de overheid aan de particuliere sector. Bekende voorbeelden van bedrijven die geprivatiseerd zijn: het treinvervoer (NS), telefonie, en de post (PostNL).
Het tegenovergestelde heet nationaliseren: de overheid neemt dan juist een particulier bedrijf over. Dat gebeurt zelden, maar wel bijvoorbeeld in 2008: de overheid nationaliseerde de ABN AMRO-bank om de financiële dienstverlening in Nederland veilig te stellen, nadat de bank in grote problemen was gekomen.
Dunya Bram
Bram overweegt voor zijn bedrijf een elektrische auto aan te schaffen. De overheid maakt zulke aankopen goedkoper met subsidie — net als bij de aanschaf van zonnepanelen. Met subsidie moedigt de overheid bepaald gedrag aan.
Dunya's vader rookt, en merkt dat een pakje sigaretten flink duurder is dan de productiekosten alleen zouden verklaren. Dat komt door accijns: een belasting die bepaalde producten duurder maakt, zoals brandstof of de consumptie van alcohol en sigaretten. Met accijns ontmoedigt de overheid bepaald gedrag.
In elk land is de economie anders georganiseerd. De grote vraag is: bepalen vraag en aanbod de prijzen, of doet de overheid dat? Er zijn drie hoofdvormen.
De overheid kan voor economisch advies terecht bij drie instellingen.
Gaat het goed met de supermarkt waar Dunya werkt, en met heel veel andere bedrijven in Nederland, dan stijgt de totale productie in het land. Het bbp (bruto binnenlands product) is de totale waarde van de productie in een land. Stijgt de productie, dan neemt het bbp toe — dat heet economische groei. Nemen de winsten van bedrijven en de inkomens van werknemers (zoals Dunya) toe, dan stijgt het nationaal inkomen.
Economische groei is ook goed nieuws voor de overheid: ze krijgt meer inkomsten (meer btw, meer inkomstenbelasting, meer vennootschapsbelasting, want bedrijven zoals Bram's app-bedrijfje maken meer winst) en heeft minder uitgaven (minder uitkeringen, doordat de werkloosheid daalt).
Stel dat consumenten, door onzekere tijden, fors minder gaan besteden — ook aan apps zoals die van Bram. Daalt de economische groei twee kwartalen achter elkaar, en is die groei ook lager dan gemiddeld, dan is er een recessie. Duurt een recessie langere tijd, of krimpt het bbp zelfs, dan spreek je van een economische crisis.
Wat kan de overheid doen om de economie te stimuleren tijdens een recessie? Investeren in de infrastructuur, de inkomstenbelasting verlagen (zodat mensen meer te besteden hebben), vernieuwende bedrijven — zoals Bram's app-bedrijfje — subsidie geven, en investeren in verbetering van het onderwijs.
Dunya's moeder werkt en betaalt inkomstenbelasting. Daarmee draagt ze, zonder dat ze er dagelijks bij stilstaat, bij aan de zorgtoeslag van een buurman met een laag inkomen. Dat is het solidariteitsbeginsel: iedereen met een inkomen staat een deel ervan af voor mensen zonder inkomen of met een laag inkomen. Dit zorgt voor een redelijke verdeling van de welvaart.
Sociale verzekeringen zijn er voor als je zonder inkomen komt te zitten. Er zijn twee soorten.
Sociale voorzieningen worden betaald met belastinggeld, niet met premies. Voorbeelden: de bijstandsuitkering, de huurtoeslag, de zorgtoeslag. Sociale verzekeringen en sociale voorzieningen vormen samen de sociale zekerheid.
Het sociaal minimum is het bedrag dat je minimaal nodig hebt om van te leven. Door de sociale zekerheid krijgt iedereen ten minste het sociaal minimum. Naast de sociale zekerheid is de overheid ook verantwoordelijk voor gezondheidszorg, huisvesting en onderwijs. Nederland is daarom een verzorgingsstaat.
| Soort | Voor wie? | Voorbeelden |
|---|---|---|
| Werknemersverzekering | Mensen in loondienst | WW, WIA |
| Volksverzekering | Alle inwoners NL | AOW, Anw, Wlz |
| Sociale voorziening | Mensen zonder andere mogelijkheden | Bijstand, huurtoeslag, zorgtoeslag |
Net als een huishouden heeft de overheid inkomsten en uitgaven. Die staan elk jaar in de rijksbegroting: de verwachte uitgaven en inkomsten van de overheid in het komende jaar. In de miljoenennota worden de gemaakte keuzes uitgelegd. Doordat de overheid leent, is er een staatsschuld.
Worden er meer uitgaven dan inkomsten verwacht? Dan is er een begrotingstekort. Worden er meer inkomsten dan uitgaven verwacht? Dan is er een begrotingsoverschot.
Bram leest een nieuwsbericht: "De overheid investeert 5 miljard euro in het spoor." Hij vraagt zich af hoeveel dat in miljoenen is. Als je rekent met de overheidsfinanciën, heb je vaak met miljarden en miljoenen te maken — en het is handig om snel tussen die twee te kunnen omrekenen.
Op haar loonstrook ziet Dunya dat er, naast loonbelasting, ook sociale premies worden ingehouden — geld dat is bedoeld voor de uitkeringen van de sociale verzekeringen. De overheid heeft drie soorten inkomsten.
Belastingen kun je in twee groepen verdelen. Directe belastingen betaal je rechtstreeks aan de Belastingdienst (fiscus): denk aan loonbelasting, inkomstenbelasting, en de vennootschapsbelasting die Bram zou betalen als zijn app-bedrijfje ooit een bv wordt. Indirecte belastingen betaal je met een omweg aan de Belastingdienst: via een (web)winkel, die op zijn beurt de accijns en btw afdraagt.
Dunya's ouders krijgen elk jaar een aanslag gemeentelijke belastingen. Het grootste deel van de inkomsten van de gemeente komt echter niet van burgers, maar uit het Gemeentefonds van het Rijk. Daarnaast betalen burgers en bedrijven gemeentelijke belastingen en heffingen.
Module 7 stapt over van individuele markten naar de economie als geheel. Het verschil tussen micro- en macro-economie is het analyseniveau. Jims loon van de Jumbo en zijn beslissing om wel of niet een scooter te verzekeren (Module 6) zijn micro-economie. Wat al die huishoudens in Nederland samen verdienen en uitgeven, is macro-economie.
Het huishouden van Jim en dat van Mila zijn allebei een klein onderdeel van het "gezinnen"-blokje in het kringloopmodel: ze ontvangen loon van bedrijven (Jims Jumbo-salaris, Mila's optreedgeld) en besteden dat weer aan producten en diensten. Miljoenen van zulke huishoudens samen vormen de economische kringloop.
Jim werkt veel uren bij de Jumbo bovenop zijn volleybaltrainingen en verdient daardoor meer dan Mila, die liever wat minder optreedt om tijd over te houden voor haarzelf. Puur qua bbp-bijdrage doet Jim het beter — maar zegt dat ook iets over wie van de twee gelukkiger is?
Jim en Mila verdienen allebei iets via hun bijbaantje of optredens — dat is inkomen. Maar hun ouders kunnen daarnaast enorm verschillen in wat ze al bezitten: spaargeld, een huis, beleggingen. Dat verschil zit in twee aparte vormen van ongelijkheid.
Tess is net klaar met haar examens en begint een eigen kraampje met zelfgebrouwen kombucha (gefermenteerde thee) op de zomerse foodtruckmarkt in haar stad. Op haar eerste marktdag staat ze tussen tientallen andere kraampjes met sapjes, smoothies en frisdrank. In dit hoofdstuk volgen we hoe Tess' marktpositie verandert.
De foodtruckmarkt waar Tess staat, is een concrete markt: vragers en aanbieders ontmoeten elkaar op een vaste plek. Maar Tess concurreert niet alleen met de kraampjes om haar heen — ze concurreert met alle aanbieders van drankjes in haar stad, ook de supermarkt en de horeca. Samen vormen al die vragers en aanbieders de abstracte markt voor drankjes: een markt zonder vaste ontmoetingsplek.
Tess merkt al snel dat ze de prijs van haar kombucha niet zomaar kan verhogen. Een deel van haar klanten koopt dan liever een sapje bij het kraampje ernaast. Dat is concurrentie-intensiteit: de mate waarin de totale winst (TW) van een aanbieder beïnvloed wordt door andere aanbieders. Bij Tess is die concurrentie-intensiteit hoog: ze heeft veel concurrenten met een vergelijkbaar product, dus haar prijs kan ze nauwelijks zelf bepalen.
Stel dat Tess de enige kombucha-brouwer in de stad zou zijn — dan zou ze de prijs wél flink kunnen verhogen zonder klanten te verliezen, want ze hebben dan nergens anders kombucha te koop. De concurrentie-intensiteit op de kombuchamarkt wordt bepaald door drie marktkenmerken, die hierna één voor één aan bod komen.
Om de prijs op een markt te begrijpen, moet je de concurrentie-intensiteit kennen. Die wordt beïnvloed door drie marktkenmerken: het aantal aanbieders, de toetredingsbarrières en de mate van productdifferentiatie. Samen vormen deze kenmerken de marktstructuur van een markt. Het eerste marktkenmerk is het aantal aanbieders.
Constante kosten vormen een toetredingsbarrière: een abstracte drempel die een nieuwe aanbieder 'overheen moet stappen' om te kunnen produceren. De toetredingsbarrière is hoger als de constante kosten hoger zijn. Bij een hogere toetredingsbarrière lukt het minder aanbieders om over de drempel heen te stappen, waardoor er minder aanbieders op de markt zijn en de concurrentie-intensiteit lager is.
| Markt | Toetredingsbarrières |
|---|---|
| Kombuchakraampjes | Vergunning marktplaats, brouwbenodigdheden |
| Fastfood | Reclamekosten, huisvestingskosten A-locaties binnensteden |
| Personenauto's | Ontwerpkosten nieuwe auto, investeringskosten autofabriek |
| Olie | Bouwkosten raffinaderij, aankoop olievelden |
| Streamingdiensten | Ontwerp- en onderhoudskosten platform, productiekosten content |
Toetredingsbarrières verschillen sterk per markt. Voor Tess is de toetredingsbarrière laag: een brouwketel en een marktvergunning zijn betaalbaar, dus elke week kunnen er nieuwe kraampjes bijkomen. Voor een chipfabriek zoals die van ASML kost de fabriek alleen al miljarden euro's — een zeer hoge toetredingsbarrière. Daardoor zijn er wereldwijd maar een paar chipmachinefabrikanten, maar honderden kombucha- en sapkraampjes.
Bij de afleiding van de aanbodlijn geldt: de GTK-lijn daalt eerst bij een grotere productieomvang. De winst van een aanbieder is gelijk aan TW = (p − GTK) × q. Bij een lagere prijs moet een aanbieder dus meer verkopen om geen verlies te maken. Stel dat Tess bij prijs p = €6 minimaal 200 bekers kombucha per week moet verkopen om geen verlies te maken. Komt er een tweede kombuchakraam bij, dan moeten beide kraampjes hun prijs verlagen om de klanten te verdelen — en moet ieder kraampje meer dan de helft van 200 bekers verkopen om quitte te spelen, omdat de GTK bij een lagere prijs hoger ligt dan bij de oorspronkelijke 200 bekers. Bij twee kraampjes is in totaal 900 bekers per week nodig: 450 per kraampje, ruim meer dan de 200 die volstonden voor één aanbieder.
Hoe kleiner het aantal klanten in een afzetgebied, hoe minder ruimte er is om de prijs te verlagen. Is het benodigde aantal klanten niet aanwezig, dan loont een tweede kraampje niet. Dat verklaart waarom je in een klein dorp vaak maar één bakker vindt, en in een grote stad tien.
Op de meeste markten zijn er meerdere producenten. Zij produceren twee soorten producten: homogene producten of heterogene producten. Homogene producten voorzien in dezelfde behoefte en zijn in de ogen van de consumenten niet verschillend van elkaar. Heterogene producten voorzien ook in dezelfde behoefte, maar zijn in de ogen van consumenten wel verschillend van elkaar.
| Mate van productdifferentiatie | Product |
|---|---|
| Homogeen | Elektriciteit |
| Zwak heterogeen | Melk |
| Gematigd heterogeen | Frisdrank / kombucha |
| Sterk heterogeen | Tassen |
Tess' kombucha is een gematigd heterogeen product: net als bij frisdrank verschilt de smaak per merk merkbaar, maar consumenten kunnen nog steeds relatief makkelijk overstappen naar een andere smaak of brouwer. Een homogeen product als melk verschilt maar zwak per merk; een sterk heterogeen product als een tas (een Chanel-tas vergeleken met een tas van de Action) verschilt juist enorm.
De concurrentie-intensiteit op een markt neemt af bij een grotere mate van productdifferentiatie. Bij homogene producten kan een aanbieder zijn prijs niet zomaar verhogen: consumenten kopen precies hetzelfde product bij een andere aanbieder. Maar als producten sterk gedifferentieerd zijn, kan een producent veel gemakkelijker zijn prijs verhogen. Voor consumenten bestaat er dan geen of nauwelijks vergelijkbaar alternatief.
Tess is net klaar met haar examens en begint een eigen kraampje met zelfgebrouwen kombucha (gefermenteerde thee) op de zomerse foodtruckmarkt in haar stad. Ze staat tussen tientallen andere kraampjes met sapjes, smoothies en frisdrank. In dit hoofdstuk volgen we hoe Tess' marktpositie verandert — van een kraampje tussen veel concurrenten tot een unieke aanbieder met eigen prijsmacht.
Een marktvorm is de indeling van een markt op basis van het aantal aanbieders én de mate van productdifferentiatie. De marktvorm bepaalt hoeveel invloed een individuele aanbieder heeft op de prijs: is hij een hoeveelheidsaanpasser, prijsbeïnvloeder of prijszetter?
| Marktvorm | Aanbieders | Product | Rol aanbieder |
|---|---|---|---|
| Volkomen concurrentie | Veel | Homogeen | Hoeveelheidsaanpasser |
| Monopolistische concurrentie | Veel | Heterogeen | Beperkte prijsinvloed |
| Oligopolie (homogeen) | Weinig | Homogeen | Prijsbeïnvloeder |
| Oligopolie (heterogeen) | Weinig | Heterogeen | Prijsbeïnvloeder |
| Monopolie | Één | Onafhankelijk | Prijszetter |
De vijf marktvormen kun je rangschikken naar concurrentie-intensiteit. Daarbij neemt de invloed van een individuele aanbieder op zijn eigen prijs af naarmate de concurrentie-intensiteit lager is.
| Marktvorm | Concurrentie-intensiteit | Invloed op de eigen prijs |
|---|---|---|
| Volkomen concurrentie | Zeer hoog | Geen |
| Monopolistische concurrentie | Hoog | Nauwelijks |
| Homogeen oligopolie | Gemiddeld | Beperkt |
| Heterogeen oligopolie | Laag | Veel |
| Monopolie | Afwezig | Volledig |
Bij volkomen concurrentie zijn er veel aanbieders van een homogeen product. Het is de enige marktvorm waarbij een aanbodlijn kan worden afgeleid en waarbij individuele aanbieders geen invloed hebben op de prijs van hun product: iedere aanbieder is een hoeveelheidsaanpasser. Een monopolie biedt de laagst mogelijke concurrentie-intensiteit: er is sprake van een monopolie als één enkel bedrijf de markt bedient. Die ene aanbieder bepaalt helemaal zelf de prijs van zijn product; een monopolist is prijszetter.
Iedere marktvorm ontstaat vanuit een monopolie. Gaandeweg komen er meer producenten die hetzelfde of een vergelijkbaar product aanbieden. Als deze nieuwe producenten hetzelfde product aanbieden als de monopolist, ontstaat een homogeen oligopolie. Toetreding geeft een homogeen oligopolie als de toetredende producenten een andere variant van het product produceren. Bij lage toetredingsbarrières blijven nieuwe producenten toetreden tot de markt. Een homogeen oligopolie kan dan veranderen in een markt met volkomen concurrentie, maar alleen als het aantal toetreders zo groot is dat een individuele aanbieder geen invloed meer heeft op de prijs van zijn product. Toetreding met heterogene producten kan ook net zo lang doorgaan totdat geen enkel product nog winst maakt. In dat geval is een heterogeen oligopolie veranderd in een markt met monopolistische concurrentie.
Op een markt wordt de concurrentie-intensiteit bepaald door het aantal aanbieders en de mate van productdifferentiatie. Dat geeft vijf verschillende marktvormen. Bij volkomen concurrentie zijn er veel producenten die allemaal hetzelfde, homogene product aanbieden. Het is de enige marktvorm waarbij een aanbodlijn afgeleid kan worden en waarbij individuele producenten geen invloed hebben op de prijs van hun product. Iedere producent is een hoeveelheidsaanpasser. De concurrentie-intensiteit bij volkomen concurrentie is zeer hoog. Bij monopolistische concurrentie bieden veel producenten een heterogeen product aan. De concurrentie-intensiteit is hoog. Er is sprake van een monopolie als één enkel bedrijf de markt bedient; die bepaalt helemaal zelf de prijs van zijn product. Een monopolie biedt de laagst mogelijke concurrentie-intensiteit. Bij een homogeen oligopolie bieden weinig producenten hetzelfde, homogene product aan. De concurrentie-intensiteit van een homogeen oligopolie is gemiddeld. Als producenten bij een oligopolie een gedifferentieerd product aanbieden, is er sprake van een heterogeen oligopolie. De concurrentie-intensiteit van een heterogeen oligopolie is laag.
Op de eerste marktdag heeft Tess geen idee welke prijs ze moet vragen voor haar kombucha. Te duur, en niemand koopt; te goedkoop, en ze is binnen het uur uitverkocht maar verdient nauwelijks iets. Ergens tussenin ligt de prijs waarbij haar aanbod precies aansluit op de vraag. Bij iedere marktvorm wordt het marktevenwicht bereikt als aan dezelfde twee voorwaarden is voldaan. De manier waarop aan die voorwaarden wordt voldaan, verschilt per marktvorm.
De twee voorwaarden voor marktevenwicht pakken per marktvorm wel verschillend uit. Daarbij geldt dat de prijs bij marktevenwicht lager is bij een hogere concurrentie-intensiteit.
Op de foodtruckmarkt staan 8 sapjeskraampjes naast Tess — allemaal met identiek appel-perensap. Dit is volkomen concurrentie: veel aanbieders, homogeen product, vrije toetreding, transparante markt, dezelfde technologie. Niemand kan de prijs beïnvloeden; alle aanbieders zijn hoeveelheidsaanpassers. De constante kosten per kraampje zijn €16. In de linker grafiek zie je dat bij de evenwichtsprijs van €50 ieder kraampje 5 bekers verkoopt — daar snijdt de MO-lijn de MK-lijn in punt B. De GTK bij q = 5 is €33,20 (punt C): elk kraampje maakt winst. De winst is het groene vlak ABCD: (€50 − €33,20) × 5 = €84 per kraampje. In de rechter grafiek: bij 8 kraampjes worden er 40 bekers verkocht (punt E) tegen €50.
Die winst van €84 per kraampje blijft niet onopgemerkt. Vier nieuwe kraampjes besluiten ook sapjes te gaan verkopen — vrije toetreding, zoals voorwaarde 3 voorschrijft. Nu staan er 12 kraampjes. Het collectieve aanbod stijgt, waardoor de aanbodlijn naar rechts kantelt. De nieuwe evenwichtsprijs daalt naar €42, bij een hoeveelheid van 48 bekers op die marktdag. Voor elk kraampje verschuift het MO=MK-snijpunt naar punt B bij q = 4. De winst is geslonken tot (€42 − €30) × 4 = €48 per kraampje — nog steeds winst, maar minder dan voorheen.
Toetreding van nieuwe aanbieders verlaagt de prijs en de winst van alle individuele aanbieders. Nieuwe aanbieders blijven toetreden zolang ze hun break-evenhoeveelheid kunnen behalen. Anders gezegd: nieuwe aanbieders treden er net zo lang toe totdat individuele producenten geen winst meer maken. Dan is het langetermijn-marktevenwicht bereikt. Kortom, bij volkomen concurrentie op lange termijn geldt:
1. de vraaglijn snijdt de aanbodlijn;
2. de MO-lijn snijdt de MK-lijn;
3. TW van iedere producent is gelijk aan 0.
Stel dat er uiteindelijk 32 sapjeskraampjes staan: de evenwichtsprijs is gedaald naar €26, bij Q = 64. Bij elk kraampje ligt het MO=MK-snijpunt nu precies bij q = 2 — en dat is exact het laagste punt van de GTK-lijn. Daar is GTK ook €26: p = MK = GTK, en de winst is nul. Iedere aanbieder produceert precies de productieomvang van het break-evenpunt.
| Termijn | Marktevenwicht | Winst | Toetreding |
|---|---|---|---|
| Korte termijn | Qv = Qa, p = MO = MK > GTK | TW > 0 | Ja |
| Lange termijn | Qv = Qa, p = MO = MK = GTK | TW = 0 | Nee |
Op korte termijn maakt elk kraampje €84 winst. Maar het individuele producentensurplus (PS) is groter dan alleen de winst. Het producentensurplus is het voordeel dat een aanbieder behaalt met zijn productie: gelijk aan zijn TW plus zijn constante kosten (CK). De verhuurder van het marktkraampje en de leverancier van de bekers maken immers ook winst uit de CK die Tess betaalt — zij horen ook bij het producentensurplus.
| Individueel producentensurplus | ||
|---|---|---|
| Methode 1 | Oppervlakte onder de prijs boven de MK-lijn | 0,5 × (€50 − €10) × 5 = €100 |
| Methode 2 | Optelsom van de winst en de constante kosten | €84 + €16 = €100 |
| Collectief producentensurplus | ||
| Methode 1 | Oppervlakte onder de prijs boven de aanbodlijn | 0,5 × (€50 − €10) × 40 = €800 |
| Methode 2 | Optelsom van individueel PS van alle producenten | 8 × €100 = €800 |
In §1 zagen we hoe Tess op de foodtruckmarkt begon als één van de acht sapjeskraampjes — volkomen concurrentie. In §2 was ze de enige drankjesverkoper op het festival — een monopolist. Nu komen we toe aan de tussenvormen. Toetreding bij een monopolie verloopt anders dan bij volkomen concurrentie. Bij een monopolie is er geen aanbodlijn; de invloed van toetreding verloopt via de vraaglijn. Tess was als enige aanbieder de monopolist op het festival: bij Q = 20 bekers was de prijs €6. Op dag 3 komt er een nieuw kraampje bij. Wat gebeurt er nu met de vraaglijn van Tess? De vraaglijn verschuift naar links: het deel van de oorspronkelijke vraag dat overblijft na toetreding, heet de residuele vraaglijn.
Het nieuwe kraampje op dag 3 verkoopt ook kombucha — een homogeen product. De formule van de vraaglijn als monopolist was: Qv = 50 − 5p, herschreven: p = 10 − 0,2Q. Het nieuwe kraampje verkoopt zelf 20 bekers. De residuele vraaglijn van Tess: q = Qv − 20 = 30 − 5p. Herschreven: p = 6 − 0,2q. De bijbehorende MO-lijn: MO = 6 − 0,4q.
De MO-lijn snijdt de MK-lijn bij q = 10. Prijs: p = 6 − 0,2 × 10 = €4. GTK bij q = 10 is €3,80. Winst: TW = (€4 − €3,80) × 10 = €2. Collectief Q = 20 + 10 = 30; CS = 0,5 × (€10 − €4) × 30 = €90. Door de komst van de nieuwe kombucha-aanbieder daalde de prijs van €6 naar €4 en steeg het collectieve aanbod van 20 naar 30 bekers. Lernerindex: (€4 − €2) / €4 × 100% = 50% — lager dan bij het monopolie (67%) maar hoger dan bij volkomen concurrentie (0%).
Op dag 4 verschijnt er naast Tess een limonadekraampje. Limonade en kombucha zijn niet volledig inwisselbaar: een deel van de festivalgangers heeft een voorkeur voor kombucha, maar bij een te hoge prijs stappen ze over. Daardoor verschuift Tess' vraaglijn minder ver naar links: slechts 11 bekers. Residuele vraaglijn: q = 50 − 5p − 11 = 39 − 5p. Herschreven: p = 7,8 − 0,2q. MO-lijn: MO = 7,8 − 0,4q.
MO = MK bij q = 12. Prijs: p = 7,8 − 0,2 × 12 = €5,40. GTK bij q = 12 is €3,40. Winst: TW = (€5,40 − €3,40) × 12 = €24. CS op Tess' deelmarkt: 0,5 × (€7,80 − €5,40) × 12 = €14,40. Vergelijk met homogeen oligopolie (winst €2): Tess verdient veel meer bij het heterogeen oligopolie omdat limonade geen goede vervanger is voor kombucha — haar klanten blijven trouwer.
Bij heterogeen oligopolie ontstaan er deelmarkten: een apart deelmarkt per variant. Iedere producent is monopolist op zijn eigen deelmarkt. Je berekent het totale CS en PS door de deelmarkten bij elkaar op te tellen.
Terug naar de foodtruckmarkt. Tess heeft haar kombucha een eigen smaakprofiel gegeven: gember-kurkuma, in een opvallend label met haar eigen merknaam. Ze is nu een minimonopolist in haar eigen niche — al staan er nog steeds tientallen andere drankjesverkopers om haar heen. Dit is monopolistische concurrentie: veel concurrenten met gedifferentieerde producten. Iedere aanbieder heeft enige marktmacht (zijn product is uniek), maar de concurrentie beperkt die marktmacht sterk.
Het langetermijn-marktevenwicht bij MC lijkt op dat bij volkomen concurrentie: toetreding gaat door tot TW = 0. De residuele vraaglijn van Tess raakt de GTK-lijn precies op één punt. Tegelijkertijd maximaliseert Tess haar winst: de MO-lijn snijdt de MK-lijn. Dit is punt F: de prijs is gelijk aan GTK, maar hoger dan het minimum van GTK. Dat verschil met VC zorgt voor een iets minder efficiënte markt.
| Marktvorm | Prijs bij evenwicht | TW | Relatieve efficiëntie |
|---|---|---|---|
| Volkomen concurrentie | = GTK-minimum | 0 (lange termijn) | 100% |
| Monopolistische concurrentie | > GTK-minimum, = GTK | 0 (lange termijn) | Hoog |
| Homogeen duopolie (Tess) | €4 > GTK-min | €2 | Gemiddeld |
| Heterogeen duopolie (Tess) | €5,40 > GTK-min | €24 | Lager |
| Monopolie (Tess op festival) | €6 > GTK | €50 | Laagst |
Relatieve efficiëntie = (TS huidige marktvorm / TS volkomen concurrentie) × 100%. Hoe lager de prijs bij evenwicht, hoe groter de bijdrage aan de welvaart.
Het lokale zomerfestival vraagt Tess als enige drankjesverkoper voor hun kombuchatap binnen het terrein — geen andere aanbieder mag naar binnen. Plotseling is Tess de enige aanbieder op die markt: een echte monopolist. Een monopolist is de enige aanbieder. Hij kán de prijs verhogen — maar dat kost hem klanten (wet van de vraag). Hij kiest de prijs die zijn winst maximaliseert: niet de hoogst mogelijke prijs, maar de optimale combinatie van prijs en hoeveelheid.
Laten we Tess' festivaltap precies doorrekenen met grafieken. Omdat zij de enige aanbieder binnen het terrein is, bestaat er geen aanbodlijn meer — alleen een vraaglijn. Bij een gegeven vraaglijn kiest Tess één prijs die haar winst maximaliseert.
In de grafiek hierboven kun je voor elke hoeveelheid de bijbehorende prijs aflezen: bijvoorbeeld bij 20 bekers op het festival is de betalingsbereidheid €6. Maar om te weten welke hoeveelheid Tess écht moet aanbieden, heeft ze de MO-lijn nodig. De MO-lijn heeft hetzelfde startgetal als de vraaglijn en snijdt de x-as op precies de helft van de productieomvang waarbij de vraaglijn de x-as raakt. De vraaglijn raakt de x-as bij Q=50 (niemand wil nog kopen tegen prijs €0); de MO-lijn snijdt de x-as dan bij Q=25.
Met de MO-lijn en de MK-lijn kan Tess het marktevenwicht bepalen. Bij volkomen concurrentie wordt de evenwichtsprijs bepaald door het snijpunt van vraag- en aanbodlijn. Bij een monopolie is er geen aanbodlijn. Het marktevenwicht wordt bepaald door het snijpunt van de MO-lijn met de MK-lijn.
De MO-lijn snijdt de MK-lijn bij Q=20 (punt B). De bijbehorende evenwichtsprijs volgt uit de vraaglijn: bij Q=20 is p=€6 (punt E). Tess zet dus 20 bekers kombucha af op het festival, tegen €6 per beker. De bijbehorende GTK volgt uit de GTK-lijn en is gelijk aan €3,50 (punt C). Bij marktevenwicht is de winst van Tess gelijk aan TW = (p − GTK) × Q = (€6 − €3,50) × 20 = €50.
Bij volkomen concurrentie hadden Tess en de andere sapjeskraampjes geen invloed op de prijs: p = MK = €26 op lange termijn. Als enige drankjesverkoper op het festival heeft Tess echter veel invloed: ze vraagt €6, terwijl haar marginale kosten slechts €2 zijn. Het verschil tussen de prijs en de MK noemen we marktmacht. Hoe groter het verschil, hoe meer marktmacht een aanbieder heeft.
Voor Tess op het festival: p = €6, MK = €2. Lernerindex = (€6 − €2) / €6 × 100% = 67%. Dit betekent dat 67% van de prijs die Tess vraagt meer is dan haar marginale kosten — een hoge marktmacht, kenmerkend voor een monopolie. Bij haar sapjeskraampje op de foodtruckmarkt (volkomen concurrentie op lange termijn) was p = MK = €26, dus L = 0%.
Tess merkt op het festival dat ze als enige aanbieder nog meer winst kan maken. Niet alle festivalgangers hebben dezelfde betalingsbereidheid: bezoekers met een studentenkortingspas hebben minder te besteden dan de gewone festivalgangers. Een slimme monopolist vraagt niet één prijs aan iedereen, maar probeert de betalingsbereidheid van elk segment af te romen. Dat heet prijsdiscriminatie. Om dit te kunnen doorvoeren, moeten aan drie voorwaarden zijn voldaan.
In het dorp zijn er twee groepen festivalgangers met een verschillende betalingsbereidheid voor kombucha: gewone bezoekers en bezoekers met een studentenkortingspas. De linker grafiek hieronder toont de samengevoegde vraaglijn van beide groepen. De knik ontstaat door de lagere betalingsbereidheid van de kortingspashouders: bij prijzen boven €8 kopen alleen gewone bezoekers kombucha. Bij lagere prijzen telt Tess de vraag van beide groepen bij elkaar op.
In de middelste grafiek snijdt de MO-lijn van de gewone bezoekers de MK-lijn bij Q=14, met bijbehorende prijs p=€7. De GTK is dan €3,50. De winst bij gewone bezoekers is TW = 14 × (€7 − €3,50) = €49. Bij de kortingspashouders (rechter grafiek) snijdt de MO-lijn de MK-lijn bij Q=10, met prijs p=€5 en eveneens GTK=€3,50. De winst bij kortingspashouders is TW = 10 × (€5 − €3,50) = €15.
Door haar markt te segmenteren, verdient Tess €64 in plaats van €50 — €14 extra winst. Bovendien verkoopt ze in totaal meer kombucha (14+10=24 bekers in plaats van 20): ook de kortingspashouders, die bij een uniforme prijs van €6 niet zouden kopen, doen nu mee. Prijsdiscriminatie is dus niet alleen goed voor Tess' winst, maar zorgt er ook voor dat meer mensen een kombucha kunnen kopen die anders buiten de boot zouden vallen.
Tess' kombucha wordt zo populair dat drie grote frisdrankmerken — vergelijkbaar met Coca-Cola, Pepsi en AA Drink — allemaal hun eigen kombucha in de supermarkt zetten. Met hun budgetten en distributienetwerk kan Tess natuurlijk niet concurreren, maar de drie merken letten wel scherp op elkaar: verlaagt het ene merk de prijs, dan volgen de andere meteen. Bij een oligopolie zijn er maar weinig aanbieders die samen de markt domineren. Ze zijn elkaars grootste concurrenten — en ze letten voortdurend op elkaars gedrag. Dat maakt oligopolie strategisch: verlaag jij je prijs, dan doet je concurrent dat ook.
Toetreding bij een monopolie verloopt anders dan toetreding op een markt met volkomen concurrentie. Bij een monopolie is er geen aanbodlijn; de invloed van toetreding op het marktevenwicht verloopt via de vraaglijn. Tess was als enige aanbieder op het festival een monopolist (zie §4): bij Q=20 was de prijs €6. Op de tweede festivaldag komt er een nieuw kraampje bij. Wat gebeurt er nu met de vraaglijn van Tess als er een nieuwe aanbieder bijkomt? De vraaglijn verschuift naar links, als er op een markt nieuwe, substitueerbare producten bijkomen. De verschoven vraaglijn is dan het deel van de oorspronkelijke vraag dat overblijft voor Tess. Deze verschoven vraaglijn heeft een speciale naam: de residuele vraaglijn.
De afstand waarover de vraaglijn naar links verschuift, hangt af van de mate waarin het product van de nieuwe aanbieder lijkt op het product van Tess. Is de nieuwe aanbieder ook een kombucha-kraampje, of bijvoorbeeld een limonadekraampje? Bij homogene producten is de onderlinge substitueerbaarheid maximaal: in de ogen van de festivalganger zijn kombucha's van verschillende kraampjes volledig inwisselbaar. In dat geval verschuift bij toetreding de vraaglijn over de grootste afstand naar links. Heterogene producten zijn onderling minder goed inwisselbaar. Verschuift er een limonadekraampje naast Tess, dan verschuift haar vraaglijn over een minder grote afstand naar links dan bij de komst van een nieuw kombucha-kraampje.
Stel het nieuwe kraampje op de tweede festivaldag verkoopt ook kombucha — een homogeen product. De formule van de vraaglijn van Tess als monopolist was Qv = 50 − 5p, of herschreven: p = 10 − 0,2Qv. Het nieuwe kraampje verkoopt zelf, als zelfstandige aanbieder, 20 bekers kombucha. De residuele vraaglijn van Tess krijg je door deze 20 bekers van de oorspronkelijke vraaglijn af te trekken: q = Qv − 20 = 30 − 5p. Herschreven: p = 6 − 0,2q.
De bijbehorende MO-lijn is op de gebruikelijke manier gedefinieerd: hetzelfde startgetal als de residuele vraaglijn, en snijdt de x-as op de helft van het punt waar de residuele vraaglijn de x-as raakt. De residuele vraaglijn raakt de x-as bij q=30, dus de MO-lijn snijdt de x-as bij q=15: MO = 6 − 0,4q.
In de grafiek hierboven snijdt de MO-lijn de MK-lijn bij q=10 (punt B). De bijbehorende prijs volgt uit de residuele vraaglijn: p = 6 − 0,2 × 10 = €4 (punt E). Kortom, als er een nieuw, homogeen kombucha-kraampje toetreedt, maximaliseert Tess haar winst door 10 bekers te verkopen tegen €4 per beker. De bijbehorende GTK volgt uit de GTK-lijn en is gelijk aan €3,50 (punt C). Het bijbehorende TW = (p − GTK) × q = (€4 − €3,50) × 10 = €5. Dat is veel minder dan de €50 winst die Tess als monopolist maakte!
Marktmacht. In een homogeen duopolie hebben producenten nog steeds invloed op de prijs van hun product: ze beschikken over marktmacht. De mate van marktmacht meet je met de Lernerindex: 100% × (p − MK) / p. Bij Tess als monopolist (§4) was de Lernerindex 100% × (€6 − €2) / €6 = 66,7%. Na toetreding van het tweede kraampje is de Lernerindex 100% × (€4 − €2) / €4 = 50%. De mate van marktmacht is dus kleiner geworden, maar nog steeds aanwezig: want ook in een homogeen duopolie moeten beide producenten rekening houden met de concurrent.
Het marktevenwicht van een heterogeen oligopolie leid je op dezelfde manier af als bij een homogeen oligopolie. Stel het nieuwe kraampje op de tweede festivaldag verkoopt geen kombucha, maar verse limonade. Limonade en kombucha zijn niet volledig inwisselbaar: een deel van de festivalgangers drinkt liever limonade dan kombucha, maar de meesten blijven bij hun eigen voorkeur. Daardoor verschuift de vraaglijn van Tess niet over een afstand van 20 bekers naar links, zoals bij een homogeen product, maar over een kleinere afstand: 11 bekers. De residuele vraaglijn van Tess wordt dan: q = Qv − 11 = 50 − 5p − 11 = 39 − 5p. Herschreven: p = 7,8 − 0,2q.
Voor Tess snijdt de MO-lijn de MK-lijn nu bij q=12 (punt B). De bijbehorende prijs volgt uit de herschreven residuele vraaglijn: p = 7,8 − 0,2 × 12 = €5,40 (punt E). Kortom, bij marktevenwicht verkoopt Tess 12 bekers kombucha voor een prijs van €5,40. De bijbehorende GTK is gelijk aan €3,40, zodat de winst van Tess gelijk is aan TW = (p − GTK) × q = (€5,40 − €3,40) × 12 = €24.
Vergelijk dit met homogeen oligopolie: daar verkocht Tess maar 10 bekers voor €4 (winst €5). Bij heterogeen oligopolie verkoopt ze meer (12 bekers) tegen een hogere prijs (€5,40), met een veel hogere winst (€24). Dat komt omdat limonade een minder goede vervanger is voor kombucha dan een andere kombucha: Tess houdt een trouwere klantenkring over.
Zo ontstaan er bij een heterogeen oligopolie deelmarkten: een apart deel van de markt voor iedere variant van het product. Iedere producent is monopolist op zijn deel van de markt. De berekening van het consumenten- en producentensurplus verloopt weer op dezelfde manier als bij een monopolie. Alleen moet je het consumenten- en producentensurplus voor iedere deelmarkt apart berekenen en bij elkaar optellen om het totale surplus van de hele heterogene markt te krijgen.
Tess' kombuchastand op de foodtruckmarkt komt via vraag en aanbod uit op een evenwichtsprijs van €26. Maar is dat ook een gewenste uitkomst? Een consument die krap bij kas zit, vindt €26 misschien te hoog. Een kombucha-boer die de grondstoffen levert, vindt het misschien te laag. De overheid kan een marktevenwicht om twee redenen ongewenst vinden: politieke overtuiging of marktfalen.
Op het festival was Tess de enige drankjesverkoper — een monopolist. Ze vroeg €6 terwijl haar marginale kosten €2 waren (Lernerindex 67%). Die hogere prijs verhoogt haar producentensurplus, maar verlaagt het consumentensurplus. De daling van het consumentensurplus is groter dan de stijging van het producentensurplus — er gaat welvaart verloren. Producenten met marktmacht vragen een hogere prijs dan bij volkomen concurrentie: de markt levert minder welvaart op dan mogelijk is. Dat is marktfalen door marktmacht.
Tess' kraampje heeft effecten die verder gaan dan haar eigen transacties. Haar kombucha maakt klanten gezonder — maar die gezondheidswinst zit niet in de prijs die ze betalen. Haar plastic bekers veroorzaken afval dat de gemeente moet opruimen — maar die opruimkosten zitten niet in haar kostprijs. Dit zijn externe effecten: effecten van productie of consumptie die niet in de marktprijs worden weerspiegeld, maar de maatschappij wel raken.
Tess' kombucha bevat probiotica die de gezondheid van klanten verbeteren. Een klant betaalt €26 op basis van zijn eigen betalingsbereidheid — maar de maatschappij heeft er ook baat bij: een gezondere consument kost het zorgsysteem minder geld. Dat maatschappelijk voordeel zit niet in de prijs. Daardoor is de maatschappelijke vraag groter dan de individuele vraag: de maatschappij wil eigenlijk meer kombucha dan de vrije markt levert.
De grafiek laat dit zien. Bij vrijemarktwerking snijden vraag en aanbod bij punt E (Q=4, p=€6). Maar de maatschappelijke vraaglijn ligt hoger: bij elk aantal kombucha-flessen is de maatschappelijke betalingsbereidheid groter dan de individuele. Het maatschappelijk optimum ligt bij Q=5, p=€7. Bij vrijemarktwerking wordt er te weinig geproduceerd en is de prijs te hoog.
Tess' kraampje gebruikt plastic wegwerpbekers. De gemeente moet het festivalterrein daarna opruimen — maar die opruimkosten zitten niet in de prijs van haar kombucha. De maatschappelijke productiekosten zijn daardoor hoger dan Tess' individuele productiekosten. Bij vrijemarktwerking houdt ze geen rekening met die externe kosten en produceert ze te veel voor een te lage prijs.
De grafiek laat dit zien. Bij vrijemarktwerking snijden vraag en aanbod bij punt E (Q=4, p=€6). Maar de maatschappelijke aanbodlijn ligt hoger: de echte kosten per eenheid zijn €2 hoger door de externe kosten. Het maatschappelijk optimum ligt bij Q=3, p=€7. Bij vrijemarktwerking wordt er te veel geproduceerd en is de prijs te laag.
Tess verkoopt haar kombucha per flesje — wie betaalt, krijgt het. Wie niet betaalt, krijgt niets. Dat is een gewoon particulier goed. Maar de dijk die het festivalterrein droog houdt beschermt iedereen — of ze er nu voor betaald hebben of niet. En de veiligheid op het festival geldt voor alle bezoekers tegelijk. Dit zijn collectieve goederen: de markt brengt ze niet voort omdat niemand bereid is er vrijwillig voor te betalen.
Tess' kombuchastand draait goed — maar de overheid bemoeit zich met haar markt. Er zijn vier manieren waarop de overheid een marktevenwicht kan beïnvloeden: de marktwerking geleiden, prijzen reguleren, belastingen en subsidies inzetten, of zelf als producent optreden. In deze paragraaf staat de eerste manier centraal: marktwerking geleiden via de Mededingingswet.
Stel dat Tess en alle andere kombuchaverkopers op het festival samen afspreken om allemaal €8 per flesje te vragen — terwijl ze zonder die afspraak zouden concurreren op prijs. De consument betaalt dan meer, de concurrentie verdwijnt en de welvaart daalt. Precies dit soort afspraken verbiedt de Mededingingswet: de wet die de vrijemarktwerking in goede banen leidt door marktmacht te beteugelen. De wet bestaat uit drie onderdelen.
De Mededingingswet heeft alleen effect als er ook iemand op de naleving ervan let. Dat is de taak van de Autoriteit Consument & Markt (ACM): de Nederlandse toezichthouder die erop toeziet dat bedrijven zich aan de Mededingingswet houden. Bij overtredingen kan de ACM boetes opleggen tot 10% van de wereldwijde omzet van het bedrijf. Er bestaat ook een Europese Mededingingswet — de Europese Commissie ziet toe op naleving daarvan.
Tess overweegt haar kombucha-onderneming verder uit te breiden en denkt aan crowdfunding — investeerders die een deel van haar bedrijf kopen. Zodra ze dat doet, valt ze onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Financiële markten zijn extra kwetsbaar: als een supermarkt failliet gaat, sluiten mensen hun boodschappen ergens anders. Maar als een bank omvalt, zijn alle rekeninghouders hun spaargeld kwijt. Daarom is er naast de ACM een aparte toezichthouder voor financiële markten.
Naast marktwerking geleiden heeft de overheid nog drie andere instrumenten om markten te sturen. Deze komen in §3 uitgebreid aan bod.
Tess hoort dat de gemeente een maximumhuurprijs instelt voor commerciële marktplaatsen. Dat klinkt goed voor Tess — maar de gemeente heeft er maar 4 plekken voor en er zijn 8 gegadigden. Er ontstaat een vraagoverschot. Tegelijk garandeert de vaste boekenprijs (een minimumprijs) dat uitgevers genoeg verdienen om bijzondere titels te kunnen uitgeven. Bij een bindende maximumprijs daalt de prijs onder het evenwicht; bij een bindende minimumprijs stijgt de prijs erboven.
De grafiek toont een bindende maximumprijs (p_max = €4, onder evenwichtsprijs €6). Bij p=4 wordt Q=6 gevraagd maar slechts Q=2 aangeboden → vraagoverschot van 4.
Tess wil een vriendin inhuren om twee dagen per week te helpen op het kraampje. Volgens het wettelijke minimumjeugdloon moet ze haar minstens €14,20 per uur betalen. Het minimumloon is een minimumprijs op de arbeidsmarkt. Als het minimumloon boven het evenwichtsloon ligt, kan onvrijwillige werkloosheid ontstaan.
De gemeente geeft maar 2 vergunningen uit voor festivalplaatsen per dag — terwijl bij vrije marktwerking er 4 kraampjes zouden staan. Dat is een productiequotum: een door de overheid vastgestelde maximale productieomvang. Een bindend productiequotum ligt onder de evenwichtshoeveelheid. Gevolg: de prijs stijgt — consumenten willen meer betalen omdat er minder aanbod is.
Tess' plastic bekers krijgen een milieubelasting van €0,10 per beker. Die belasting is voor haar een extra kostenpost — haar MK-lijn verschuift omhoog. Daardoor verschuift ook haar aanbodlijn omhoog. Bij het nieuwe marktevenwicht is de prijs gestegen maar de hoeveelheid gedaald. Een deel van de belasting betaalt de consument (hogere prijs), een deel betaalt Tess zelf (lagere opbrengst per beker).
Tess krijgt een subsidie van €0,50 per flesje kombucha omdat haar product gezond is (positief extern effect). Die subsidie verlaagt haar productiekosten — haar MK-lijn verschuift omlaag. De aanbodlijn verschuift naar rechts/omlaag. Bij het nieuwe marktevenwicht is de prijs gedaald en de hoeveelheid gestegen. Een deel van de subsidie gaat naar de consument (lagere prijs), een deel naar Tess zelf (hogere opbrengst per flesje).
Er zijn goederen waarvoor wél vraag is, maar die de markt nooit zal produceren — simpelweg omdat er geen winst mee te maken is. Die goederen noem je collectieve goederen. De overheid is de enige die ze kan voortbrengen.
Voorbeelden collectieve goederen: dijkbescherming, defensie, straatverlichting, politie, kustbewaking, waterkeringenbeheer. Allen: niet-uitsluitbaar én niet-rivaliserend.
Tess studeert economie op de HAVO — haar onderwijs wordt grotendeels door de overheid betaald. Onderwijs is geen puur collectief goed (je kunt er in principe van worden uitgesloten), maar het heeft grote positieve externe effecten. Daarom noem je het een quasi-collectief goed: het lijkt op een collectief goed maar voldoet niet volledig aan beide kenmerken. De markt brengt het wel voort maar faalt: er wordt te weinig van geproduceerd voor een te hoge prijs.
| Goed | Niet-uitsluitbaar | Niet-rivaliserend | Type |
|---|---|---|---|
| Defensie | ✅ | ✅ | Collectief |
| Dijkbescherming | ✅ | ✅ | Collectief |
| Onderwijs | Deels | Deels | Quasi-collectief |
| Zorg | Deels | Deels | Quasi-collectief |
| OV | Deels | Deels | Quasi-collectief |
Jims favoriete artiest verkoopt T-shirts op de merchandise-stand. Jim overweegt er meerdere te kopen — voor zichzelf, en als cadeau. Maar hoe meer shirts hij al heeft, hoe minder een extra shirt hem nog waard is. Zijn betalingsbereidheid daalt dus per shirt:
Bij een prijs van €16 per shirt koopt Jim shirt 1, 2 en 3 — voor elk van die shirts is zijn betalingsbereidheid minstens €16. Shirt 4 (betalingsbereidheid €8) koopt hij niet: dat zou hem meer kosten dan het hem waard is.
In werkelijkheid verkopen veel winkels T-shirts niet per stuk met een vaste prijsstap, maar via aanbiedingen die elke prijs mogelijk maken (denk aan korting per shirt). Dan kun je de vraag van Jim weergeven als een doorlopende vraaglijn in plaats van losse staafjes.
De vraaglijn van Jim is: q = 8 − ¼p. Bij een prijs van €16 vraagt hij dus q = 8 − ¼ × 16 = 4 shirts.
Bekijk factor 3 nog eens goed: wat gebeurt er met Jims hele vraaglijn als die nep-merchandise-stand opduikt?
De hele vraaglijn verschuift naar onder: bij elke prijs is Jims betalingsbereidheid nu lager, omdat hij een goedkoper alternatief heeft. Let op: bij q=8 (shirts gratis) blijft zijn vraag gelijk — een gratis shirt wil hij nog steeds, substituut of niet. Maar zodra er een prijs gevraagd wordt, vraagt hij bij elke prijs minder dan voorheen.
In §1 zag je Jims individuele vraaglijn naar T-shirts: qJim = 8 − ¼p. Mila is ook fan, maar iets minder gretig dan Jim: haar vraaglijn is qMila = 4 − ⅛p. De collectieve vraag is de optelsom van alle individuele vragen samen — in dit geval van Jim en Mila.
Bij een prijs van €16 vraagt Jim q = 8 − ¼×16 = 4 shirts, en Mila q = 4 − ⅛×16 = 2 shirts. Samen is dat Q = 6 shirts — exact het punt in de rechter grafiek.
Het collectieve consumentensurplus is de mate waarin de consumptie van een product bijdraagt aan het welbevinden van alle consumenten samen. Je kunt het op twee manieren berekenen — en die geven exact hetzelfde antwoord.
Mila zit in een fanclub van 12 leden die allemaal naar hetzelfde concert willen. Om het simpel te houden, gaan we ervan uit dat elk fanclublid dezelfde individuele vraaglijn heeft naar een concertkaartje: q = 2 − 1⁄40p.
Bij een prijs van €40 vraagt elk fanclublid 1 kaartje. Met 12 leden is de collectieve vraag dus 12 kaartjes. Hoe meer fanclubleden, hoe verder de vraaglijn naar rechts kantelt — bij elke prijs wordt er meer collectief gevraagd.
De prijselasticiteit meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid reageert op een prijsverandering. Het is een verhoudingsgetal: hoe groot is de procentuele verandering in hoeveelheid ten opzichte van de procentuele prijsverandering?
De prijs van een concertkaartje stijgt van €60 naar €72 (+20%). De gevraagde hoeveelheid daalt van 30 naar 18 (−40%).
Dezelfde prijsstijging van 20% geldt voor gitaarsnaren: van €50 naar €60. De gevraagde hoeveelheid daalt veel minder: van 20 naar 18 sets (−10%).
Jims voorbeeld hierboven (Ep=−2) gebruikte bewust een hoog prijspunt. Maar zijn vraaglijn naar concertkaartjes (q = 90 − p) is steeds dezelfde lijn — alleen verandert de prijselasticiteit afhankelijk van waar op de lijn je meet.
Bij lage prijzen (onderaan de lijn, veel kopers) is de vraag inelastisch: een prijsstijging van 20% verandert de hoeveelheid maar weinig (Ep=−0,29). Bij hoge prijzen (bovenaan de lijn, weinig kopers) is dezelfde vraag elastisch: dezelfde 20% prijsstijging verandert de hoeveelheid nu juist sterk (Ep=−2,00). Dezelfde procentuele prijsverandering leidt dus bij verschillende prijzen tot verschillende procentuele veranderingen van de vraag.
Toch verschillen producten gemiddeld sterk in hoe elastisch hun vraag doorgaans is. Drie factoren bepalen dat:
Voor Mila's gitaarsnaren geldt: er is geen substituut (ze moet ze vervangen om te kunnen spelen) én ze besteedt er maar een klein deel van haar inkomen aan. Beide factoren maken dat haar vraag, bij het prijspunt dat we hierboven bekeken, relatief inelastisch is.
Een verkoper die de prijs verhoogt, krijgt twee tegengestelde effecten: per verkocht stuk meer opbrengst, maar minder stuks verkocht. Welk effect het sterkst is, hangt af van de prijselasticiteit.
| Waarde prijselasticiteit | Type vraag | Gevolg van een prijsverhoging |
|---|---|---|
| Ep = 0 | Volkomen inelastisch | Omzet stijgt |
| Ep tussen 0 en −1 | Inelastisch (Mila's punt) | Omzet stijgt |
| Ep = −1 | Niet-inelastisch en niet-elastisch | Omzet blijft gelijk |
| Ep kleiner dan −1 | Elastisch (Jims punt) | Omzet daalt |
Jim krijgt bij zijn bijbaantje een loonsverhoging van 10%. Voorheen ging hij 4 keer per jaar naar een concert. Met zijn extra inkomen gaat hij er nu 6 keer per jaar naartoe.
Na de loonsverhoging verschuift Jims hele vraaglijn naar rechts: bij elke prijs vraagt hij nu meer concertkaartjes dan voorheen. Bij een prijs van €60 vroeg hij eerst 4 kaartjes, nu 6.
Mila's inkomen (royalty's van Spotify, zie H3) stijgt ook met 10%. Maar in plaats van méér tweedehands kleding te kopen via Vinted, koopt ze juist minder: van 20 naar 15 items per jaar. Met meer geld stapt ze liever over op nieuwe kleding.
Mila's vraaglijn naar tweedehands kleding verschuift naar links: bij elke prijs vraagt ze nu minder dan voorheen. Dat is het omgekeerde van wat er bij Jim gebeurde.
Mila's fanclub (zie M2 H1) groeit gestaag, en steeds meer fans vragen waar ze iets met haar logo kunnen kopen. Mila besluit zelf T-shirts te laten bedrukken en te verkopen. Daarmee is ze niet langer alleen artiest, maar ook ondernemer: ze moet productiefactoren combineren om haar shirts te kunnen maken.
Jim helpt Mila met het bedrukken van shirts. Hoe meer uur hij werkt, hoe meer shirts er klaar zijn — maar niet evenredig: na een paar uur wordt hij moe en kost elk volgend shirt hem meer tijd. Dat verband tussen arbeidsuren en aantal shirts heet de productiefunctie.
| Aantal shirts (q) | Arbeidsuren (a) | Extra tijd voor dit shirt |
|---|---|---|
| 1 | 0,50 uur | 0,50 uur |
| 2 | 1,17 uur | 0,67 uur |
| 3 | 2,00 uur | 0,83 uur |
| 4 | 3,00 uur | 1,00 uur |
| 5 | 4,25 uur | 1,25 uur |
| 6 | 5,67 uur | 1,42 uur |
Mila's merchandisebedrijfje draait goed: ze verkoopt T-shirts met haar eigen logo aan haar fanclub. Jim bedrukt de shirts voor haar op de bedrukkingsmachine die ze huurt.
Hoe meer shirts Jim op een dag bedrukt, hoe meer tijd elk volgend shirt hem kost — hij werkt de hele dag door en raakt vermoeid, en de machine warmt op. De productiefunctie laat zien hoeveel uren (a) Jim nodig heeft bij een bepaald aantal shirts (q). Vermenigvuldig je de uren met het uurloon van €12, dan krijg je de VK-lijn.
Aan het eind van de week wil Mila weten hoeveel haar bedrijfje haar nu eigenlijk in totaal heeft gekost — niet alleen het loon dat ze aan Jim betaalt, maar ook de huur van de bedrukkingsmachine die ze toch al moet betalen. Tel je de constante kosten (CK) en de variabele kosten (VK) bij elkaar op, dan krijg je de totale kosten (TK):
Deel je de TK door het aantal shirts (q), dan krijg je de gemiddelde totale kosten (GTK). Net zo bereken je de gemiddelde constante kosten (GCK) en de gemiddelde variabele kosten (GVK):
Bij Mila zie je dat de GTK-lijn eerst daalt (de huur van €24 wordt over steeds meer shirts verdeeld) en daarna weer licht stijgt (de oplopende GVK gaat overheersen). Het laagste punt ligt bij 4 en 5 shirts: GTK = €15,00.
Mila overweegt om Jim nóg een shirt te laten bedrukken. Voordat ze dat doet, wil ze weten wat dat ene extra shirt haar precies kost — niet de kosten van alle shirts samen, maar alleen van dat laatste, extra shirt. De marginale kosten (MK) zijn de extra kosten van één extra shirt:
Mila ziet dat haar gemiddelde variabele kosten (GVK) niet bij elk bedrijf hetzelfde verloop hebben. Of de GVK-lijn stijgt, horizontaal loopt of daalt, hangt af van wat er met Jim gebeurt naarmate hij meer shirts bedrukt — en dat verloop bepaalt rechtstreeks hoe de MK-lijn eruitziet.
Scenario 1 — Jim raakt vermoeid (progressief). Elk volgend shirt kost Jim meer tijd en moeite dan het vorige. De constante kosten (CK) zijn €5. De GVK stijgt van €7 naar €12 — en de MK-lijn stijgt mee, van €7 naar €17.
Scenario 2 — elk shirt kost evenveel tijd (proportioneel). Jim werkt elk shirt in precies dezelfde tijd. De GVK blijft constant op €6 — en daardoor is de MK-lijn ook constant op €6. GVK en MK lopen hier zelfs over elkaar heen.
Scenario 3 — Jim wordt steeds sneller (degressief). Door ervaring drukt Jim elk volgend shirt vlotter af dan het vorige. De GVK daalt van €12 naar €7 — en de MK-lijn daalt mee, van €12 naar €2.
Mila verkoopt haar shirts voor €16 per stuk. Haar shirt is een uniek, gedifferentieerd product — nergens anders te koop dan bij haar — dus ze heeft wél enige prijsmacht. Maar ze kan niet onbeperkt verhogen: zoals je in H1 hebt gezien, daalt de gevraagde hoeveelheid als de prijs stijgt (de wet van de vraag), en bestaan er substituten zoals T-shirts van andere artiesten of merken. In deze paragraaf gaan we ervan uit dat Mila voor €16 verkoopt, en bekijken we wat dat betekent voor haar opbrengsten.
Hoeveel shirts moet Jim eigenlijk per dag bedrukken? Bedrukt hij er te weinig, dan verdient Mila de huur van de bedrukkingsmachine (CK = €24) niet eens terug. Bedrukt hij er te veel, dan wordt hij zo moe dat elk extra shirt meer kost dan het opbrengt. Daartussen ligt het antwoord.
Volg de stippellijnen door alle drie de grafieken: bij q₁=3 en q₂=7 shirts snijdt de TO-lijn de TK-lijn (boven), gaat de TW-lijn precies door nul (midden), en raakt de GTK-lijn de MO-lijn (onder) — dat zijn de twee break-evenpunten. Het winstmaximum ligt daartussen, bij q=5,5 shirts: daar snijdt de MK-lijn de MO-lijn, en precies op die plek heeft de TW-lijn zijn hoogste punt.
Bij Mila's bedrijfje geldt: CK = €24, uurloon Jim = €12, verkoopprijs p = €16 per shirt. De tabel laat zien hoe je van de productiefunctie (a) naar de winst (TW) rekent. Bij 1, 2 en 4 shirts staat alles al voor je uitgewerkt. Reken nu zelf de hele rij bij 3 shirts uit.
| q (shirts) |
a (uren) |
TK (€) |
GTK (€) |
MK (€) |
TO (€) |
GO (€) |
MO (€) |
TW (€) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1 | 0,50 | 30 | 30,00 | 6 | 16 | 16 | 16 | −14 |
| 2 | 1,17 | 38 | 19,00 | 8 | 32 | 16 | 16 | −6 |
| 3 | 2,00 | |||||||
| 4 | 3,00 | 60 | 15,00 | 12 | 64 | 16 | 16 | 4 |
In de vorige paragraaf zag je Mila's MK-lijn en GTK-lijn. Die twee lijnen zijn afgeleid van dezelfde TK-lijn, en de MK-lijn snijdt de GTK-lijn precies in het minimum van GTK.
Het groen gemarkeerde deel van de MK-lijn (vanaf het minimum van GTK) is de individuele aanbodlijn van Mila. Dat is geen toeval: de MK-lijn geeft namelijk de minimaal noodzakelijke prijs om geen verlies te maken bij elke productieomvang. Onder die prijs biedt Mila niets aan, want dan maakt ze verlies. Kortom: de MK-lijn is de individuele aanbodlijn.
De prijs om iets aan te bieden moet voor Mila minimaal €4 zijn: dat is het snijpunt van haar aanbodlijn met de y-as. Bij een prijs van €16 zal Mila 6 shirts aanbieden.
Senna speelt drums in Mila's band, en heeft inmiddels ook een eigen klein fanbestand. Op het fanevenement waar Mila haar shirts verkoopt, staat dit jaar ook een tweede kraam: die van Senna. Anders dan Mila huurt Senna geen eigen bedrukkingsmachine — ze laat haar shirts extern bedrukken bij een drukkerij in de stad. Dat is makkelijker, maar wel duurder per shirt: de drukkerij rekent een vast tarief per stuk, zonder de korting die Mila krijgt door haar machine over veel shirts te verdelen. Senna's individuele aanbodlijn ziet er daardoor anders uit dan die van Mila. Mila en Senna zijn dus, op het fanevenement, twee aanbieders op dezelfde markt — elk met hun eigen aanbodlijn.
Tel je de aanbodlijnen van Mila en Senna bij elkaar op, dan krijg je het collectieve aanbod: bij elke prijs is dat de som van wat Mila én Senna samen aanbieden.
De formule van Mila's individuele aanbodlijn is qMila = 0,5p − 2. De formule van Senna's individuele aanbodlijn is qSenna = p − 4. Het verschil in helling komt direct uit hun kostenstructuur: Mila profiteert van haar eigen machine zodra ze meer shirts laat bedrukken, terwijl Senna bij de drukkerij voor elk shirt steeds hetzelfde vaste tarief betaalt — daardoor reageert haar aanbod sterker op een prijsstijging. De formule van de collectieve aanbodlijn is de optelsom van deze twee:
Bij een prijs van bijvoorbeeld €6 per shirt is het totale aanbod QA = 1,5 × 6 − 6 = 3. Het snijpunt van de aanbodlijn met de y-as is weer de minimale prijs waarvoor de formule geldt. En dat is het geval bij p=€4, want dan geldt QA=0.
Het jaar erop staan er op het fanevenement niet twee, maar vier kramen met vergelijkbare merchandise. Mila merkt dat ze haar shirts niet meer voor €16 kan verkopen zoals voorheen — bij die prijs blijven nu shirts liggen. Hoe komt dat? De aanbodlijn heeft een belangrijke eigenschap: de lijn kantelt naar rechts als er meer producenten zijn. Want bij meer producenten wordt het aanbod van een groter aantal producenten bij elkaar opgeteld, en daardoor kantelt de aanbodlijn naar rechts.
Net zoals het consumentensurplus verandert bij een prijsverandering, verandert ook het producentensurplus. Maar precies het omgekeerde gebeurt: bij een lagere prijs daalt het producentensurplus.
In de vorige hoofdstukken hebben we de vraaglijn en de aanbodlijn los van elkaar afgeleid. Voor de markt van Mila's shirts geldt: de collectieve vraaglijn van haar fans is Qv = 24 − 1,5p. De collectieve aanbodlijn van Mila en Senna samen (uit het vorige hoofdstuk) is QA = 1,5p − 6. Gezamenlijk bepalen vraag en aanbod de prijs. Hoe dat in zijn werk gaat, leggen we in dit hoofdstuk uit.
De prijs komt tot stand bij marktevenwicht: de situatie waarbij de gevraagde hoeveelheid gelijk is aan de aangeboden hoeveelheid. In het marktevenwicht snijden de vraag- en aanbodlijn elkaar. Want alleen in dat snijpunt zijn de twee lijnen en daarmee de gevraagde en de aangeboden hoeveelheid aan elkaar gelijk.
Bij het marktevenwicht horen ook het consumentensurplus en het producentensurplus. Het consumentensurplus is de groene driehoek tussen de vraaglijn en de evenwichtsprijs. Het producentensurplus is de rode driehoek tussen de aanbodlijn en de evenwichtsprijs.
Mila experimenteert een tijdje met haar prijs. Op een dag zet ze hem op €14, een andere dag op €6 — allebei niet de evenwichtsprijs van €10. Ze ziet allebei keren iets anders misgaan. Bekijk de prijzen €14 en €6 op de markt voor Mila's shirts.
Dit proces gaat door totdat de gevraagde en aangeboden hoeveelheid weer aan elkaar gelijk zijn: bij p=€10. Dit mechanisme — waarbij vraag en aanbod de markt vanzelf in evenwicht brengen, zonder dat iemand de prijs bewust bepaalt — heet de onzichtbare hand.
Hoe komt het marktevenwicht tot stand? Is er iemand die voor ieder product een figuur zoals hierboven tekent en dan uitrekent wat de evenwichtsprijs is? Dat klinkt misschien verbazingwekkend, maar op sommige markten is dit inderdaad het geval.
Stel dat Mila en Senna hun shirts niet los verkopen, maar via een gezamenlijk verkoopplatform waarbij een app vooraf alle bestellingen en alle aanbod verzamelt, en dan zelf de prijs vaststelt. Die app is dan de marktmeester: hij berekent de vraag- en aanbodlijn op basis van alle wensen, bepaalt pe=€10, en laat precies 9 shirts verkopen — geen shirt te veel, geen fan met lege handen.
In de meeste gevallen bestaat er geen marktmeester die het marktevenwicht berekent. Dan brengen de krachten van vraag en aanbod de markt vanzelf in evenwicht, zoals je in de vorige kaart zag: via de onzichtbare hand. Verkoopt Mila haar shirts gewoon los op haar fanclub-pagina, dan past zij de prijs zelf steeds een beetje aan op basis van wat ze ziet gebeuren — net zo lang totdat vraag en aanbod in evenwicht zijn.
Jim koopt regelmatig een T-shirt uit Mila's merchandise-lijn. Daalt de prijs een keer tijdens een actie, dan koopt hij er soms twee. Dat is een beweging langs de vraaglijn: alleen de prijs verandert, de lijn zelf blijft op zijn plek. Maar stel dat Mila's nieuwste nummer plotseling viral gaat — dan wil Jim, en duizenden andere fans, bij elke prijs meer shirts kopen dan voorheen. Dat is geen beweging langs de lijn, maar een verschuiving van de hele vraaglijn.
Mila's nieuwste nummer gaat viral. Bij elke prijs willen nu veel meer fans een shirt met haar logo — de vraaglijn verschuift naar rechts. Het oude evenwicht lag bij Q = 9 shirts, P = €10. Bij die oude prijs van €10 ontstaat door de toegenomen populariteit nu een vraagoverschot: er wordt veel meer gevraagd dan Mila aanbiedt. Daardoor stijgt de prijs, tot het nieuwe evenwicht bij Q = 15 shirts, P = €14 is bereikt.
De bedrukkingsinkt die Jim gebruikt op Mila's bedrukkingsmachine wordt duurder. Bij elke prijs kan Mila nu minder shirts winstgevend aanbieden: de aanbodlijn verschuift naar links (of: omhoog). Het evenwicht verschuift van Q = 9, P = €10 naar Q = 6, P = €12 — minder shirts, en een hogere prijs.
| Verandering | Pe | Qe |
| Vraag stijgt (lijn rechts) | ↑ | ↑ |
| Vraag daalt (lijn links) | ↓ | ↓ |
| Aanbod stijgt (lijn rechts) | ↓ | ↑ |
| Aanbod daalt (lijn links) | ↑ | ↓ |
| Nieuw substituut komt op markt | ↓ | ↓ |
Jim is zestien en speelt al sinds zijn achtste bij de plaatselijke voetbalclub. Sinds kort heeft hij ook een bijbaantje bij de supermarkt om de hoek. Beide kosten tijd — en op zaterdag heeft Jim maar één blok van vier uur vrij.
Zijn trainer biedt die middag een extra training aan vóór de wedstrijd van morgen. Zijn werkgever biedt hem in datzelfde tijdsblok extra uren. Jim kan niet allebei volledig doen — zijn behoefte (basisplek én geld) is groter dan zijn middel (vier vrije uur). Dat is schaarste in de praktijk, en het dwingt Jim een keuze te maken.
Om te bepalen welke aanwendingsrichting de beste is, zet je de kosten en baten van beide opties naast elkaar. Let op: niet alleen geld telt mee — ook tijd, moeite en gemiste kansen zijn kosten en baten.
Voor Jim: kiest hij trainen, dan is de bate de grotere kans op een basisplek (hij waardeert dat op €150). De kosten zijn de 4 misgelopen werkuren × €9 = €36. Kiest hij werken, dan is de bate het loon (4 × €9 = €36), maar de kosten zijn de gemiste trainingswaarde — Jim schat zijn kans op een basisplek dan flink lager in, gewaardeerd op €90.
De nettobaten van een aanwendingsrichting zijn de baten minus de kosten. De aanwendingsrichting met de hoogste nettobaten is economisch gezien de beste keuze.
Voor Jim: nettobaten trainen = €150 − €36 = €114. Nettobaten werken = €36 − €90 = −€54. Trainen heeft de hoogste (en enige positieve) nettobaten — dat is voor Jim de verstandige keuze.
Mila moet op zaterdagmiddag kiezen tussen twee dingen die ze allebei graag zou doen: een repetitie met haar bandje, of een betaalde fotoshoot voor een kledingmerk. De repetitie levert haar plezier en bandervaring op die ze waardeert op €80, tegen €20 reis- en spullenkosten — nettobaten €60. De fotoshoot levert €120 op (vergoeding plus portfoliomateriaal), tegen €30 kosten (reistijd, kleding) — nettobaten €90. Mila kiest de fotoshoot, want die heeft de hoogste nettobaten. Maar daarmee laat ze de repetitie wél lopen — en dat heeft een naam.
Mila's keuze is verstandig: de nettobaten van de fotoshoot (€90) zijn hoger dan de opofferingskosten (€60 — wat ze had kunnen verdienen met de repetitie). Zou de repetitie juist €100 aan nettobaten hebben opgeleverd, dan waren de opofferingskosten van de fotoshoot hoger dan de baten ervan — en was de fotoshoot geen goede keuze meer geweest.
Voor het nieuwe voetbalseizoen heeft Jim €20 gespaard van zijn bijbaantje. Hij wil twee dingen kopen: nieuwe voetbalsokken (€4 per paar) en energierepen voor tijdens de wedstrijden (€2 per stuk). Met een beperkt budget moet Jim kiezen welke combinatie hij koopt — dat leg je vast in een budgetlijn.
Koopt Jim geen sokken, dan kan hij 10 repen kopen (€20 ÷ €2). Koopt hij geen repen, dan kan hij 5 paar sokken kopen (€20 ÷ €4). Het blauwe punt op de lijn (2 paar sokken + 6 repen = €8 + €12 = €20) toont een andere combinatie die precies binnen zijn budget past.
De budgetlijn verschuift als je budget of een prijs verandert. Jim heeft op een schoolweekend 16 uur beschikbaar, te verdelen tussen zijn bijbaan (€9 per uur, net als in §1) en vrije tijd.
Werkt Jim niets, dan houdt hij 16 uur vrije tijd over en heeft €0 inkomen. Werkt hij alle 16 uur, dan heeft hij €0 vrije tijd en (bij €9 per uur) €144 inkomen. Stijgt zijn loon naar €12 per uur, dan kantelt de lijn: bij dezelfde 16 uur werken verdient hij nu €192. Het eindpunt bij "16 uur vrije tijd, €0" blijft gelijk — alleen het andere eindpunt verschuift.
Jims voetbalschoenen zijn te klein geworden. Voor hem zijn ze niets meer waard om te gebruiken — hij waardeert ze voor zichzelf op €8. Zijn teamgenoot Sven heeft net een nieuwe outfit gekocht en wil de schoenen van Jim graag hebben; hij waardeert ze op €20.
Sven heeft op zijn beurt 3 sets scheenbeschermers liggen die hij niet meer gebruikt. Jim waardeert die 3 sets samen op €18 — méér dan wat zijn schoenen hem zelf waard zijn. Ze ruilen rechtstreeks: 1 paar schoenen tegen 3 sets scheenbeschermers, zonder dat er geld bij komt. Dat is de ruilverhouding van deze ruil.
Een ruil komt alleen tot stand als dit totale voordeel groot genoeg is om de moeite van het regelen waard te zijn — denk aan de tijd om af te spreken en de spullen uit te wisselen. Is die moeite te groot in verhouding tot het voordeel, dan gaat de ruil vaak niet door.
Ruilen is de overdracht van eigendomsrechten. Toen Jim zijn voetbalschoenen ruilde met Sven (zie hierboven), droeg hij het eigendomsrecht over de schoenen aan Sven over — en Sven droeg op zijn beurt het eigendomsrecht over de scheenbeschermers aan Jim over. Dat kon alleen omdat beiden duidelijk eigenaar waren van wat ze inbrachten. Zonder dat eigendomsrecht is een eerlijke ruil onmogelijk: stel dat de schoenen niet eens van Jim waren, dan zou Sven ze niet veilig kunnen overnemen.
Mila maakt in haar vrije tijd eigen muziek en zet die op Spotify. Zodra ze een nummer uploadt, heeft ze automatisch het auteursrecht erop. Niemand anders mag haar nummer zomaar gebruiken, kopiëren of verkopen zonder haar toestemming — ook al staat het gratis online.
Voor een schoolproject ontwierp Mila ook een handig opvouwbaar statiefje voor je telefoon tijdens het filmen van dansvideo's. Als ze dat ontwerp laat patenteren, krijgt ze tijdelijk het exclusieve recht om het te produceren en te verkopen — niemand anders mag het zonder haar toestemming namaken.
Stel dat Sven de scheenbeschermers niet wilde, en Jim zijn schoenen in plaats daarvan aan een onbekende moet verkopen. Dan moet hij eerst iemand vinden die geïnteresseerd is, onderhandelen over de prijs, een manier vinden om te betalen, en erop vertrouwen dat de koper niet alleen het geld pakt zonder te betalen. Al die kosten — naast de prijs van de schoenen zelf — heten transactiekosten.
Daarom gebruikt Jim een tweedehands-app: die laat zien wie zijn schoenmaat zoekt (lagere zoekkosten), regelt de betaling via de app zelf (lagere controlekosten) en biedt kopersbescherming (lagere vertrouwenskosten). De app is een institutie: ze verlaagt Jims transactiekosten structureel.
Voorbeelden van instituties: Marktplaats en Vinted (verlagen zoekkosten), Autoriteit Consument & Markt / ACM (verlaagt vertrouwenskosten), notaris (verlaagt contractkosten bij huisaankoop), Funda (maakt woningmarkt transparant).
Jim biedt zijn oude voetbaltas aan op een ruilplatform voor tweedehands sportspullen. Een jongen uit een stad 80 kilometer verderop wil hem wel hebben — in ruil voor een setje keepershandschoenen die Jim goed kan gebruiken. Op papier is er wederzijds voordeel: Jim waardeert de handschoenen hoger dan zijn eigen tas, en de jongen waardeert de tas hoger dan zijn eigen handschoenen. Maar geen van beiden wil de reis van 80 kilometer maken om de spullen persoonlijk uit te wisselen, en verzendkosten plus het risico dat het pakket kwijtraakt wegen niet op tegen het voordeel. Jim laat de ruil lopen.
Vroeger moest Jim fysiek naar een sportwinkel of een advertentie in de krant zetten om tweedehands spullen te verkopen — torenhoge zoekkosten, want hij wist niet wie er geïnteresseerd was. Nu plaatst hij in twee minuten een foto op een ruilapp en heeft binnen een uur al drie reacties. Het internet heeft de zoekkosten van vrijwel elke ruil drastisch verlaagd: een geschikte ruilpartner vinden kost nu seconden in plaats van dagen. Zodra de besparing op transactiekosten groter is dan de moeite om dat te organiseren, loont het om transactiekosten te verlagen.
Ook instituties verlagen transactiekosten — maar dan structureel, voor een hele groep mensen tegelijk. Mila is op zoek naar een bijbaantje naast school. Zonder hulp zou ze zelf bij tientallen winkels langs moeten gaan om te vragen of ze personeel zoeken — torenhoge zoekkosten. Via een uitzendbureau hoeft ze maar één keer haar gegevens (beschikbaarheid, ervaring, voorkeuren) door te geven. Het uitzendbureau kent honderden werkgevers en koppelt Mila razendsnel aan een winkel die net iemand zoekt.
| Institutie | Doel van de institutie | Verlaagde transactiekosten |
|---|---|---|
| Kaasmarkt | Vragers en aanbieders van kaas bij elkaar brengen | Zoek- en transportkosten |
| School | Overbrengen van kennis en vaardigheden | Zoek- en vervoerskosten |
| Ziekenhuis | Artsen en patiënten bij elkaar brengen | Zoek- en vervoerskosten |
| Bibliotheek | Schrijvers en lezers bij elkaar brengen | Zoekkosten |
| Makelaar in huizen | Vragers en aanbieders van huizen bij elkaar brengen en helpen bij de ruil | Administratieve kosten en zoekkosten |
| Uitzendbureau | Werkgevers en werkzoekenden bij elkaar brengen | Zoekkosten |
Een uitzendbureau verlaagt de transactiekosten op de arbeidsmarkt. Mila hoeft maar één keer haar gegevens achter te laten; de winkels die personeel zoeken hoeven ook maar één keer aan te geven welke werknemer ze nodig hebben. Het uitzendbureau zoekt vervolgens uit welke werknemer bij welke werkgever past. Daardoor komt de wederzijds voordelige ruil "tijd voor salaris" voor Mila veel makkelijker tot stand dan wanneer ze zelf alle winkels langs had moeten gaan.
Voor economie moeten Jim en Mila samen een presentatie maken over de gevolgen van inflatie. In het begin proberen ze om beurten alles te doen: om en om onderzoek doen, om en om slides maken, om en om oefenen met presenteren. Dat schiet niet erg op — ze zijn allebei middelmatig in alles en het kost ontzettend veel tijd.
Mila is handig met video — ze monteert immers al haar eigen muziekclips. Zij neemt de slides en het filmpje voor haar rekening.
Jim is dan weer goed in cijfers en duidelijk uitleggen aan zijn jongere broertje — hij neemt het economische onderzoek en de presentatie zelf voor zijn rekening.
Het resultaat: in de helft van de tijd hebben ze een veel beter eindproduct dan toen ze om beurten alles deden. Dat is specialisatie en arbeidsdeling in actie — precies hetzelfde principe waarmee bedrijven werken.
Na zijn succesvolle ruil met Sven (schoenen tegen scheenbeschermers, zie H2) wil Jim nu zijn oude trainingsbal ruilen voor een nieuwe sporttas. Het probleem: de eerste teamgenoot die een sporttas heeft wil geen bal, hij wil liever grip-tape. De tweede teamgenoot wil wél een bal — maar heeft geen sporttas, alleen oude voetbalkaartjes. Niemand heeft precies wat Jim zoekt én wil precies wat Jim aanbiedt.
Dat is het probleem van directe ruil: je moet een partner vinden met een dubbele wens-overeenkomst — jij wilt wat hij heeft, en hij wilt wat jij hebt. Bij twee spullen lukt dat soms (zoals bij Sven), maar zodra er meer mensen en meer spullen bij komen, wordt dat al snel onbegonnen werk.
Daarom verkoopt Jim zijn bal uiteindelijk gewoon voor €15 aan wie hem maar wil hebben, en koopt hij met dat geld zijn sporttas bij een derde teamgenoot. Geld maakt hem onafhankelijk van wie toevallig wil ruilen met wie — dat is precies waarom geld is uitgevonden.
Geld maakt ook het bijhouden van ruilverhoudingen (zie H2) ineens veel eenvoudiger. Zonder geld heeft elk paar spullen zijn eigen ruilverhouding — bal-tegen-tas, bal-tegen-schoenen, tas-tegen-scheenbeschermers, enzovoort. Met geld heeft elk spul maar één ruilverhouding nodig: zijn prijs in euro's.
Bij meer spullen wordt dit verschil nog veel groter: bij 100 verschillende spullen zijn dat 4.950 losse ruilverhoudingen zonder geld, tegen maar 100 prijzen met geld. Geld verlaagt dus de transactiekosten van ruilen enorm (zie H2) — je hoeft alleen de prijs van elk middel te kennen, niet de ruilverhouding met elk ander middel apart.
Niet alles kan als geld dienen. Geld moet aan vier technische eisen voldoen. En de vorm van geld is door de eeuwen heen veranderd: van goudmunten naar papiergeld naar digitale rekeningen naar crypto.
Jims loon van zijn bijbaantje (zie H1) komt elke maand op zijn bankrekening — hij ziet alleen een getal op zijn telefoon stijgen. Als hij op een zaterdag een wedstrijd fluit voor de jeugd, krijgt hij daarvoor wel eens een briefje van €10 in de hand gedrukt. Dat zijn twee heel verschillende vormen van geld.
Mila's nummers op Spotify (zie H2) leveren haar elke maand een paar euro aan royalty's op — automatisch overgemaakt naar haar bankrekening. Ze heeft die euro's nooit fysiek in handen, en toch kan ze er net zo goed mee betalen als met een briefje van €10. Het werkt alleen omdat zowel Mila als de winkel waar ze betaalt, erop vertrouwen dat dat saldo echt geld waard is.
Een vriend van Mila betaalde haar ooit terug in Bitcoin in plaats van euro's. Ze kon er niets mee — geen winkel in haar buurt accepteerde het, en de waarde schommelde de volgende dag al met 8%. Dat liet haar zien waarom Bitcoin niet werkt zoals "echt" geld.
Geld heeft niet één, maar vier verschillende soorten waarde. Het begrijpen van dit onderscheid is essentieel voor macro-economische analyse — en voor jouw eigen financiële beslissingen.
Jim spaart voor nieuwe voetbalschoenen. Hij begint te sparen als de schoenen €80 kosten, en zet zijn €80 op een spaarrekening met 2% rente per jaar. Een jaar later heeft hij €81,60 gespaard — maar de schoenen kosten dan, door prijsstijgingen, €86,40. Zijn geld is in euro's wel meer geworden, maar hij kan er minder mee kopen dan een jaar geleden.
Dit is precies waarom rente alléén niet genoeg is om koopkracht te behouden: als prijzen sneller stijgen dan je spaarrente, verlies je reële waarde, ook al staat er nominaal steeds meer op je rekening.
Wet van Gresham: "Slecht geld verdrijft goed geld." Als twee munten dezelfde nominale waarde hebben maar verschillende intrinsieke waarde, houden mensen de waardevolle munt vast (sparen) en geven ze de mindere munt uit. Hierdoor verdwijnt "goed geld" uit de circulatie.
Geld ontstaat niet vanzelf. Alleen de Centrale Bank mag officieel geld scheppen. In de eurozone is dat de Europese Centrale Bank (ECB) — met De Nederlandsche Bank (DNB) als onderdeel van dat netwerk.
De ECB stuurt de geldhoeveelheid via het monetaire beleid. Te veel geld in de economie leidt tot inflatie; te weinig tot deflatie. De ECB streeft naar 2% inflatie per jaar als optimum.
In 2022 steeg de inflatie in de eurozone naar 10% — ver boven de 2%-doelstelling. De ECB verhoogde daarom de rente 10 keer achter elkaar, van -0,5% naar 4%. Voor Jims schoenenfonds (zie §3) was dat goed nieuws: zijn spaarrekening ging plotseling een veel hogere rente uitkeren dan de 2% waarmee hij begon. Dat hielp zijn spaargeld beter in de pas te blijven lopen met de stijgende schoenenprijs.
Tegelijk werd lenen duurder: als Jim een lening had willen afsluiten om zijn schoenen meteen te kopen, had hij daar nu veel meer rente over moeten betalen. Dat is precies de bedoeling van een renteverhoging: sparen wordt aantrekkelijker, lenen en uitgeven worden afgeremd, en de inflatie daalt geleidelijk weer richting 2%.
In de meeste markten ben je niet alleen. Wat jij doet heeft invloed op de concurrent — en wat de concurrent doet, beïnvloedt jou. Dat is wederzijdse afhankelijkheid. Speltheorie is de wiskundige gereedschapskist om die situaties te analyseren.
Bij gelijktijdig kiezen maken beide spelers tegelijkertijd hun actie — zonder te weten wat de ander doet. Om zo'n situatie te analyseren gebruik je drie stappen: context → matrix → oplossing.
Beide bedrijven overwegen: hoge prijs houden of prijs verlagen. Ze beslissen tegelijkertijd, zonder te weten wat de ander doet.
| Pepsi: Hoge prijs | Pepsi: Lage prijs | |
| Coca-Cola: Hoge prijs | (200, 200) | (50, 300) |
| Coca-Cola: Lage prijs | (300, 50) | (100, 100) |
Hoe lees je de matrix af?
Kies een cel en lees: eerste getal = opbrengst rijspeler (Coca-Cola), tweede getal = opbrengst kolomspeler (Pepsi). Linksboven (200, 200): beiden hoge prijs → beiden €200M. Rechtsonder (100, 100): beiden lage prijs → beiden €100M.
Dominante strategie bepalen voor Coca-Cola:
Lage prijs is in beide gevallen beter → dominante strategie Coca-Cola: lage prijs. Dezelfde analyse geldt voor Pepsi (matrix is symmetrisch) → ook Pepsi's dominante strategie is lage prijs.
Nash-evenwicht:
Beide spelers volgen hun dominante strategie → uitkomst: (100, 100). Niemand wil eenzijdig afwijken: als Pepsi laag kiest en Coca-Cola zou switchen naar hoog, daalt zijn winst van €100M naar €50M. Dus blijft Coca-Cola bij laag — en andersom.
Het prisoner's dilemma:
Het Nash-evenwicht (100, 100) is stabiel, maar suboptimaal: als beide bedrijven hoog zouden kiezen, verdienen ze ieder €200M. Maar ze vertrouwen elkaar niet — want wie hoog kiest terwijl de ander laag kiest, verdient maar €50M. Individueel rationeel gedrag leidt zo tot een collectief slechter resultaat: de prijzenoorlog.
Bij volgtijdelijk kiezen kiest één speler als eerste — de andere ziet die keuze en reageert daarop. Dit verandert de analyse fundamenteel: de tweede speler heeft informatie die de eerste niet had.
Eerste-keuze-voordeel: De speler die als eerste kiest in een volgtijdelijk spel kan soms één van de Nash-evenwichten "opsluiten" — het evenwicht dat voor hem het meest voordelig is. Door als eerste te kiezen dwing je de ander tot een reactie. Dit is waarom tech-bedrijven zo snel mogelijk markten willen betreden: wie als eerste een standaard zet, bepaalt de speluitkomst.
In H1 leerde je het Nash-evenwicht bepalen. Soms leidt dat evenwicht tot een uitkomst die voor iedereen slechter is dan een andere mogelijke uitkomst. Dat conflict tussen eigenbelang en collectief belang heet het gevangenendilemma.
Twee kledingwinkels besluiten tegelijkertijd of ze uitverkoop houden of niet. De opbrengsten (in € per week):
| Zara: Geen uitverkoop | Zara: Wel uitverkoop | |
| H&M: Geen uitverkoop | (500, 500) | (200, 750) |
| H&M: Wel uitverkoop | (750, 200) | (350, 350) |
Analyse:
Dominante actie H&M: wel uitverkoop. Idem voor Zara (symmetrisch).
Nash-evenwicht: {wel uitverkoop, wel uitverkoop} → (350, 350)
Gezamenlijke verbetering: {geen uitverkoop, geen uitverkoop} → (500, 500) — maar dat bereiken ze niet vanuit eigenbelang. Dit is het gevangenendilemma.
Een belangrijke taak van de overheid is het voortbrengen van collectieve goederen. Maar waarom doet de markt dat niet? Omdat collectieve goederen een bijzonder kenmerk hebben dat meeliftgedrag uitlokt — en dat brengt ons direct bij het gevangenendilemma.
Twee buren overwegen samen te betalen voor straatverlichting. De opbrengsten:
| Buur B: Bijdragen | Buur B: Niet bijdragen | |
| Buur A: Bijdragen | (6, 6) | (2, 8) |
| Buur A: Niet bijdragen | (8, 2) | (3, 3) |
Dominante actie voor beiden: niet bijdragen (meeliftgedrag).
Nash-evenwicht: {niet bijdragen, niet bijdragen} → (3, 3) — geen straatverlichting.
Gezamenlijke verbetering: {bijdragen, bijdragen} → (6, 6) — maar die bereiken ze niet vanuit eigenbelang. Gevangenendilemma.
Wat als hetzelfde gevangenendilemma meerdere keren wordt gespeeld? Bij een herhaald spel weten spelers bij het begin van elke ronde wat de andere speler in de vorige ronde deed. Dat maakt reputatie mogelijk — en biedt kansen voor samenwerking via de vergeldingsstrategie.
Stel H&M en Zara spelen het spel precies twee keer. Redeneer dan terug vanuit de laatste ronde:
Conclusie: als het gevangenendilemma twee keer wordt gespeeld, is het Nash-evenwicht hetzelfde als bij eenmalig spelen: beide spelers schenden de afspraak vanaf ronde 1. De vergeldingsstrategie lost het dilemma niet op bij een eindig herhaald spel.
Het Nash-evenwicht van het gevangenendilemma staat een gezamenlijke verbetering toe — maar die wordt niet bereikt vanuit eigenbelang. Er zijn vier manieren om toch uit het slechte evenwicht te komen.
| Oplossing | Hoe werkt het? | Uitkomst |
| Collectieve opbrengsten | Beide winkels kijken naar gezamenlijke winst | {geen, geen} → (500, 500) |
| Sociale norm | "Eerlijke concurrentie" — uitverkoop is onbehoorlijk | {geen, geen} → (500, 500) |
| Zelfbinding | H&M: "wij houden geen uitverkoop" — geloofwaardig via reputatie | {geen, geen} → (500, 500) |
| Collectieve dwang | Contract of overheidsregel verbiedt uitverkoop | {geen, geen} → (500, 500) |
Niet elk economiespel heeft één oplossing. Als er meerdere Nash-evenwichten zijn, is er geen duidelijke voorspelling meer — en hebben de spelers een meningsverschil over welk evenwicht het beste is. Dan is onderhandelen de oplossing.
Soms kun je een spel in jouw voordeel sturen door vooraf een specifieke investering te doen. De sleutel: de investering is alleen waardevol bij jouw gewenste actie, en je kunt hem niet terugdraaien. Daarmee maak je jouw actie geloofwaardig en dwing je de ander tot een reactie.
Specifieke investeringen zijn krachtig — maar gevaarlijk. Als jij investeert en de ander dat weet, kan hij die kennis misbruiken om jou te "beroven" van je investering. Dat is het berovingsprobleem.
Bij onderhandelen over de verdeling van surplus is de volgorde van kiezen cruciaal. Wie als eerste een bod doet, kan het meest voordelige evenwicht "opsluiten". Het ultimatumspel is het meest extreme voorbeeld: de eerste speler heeft alle macht.
Het ultimatumspel stap voor stap:
1. €1.000 ligt op tafel.
2. Speler 1 biedt een verdeling: bijv. (€999, €1).
3. Speler 2: accepteert → beiden krijgen hun deel. Weigert → beiden €0.
Nash-evenwicht: speler 2 accepteert elk bedrag > €0 (want €1 > €0). Speler 1 weet dit → biedt €1 aan → houdt €999. Maar in de praktijk: mensen weigeren "oneerlijke" biedingen uit principe.
Als je ervoor kiest om iets niet meteen te kopen maar pas later, stel je je consumptie uit. Daardoor mis je het voordeel en plezier dat je nu al van het product zou kunnen hebben. Dat ongemak noemen we de prijs van tijd.
Hoe hoog die prijs van tijd is, verschilt per persoon en per product. Sommige mensen willen producten het liefst direct hebben, terwijl anderen prima kunnen wachten. Heb je honger, dan wil je eten meteen hebben. Maar voor een nieuwe televisie kun je vaak nog wel even wachten als je oude tv het nog doet.
De Europese Centrale Bank (ECB) stuurt de economie via twee rentetarieven.
Wanneer mensen sparen of lenen, verschuiven ze koopkracht van het ene moment naar het andere in de tijd. Dit noemen we intertemporele ruil — ruilen over de tijd.
Of je spaart of leent hangt af van jouw individuele prijs van tijd vergeleken met de marktrente. Door te sparen of te lenen kun je consumptie verschuiven — dat noemen we intertemporele substitutie.
Of je spaart of leent hangt af van je individuele prijs van tijd ten opzichte van de algemene rente.
De individuele prijs van tijd hangt af van: tijdsvoorkeur (geduldig of ongeduldig), risicobereidheid en het product dat je wilt kopen.
Het algemeen prijspeil is de gemiddelde prijs van een verzameling goederen. Stijgt dit, dan is er inflatie — je kunt voor hetzelfde geld minder kopen.
De inflatie wordt gemeten via de consumentenprijsindex (CPI). Het CBS volgt een goederenmandje en geeft elke productgroep een wegingsfactor op basis van hoe veel een gemiddeld gezin er aan uitgeeft.
Het CBS stelt via een budgetonderzoek de wegingsfactoren vast. Stel dat voor een gemiddeld gezin de volgende gegevens gelden ten opzichte van het basisjaar:
| Productgroep | Wegingsfactor | Partieel indexcijfer | Gewogen uitkomst |
|---|---|---|---|
| Wonen | 30 | 107 | 30 × 107 = 3.210 |
| Voeding & drinken | 22 | 103 | 22 × 103 = 2.266 |
| Transport | 18 | 98 | 18 × 98 = 1.764 |
| Vrije tijd | 14 | 104 | 14 × 104 = 1.456 |
| Kleding & verzorging | 16 | 101 | 16 × 101 = 1.616 |
| Totaal | 100 | — | 10.312 |
Een stijgende CPI betekent niet automatisch dat je armer wordt — dat hangt af van of je inkomen even hard of harder stijgt. Stijgt je loon met 3% maar de inflatie met 5%, dan daalt je reële koopkracht.
De ECB streeft naar 2% inflatie — genoeg om deflatie te voorkomen, niet zo hoog dat het inkomen uitholst.
Een mensenleven bestaat uit drie fases: leren, werken en pensioen. In de leerfase investeer je in jezelf — dat heet menselijk kapitaal.
De arbeidsproductiviteit van mensen verandert tijdens hun leven. In de eerste jaren is de arbeidsproductiviteit nul — kinderen werken immers nog niet. Door opvoeding en onderwijs leren mensen steeds meer, waardoor hun arbeidsproductiviteit stijgt.
Ook wanneer iemand begint met werken, neemt de arbeidsproductiviteit vaak nog verder toe. Werknemers doen ervaring op en krijgen extra opleidingen of trainingen. Na een aantal jaren bereikt de arbeidsproductiviteit een maximum. Daarna blijft deze meestal lange tijd hoog genoeg om door te werken tot aan het pensioen. Soms daalt de arbeidsproductiviteit echter eerder, waardoor iemand moet stoppen met werken.
Bij economie gaat ruilen over de tijd over keuzes die je nu maakt om later meer inkomen of voordeel te hebben. Een goed voorbeeld is onderwijs volgen. Je investeert tijd en geld nu, zodat je later een hogere productiviteit en een hoger loon hebt. Hoe hoger je opleiding, hoe hoger je startsalaris — en hoe sneller je loon daarna stijgt. Een opleiding is een investering die zichzelf terugbetaalt. Het looninkomen ontwikkelt zich in drie fasen.
Mensen streven naar een stabiel consumptieniveau gedurende hun hele leven — ook als het inkomen fluctueert. Dat doen ze door slim te sparen en te lenen.
De overheid heeft een lange tijdshorizon: ze investeert vandaag in collectieve goederen waarvan toekomstige generaties profiteren.
Collectieve goederen zijn goederen waarbij het onmogelijk is om mensen die niet betalen uit te sluiten van het gebruik van het goed, en waarbij de consumptie door de één niet ten koste gaat van de consumptie door de ander.
| Soort goed | Omschrijving | Voorbeelden |
|---|---|---|
|
🍎
Individuele
goederen |
• Het is mogelijk om mensen die niet betalen uit te sluiten van gebruik, én … • … consumptie door de één gaat ten koste van consumptie door de ander (= rivaliserend) | Bijna alle goederen (bijv. een appel van de Lidl) |
|
🌊
Collectieve
goederen |
• Het is onmogelijk om mensen die niet betalen uit te sluiten van gebruik, én … • … consumptie door de één gaat niet ten koste van consumptie door de ander (= niet-rivaliserend) | • Dijken • Rechtspraak • Defensie |
|
🎓
Quasi-collectieve
goederen |
• Individuele goederen die door de overheid worden geproduceerd en geleverd • Bijv. vanwege maatschappelijke redenen | • Onderwijs • Snelwegen |
Onderwijs verhoogt de arbeidsproductiviteit: mensen die beter opgeleid zijn, produceren meer waarde per gewerkt uur. Een goed opgeleide bevolking creëert bovendien positieve externe effecten — voordelen die verder gaan dan het individu en de hele samenleving ten goede komen.
Door te investeren in onderwijs stijgt de arbeidsproductiviteit: werknemers kunnen meer en beter werk leveren in dezelfde tijd. Dit heeft directe gevolgen voor de economische groei.
De stijging van de productiviteit is belangrijk voor economische groei: de procentuele verandering van het BBP. Hoe hoger het BBP, hoe meer welvaart — en hoe meer geld de samenleving heeft om uit te geven aan zorg, onderwijs, infrastructuur en andere collectieve goederen.
Hogere arbeidsproductiviteit → hogere productie → hoger BBP → meer welvaart → meer geld voor collectieve voorzieningen.
Producten met positieve externe effecten worden door de markt ondergeproduceerd. Waarom? Consumenten zien de volledige maatschappelijke waarde niet terug in hun persoonlijke voordeel. Hierdoor is hun betalingsbereidheid lager dan de werkelijke waarde, waardoor producenten de kosten niet kunnen terugverdienen via de marktprijs alleen.
De belangrijkste redenen waarom dit gebeurt:
Dit geldt ook voor onderwijs. Daarom investeert de overheid in onderwijs: zij kan de maatschappelijke baten meewegen die de markt negeert.
De positieve externe effecten van onderwijs voor de samenleving:
Investeringen in onderwijs zijn ook een vorm van ruilen over de tijd. De huidige beroepsbevolking betaalt belasting en met deze opbrengst betaalt de overheid het onderwijs van de jeugd: de toekomstige beroepsbevolking. De investering in onderwijs wordt in de toekomst terugverdiend — via hogere productiviteit, hogere belastinginkomsten en meer welvaart.
De huidige beroepsbevolking betaalt belasting → de overheid investeert dit in onderwijs voor de jeugd → de toekomstige beroepsbevolking is productiever.
De overheid geeft geld uit aan verschillende zaken, zoals onderwijs, zorg, sociale zekerheid en defensie. Om deze uitgaven te betalen ontvangt de overheid inkomsten, vooral uit belastingen. De verwachte inkomsten en uitgaven worden ieder jaar vastgelegd in de rijksbegroting. Op Prinsjesdag — de derde dinsdag van september — presenteert de regering deze begroting voor het volgende jaar. In de Miljoenennota worden de plannen en financiële verwachtingen verder uitgelegd. Vóór de begroting stelt het kabinet een regeerakkoord op: een lijst met maatregelen voor de komende vier jaar.
Niet alle overheidsuitgaven zijn hetzelfde. Sommige uitgaven komen elk jaar terug — die zijn structureel. Denk aan het salaris van leraren, de kosten van ziekenhuizen of het onderhoud van wegen. Andere uitgaven zijn incidenteel: ze ontstaan onverwacht en hoef je maar één keer te betalen. Denk aan de steunmaatregelen tijdens corona of extra kosten door een vluchtelingencrisis. Dit onderscheid is belangrijk voor de begroting: structurele uitgaven moeten elk jaar worden gedekt door vaste inkomsten, terwijl incidentele uitgaven soms tijdelijk worden geleend.
Elk jaar vergelijkt de overheid haar inkomsten met haar uitgaven. Als de inkomsten hoger zijn dan de uitgaven, is er een financieringsoverschot en kan de overheid schulden aflossen. Als de uitgaven hoger zijn dan de inkomsten, is er een financieringstekort en moet de overheid lenen. Al die tekorten bij elkaar vormen de staatsschuld: het totale bedrag dat de overheid heeft geleend en nog moet terugbetalen.
Stabiliteits- en Groeipact (eurozone): financieringstekort maximaal 3% van bbp, staatsschuld maximaal 60% van bbp.
Als de overheid een staatsschuld heeft, kan zij ervoor kiezen een deel van die schuld af te lossen. Aflossen betekent dat de overheid een deel van een eerder geleend bedrag terugbetaalt aan de schuldeisers. Hoe meer de overheid aflost, hoe sneller de staatsschuld afneemt.
Aflossingen worden gezien als een uitgave van de overheid. Daarom tellen ze mee bij de overheidsuitgaven en hebben ze invloed op het begrotingssaldo.
Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen het begrotingstekort en het financieringstekort:
Financieringstekort = Begrotingstekort − Aflossingen
| Gegevens | Bedrag |
|---|---|
| Overheidsuitgaven | € 320 miljard |
| Belastinginkomsten | € 295 miljard |
| Aflossingen | € 10 miljard |
| Staatsschuld begin jaar | € 140 miljard |
Stap 1: Begrotingstekort
Begrotingstekort = overheidsuitgaven − belastinginkomsten
€ 320 − € 295 = € 25 miljard
Stap 2: Financieringstekort
Financieringstekort = begrotingstekort − aflossingen
€ 25 − € 10 = € 15 miljard
Stap 3: Nieuwe staatsschuld
De staatsschuld neemt toe met het financieringstekort.
€ 140 + € 15 = € 155 miljard
Controle (alternatieve methode)
Trek eerst de aflossingen uit de overheidsuitgaven: € 320 − € 10 = € 310 miljard.
€ 310 − € 295 = € 15 miljard ✓
Pensioen is uitgestelde consumptie: je spaart tijdens je werkzame leven zodat je later kunt stoppen met werken. Het Nederlandse pensioenstelsel rust op drie pijlers: het basispensioen van de overheid (AOW), het aanvullend pensioen via de werkgever en individueel pensioensparen. Het omslagstelsel en het kapitaaldekkingsstelsel zijn twee manieren waarop de oudedagsvoorziening in Nederland wordt gefinancierd.
Door inflatie verliest een uitkering koopkracht. De overheid past de AOW jaarlijks aan.
Sam heeft van zijn opa leren naaien, en samen met zijn klasgenoot Noor bedenkt hij een klein plan: ze gaan voor andere leerlingen op school kapotte ritsen repareren en oude spijkerbroeken ombouwen tot tasjes. Maar zodra ze willen beginnen, merken ze dat ze daarvoor niet zomaar iets kunnen produceren — ze hebben productiefactoren nodig: de middelen die nodig zijn om producten en diensten te maken. Dat geldt voor hun reparatieservice net zo goed als voor een multinational als Jumbo.
Er zijn vier soorten productiefactoren: natuur, arbeid, kapitaal en ondernemerschap.
Noor en Sam produceren goederen en diensten — samen producten genoemd. Een goed is tastbaar, zoals het tasje dat ze maken uit een oude spijkerbroek. Een dienst is niet tastbaar: het repareren van een rits is een dienst, je kunt de reparatie zelf niet vastpakken.
Voor bijna alle producten zijn productiefactoren nodig om erover te kunnen beschikken. Zulke producten noem je schaarse goederen. Voor het tasje dat Noor ontwerpt zijn bijvoorbeeld stof, garen, een naaimachine en haar eigen arbeid nodig — het tasje is dus schaars.
Omdat productiefactoren beperkt zijn, kunnen ze niet overal tegelijk voor worden ingezet. Het garen dat Sam gebruikt om een rits vast te naaien, kan hij in die tijd niet ook gebruiken voor een ander tasje. De tijd die hij aan een reparatie besteedt, kan hij niet ook aan huiswerk besteden. Schaarste dwingt dus tot het maken van keuzes — en dat is precies de kern van het vak economie.
Sam zou het liefst een hele nieuwe naaimachine kopen, een eigen werkruimte huren én elk weekend vrij hebben om aan ontwerpen te werken. Dat kan allemaal niet: hij heeft maar een beperkt zakgeld en een beperkt aantal uren in de week. Mensen hebben allerlei behoeften: behoefte aan een nieuwe scooter, lekker eten, goede muziek, maar ook behoefte aan vriendschap of mooi weer. Het vak economie houdt zich alleen bezig met de behoeften die je probeert te bevredigen met schaarse goederen en diensten. Je behoefte aan zonnig weer of aan een leuke relatie hoort daar dus niet bij — daarvoor is namelijk geen keuzeprobleem nodig, want het zijn vrije "goederen".
De behoefte aan schaarse goederen en diensten is altijd groter dan de hoeveelheid middelen die mensen tot hun beschikking hebben. Denk aan een actie bij een winkel waarbij je één minuut gratis mag winkelen: binnen die minuut ligt je winkelwagentje overvol, want je behoeften zijn vrijwel onbeperkt. Zou je achteraf moeten afrekenen, dan zou je heel andere — en minder — keuzes maken, want je middelen zijn wél beperkt.
Sam's opa gebruikte zijn naaimachine vroeger alleen om zelf kleren te verstellen. Om zo goed mogelijk in je behoeften te voorzien, heb je namelijk twee mogelijkheden: je maakt het product zelf, of je koopt het.
Sam en Noor verhogen hun prijzen een beetje: een ritsreparatie gaat van €4 naar €4,60, en het ombouwen van een spijkerbroek tot tasje gaat van €8 naar €8,60. Bij welke van de twee stijgt de prijs relatief het hardst? In euro's is het verschil precies gelijk: allebei €0,60 meer. Maar zegt dat alles?
Door de stijging in procenten uit te drukken, krijg je een beter beeld van hoe groot een verandering werkelijk is ten opzichte van het bedrag waar je vandaan komt. Bij de ritsreparatie is dat €0,60 : €4 × 100% = 15%. Bij het tasje is het €0,60 : €8 × 100% = 7,5%. De ritsreparatie wordt dus relatief veel duurder, ook al is het bedrag in euro's hetzelfde.
Procenten kun je ook gebruiken om twee verschillende bedragen met elkaar te vergelijken — niet alleen om een verandering in de tijd te berekenen. Stel: Sam verdient in een week €20 met reparaties, Noor verdient €28. Is dat een groot verschil? Dat ligt eraan hoeveel ze allebei precies verdienen.
Het verschil is €8. Vergeleken met Sam's bedrag (€20) is dat €8 : €20 × 100% = 40% meer. Zou Sam €200 verdienen en Noor €208, dan is het verschil in euro's nog steeds €8 — maar procentueel nog maar €8 : €200 × 100% = 4%.
Noor verkoopt een omgebouwd tasje voor €18, een klasgenoot met een vergelijkbaar project verkoopt een soortgelijk tasje voor €16. Hoeveel procent meer krijgt Noor? Het verschil is €2. Het bedrag waarmee je vergelijkt, is de prijs van de klasgenoot. Dus: €2 : €16 × 100% = 12,5%.
Soms ken je wel het percentage, maar wil je weten hoeveel euro dat precies is — de absolute verandering. Sam en Noor's leverancier verhoogt de prijs van een rol garen van €240 (voor een grote voorraad) met 5%. Hoeveel euro gaat dat hen dan meer kosten?
Je rekent dan eerst uit hoeveel 1% is: €240 : 100 = €2,40. De verhoging is dan 5 × €2,40 = €12.
Vaak wil je weten hoeveel een bepaald deel van een totaal in euro's waard is, als je het percentage van dat deel al weet. Sam en Noor verdienen samen €50 in een week. Ze besteden 40% daarvan weer aan nieuw garen en stof. Hoeveel euro is dat?
Je rekent dan: het totale bedrag × percentage : 100. Dus: €50 × 40 : 100 = €20.
Procentpunten gebruik je wanneer de twee getallen waarmee je rekent, zelf ook al percentages zijn. Vorige maand was 80% van Sam en Noor's klanten tevreden over de reparatie, deze maand is dat 84%.
De procentuële stijging is dan 4 : 80 × 100% = 5%. Maar je kunt ook zeggen: de stijging is 84% − 80% = 4 procentpunt.
Stel dat de rente op je spaarrekening dit jaar 1,7% is. Banken kondigen aan dat de rente volgend jaar met 1 procentpunt stijgt. Wat is de nieuwe rente dan? Reken zelf uit: 1,7% + 1 procentpunt = 2,7%.
Noor merkt dat het aantal klasgenoten dat een reparatie laat doen, sterk afhangt van de prijs die zij en Sam ervoor vragen. Bij een lage prijs willen veel klasgenoten een reparatie; bij een hoge prijs vallen er klanten af. Deze relatie tussen prijs en de hoeveelheid die mensen willen kopen, leg je vast in een vraaglijn.
In de grafiek hieronder zie je de vraaglijn naar hun reparaties per maand. Bij een prijs van €4 willen 24 klasgenoten een reparatie. Bij een prijs van €8 willen nog maar 12 klasgenoten een reparatie — hoe hoger de prijs, hoe lager de gevraagde hoeveelheid.
De hoeveelheid bij een bepaalde prijs kun je aflezen in de grafiek, maar ook berekenen met de vergelijking van de vraaglijn: Qᵛ = −3P + 36. Bij een prijs van €6 is de gevraagde hoeveelheid dan: −3 × 6 + 36 = 18 reparaties.
Een vraaglijn is een verzameling prijzen met bijbehorende gevraagde hoeveelheid. Bij iedere prijs kun je op de vraaglijn aflezen hoeveel stuks consumenten willen kopen. Bij een prijsverandering kun je dus op de vraaglijn aflezen hoeveel de gevraagde hoeveelheid verandert.
Stel: de prijs van een reparatie stijgt van €5 naar €7. Op de vraaglijn in de grafiek zie je dat de gevraagde hoeveelheid daalt van 21 naar 15 reparaties per maand.
Het is ook mogelijk dat de vraaglijn zelf verschuift. Stel dat het zakgeld van klasgenoten gemiddeld stijgt, bijvoorbeeld doordat de meeste leerlingen een nieuw bijbaantje krijgen. Een stijgend inkomen heeft een positief effect op de koopkracht: ze kunnen meer goederen en diensten kopen. Bij dezelfde prijs zullen er dan meer reparaties gevraagd worden. Er is sprake van een verschuiving van de vraaglijn.
Er zijn verschillende oorzaken van een verschuiving van de vraaglijn:
Bij paragraaf 1 en 2 zijn de vraaglijn en de aanbodlijn los van elkaar besproken. In deze paragraaf komen vraag en aanbod bij elkaar. Samen bepalen ze de prijs op de markt.
Stel: behalve Sam en Noor begint ook Mert, een klasgenoot uit een parallelklas, met een vergelijkbare reparatieservice. In de grafiek hieronder zie je de vraaglijn en de aanbodlijn voor reparaties op de hele school. Bij een prijs van €10 worden er per maand 300 reparaties aangeboden, terwijl er 900 gevraagd worden. De gevraagde hoeveelheid is dan veel groter dan de aangeboden hoeveelheid: er is een vraagoverschot.
Bij een vraagoverschot kunnen niet alle geïnteresseerde klanten een reparatie laten doen. Een deel van de vragers is bereid om een hogere prijs te betalen om toch geholpen te worden. Vragers gaan dus ‘tegen elkaar opbieden’, waardoor de prijs stijgt. De prijs blijft stijgen totdat de gevraagde hoeveelheid gelijk is aan de aangeboden hoeveelheid. Dat is het geval bij een prijs van €20. Bij deze prijs kruisen de vraaglijn en de aanbodlijn elkaar: er is een marktevenwicht.
Bij een prijs voor reparaties boven de €20 zal het marktmechanisme er automatisch voor zorgen dat de marktprijs weer gelijk wordt aan de evenwichtsprijs. Bij een te hoge prijs is de aangeboden hoeveelheid groter dan de gevraagde hoeveelheid. Er is een aanbodoverschot.
In de grafiek hierboven zie je dat bij een prijs van €30 de aangeboden hoeveelheid (900 reparaties) veel groter is dan de gevraagde hoeveelheid (300 reparaties). Sam, Noor en Mert krijgen samen niet genoeg klanten en zijn bereid hun prijs te verlagen. De prijs zal dalen totdat de evenwichtsprijs is bereikt.
De evenwichtsprijs blijft €20, zolang de vraaglijn of de aanbodlijn niet verschuift. Verschuift de vraaglijn naar rechts, bijvoorbeeld doordat steeds meer leerlingen hun kleding willen laten repareren in plaats van weggooien, dan ontstaat bij €20 een vraagoverschot. Hierdoor zal de marktprijs stijgen tot de evenwichtsprijs is bereikt waarbij de aanbodlijn de nieuwe vraaglijn kruist.
Verschuift de aanbodlijn naar rechts, bijvoorbeeld doordat nóg een klasgenoot met een vergelijkbare reparatieservice begint, dan ontstaat bij €20 een aanbodoverschot. Daardoor daalt de prijs en ontstaat er een lagere evenwichtsprijs.
Stel: rond de feestdagen is een reparatie aan een wintervest erg gewild bij Sam en Noor. De vraag naar deze reparatie wordt gegeven door de vergelijking Qᵛ = −40P + 2.000 (Qᵛ = vraag naar de reparatie in aantal stuks, P = prijs per reparatie in euro’s).
Het marktevenwicht is het punt waar de gevraagde hoeveelheid gelijk is aan de aangeboden hoeveelheid. In het evenwicht zijn de uitkomsten van beide vergelijkingen aan elkaar gelijk: Qᵛ = Qᵃ.
Het aanbod van de wintervest-reparatie is gegeven met de vergelijking Qᵃ = 60P − 500. Om de evenwichtsprijs te berekenen, stel je de vraagfunctie en de aanbodfunctie aan elkaar gelijk:
Bij oefenopgaven moet je vaak herkennen of een nieuwe vergelijking een verschuiving van de lijn betekent, en in welke richting. Je herkent dit door de nieuwe vergelijking te vergelijken met de oude vergelijking.
Stel: de vraag naar de wintervest-reparatie verandert van Qᵛ = −40P + 2.000 naar Qᵛ = −40P + 2.500. Bij elke prijs is de gevraagde hoeveelheid nu 500 stuks hoger dan voorheen. De vraaglijn verschuift naar rechts — bijvoorbeeld doordat Sam en Noor's reparaties via een video op school populair zijn geworden.
Verandert de vergelijking in plaats daarvan naar Qᵛ = −60P + 2.000, dan blijft de gevraagde hoeveelheid bij P = 0 gelijk (2.000), maar reageert de vraag sterker op een prijsverandering: de lijn wordt steiler. Dit is geen verschuiving, maar een verandering van de helling van de lijn.
Lina ziet dagelijks klasgenoten een lege deodorantstick weggooien — een plastic koker die na gebruik meteen bij het afval verdwijnt. Ze ontwikkelt een alternatief: een navulbare deodorantroller. Je koopt één keer de roller, en vult hem daarna steeds bij met een klein navulzakje. Via de schoolwebshop test ze haar eerste 800 rollers.
Het aantal stuks dat een bedrijf verkoopt, is de afzet (q). De omzet van een bedrijf is de afzet vermenigvuldigd met de prijs (p) van het verkochte product. De omzet wordt ook totale opbrengst (TO) of verkoopwaarde genoemd. In formule: TO = p × q.
Bijvoorbeeld: Lina verkoopt 800 deodorantrollers met een prijs van €12,50 per stuk. De afzet is dan 800 stuks. De omzet is 800 × €12,50 = €10.000.
Van de omzet (totale opbrengst) moeten de totale kosten (TK) betaald worden. Het restant van de opbrengst is de totale winst (TW). Dus: totale opbrengst − totale kosten = totale winst. In formule: TO − TK = TW.
Bijvoorbeeld: de totale kosten van Lina's deodorantrollers zijn €6.000. De totale winst is dan €10.000 − €6.000 = €4.000.
De totale kosten zijn te verdelen in vaste kosten en variabele kosten.
Vaste kosten zijn kosten die niet afhangen van het aantal geproduceerde goederen of diensten. Lina huurt een klein opslagkastje op school om haar voorraad rollers en navulzakjes te bewaren — die huur moet ze ook betalen als ze een maand niks verkoopt. Andere voorbeelden van vaste kosten zijn de premie voor een verzekering en de kosten van haar website. Een ander woord voor vaste kosten is constante kosten.
Variabele kosten zijn kosten die wel afhangen van het aantal geproduceerde goederen of diensten. Voor Lina is het navulzakje met deodorant zelf een voorbeeld van variabele kosten. Maakt ze geen rollers, dan hoeft ze ook geen navulzakjes in te kopen. Stijgt het aantal verkochte rollers, dan stijgen de uitgaven aan navulzakjes mee.
De totale kosten per product noemen we de kostprijs van het product of de dienst. De kostprijs is afhankelijk van de hoeveelheid producten.
Blijven Lina's variabele kosten per product constant, dan daalt haar kostprijs als ze meer rollers verkoopt: de vaste kosten worden dan over meer stuks verdeeld. In de praktijk kunnen de variabele kosten per product wel veranderen, bijvoorbeeld door kwantumkorting bij een grotere inkoop van navulzakjes.
Voordat Lina haar eerste deodorantroller verkoopt, moet ze een aantal zaken regelen. Als startende ondernemer is het verstandig om informatie in te winnen bij de Kamer van Koophandel (KvK). Bij de KvK kun je veel te weten komen over vergunningen, wetgeving en btw.
De KvK adviseert startende ondernemers om een ondernemingsplan te maken. Lina schrijft daarin onder andere welke vergunningen ze nodig heeft, op welke markt ze wil opereren en hoeveel geld ze nodig denkt te hebben. Wil een startende ondernemer geld lenen bij een bank, dan is een goed ondernemingsplan ook daarvoor nodig.
De KvK houdt bovendien een handelsregister bij. In het handelsregister staan alle bedrijven ingeschreven, met hun belangrijkste gegevens. Schrijft Lina haar bedrijfje in, dan kan iedereen via het handelsregister opzoeken dat haar onderneming echt bestaat.
Wie voor zichzelf begint en geen werknemers in dienst heeft, wordt zzp'er genoemd: zelfstandige zonder personeel. Vaak worden zzp'ers ook aangeduid met freelancer. Freelancer en zzp'er zijn geen officiële begrippen. Voor de Belastingdienst zijn het ondernemers. Bij een freelance-opdracht krijgt de freelancer een opdracht van een opdrachtgever.
Ondernemer is een ruim begrip. Volgens de economieboeken combineert een ondernemer de productiefactoren natuur, arbeid en kapitaal om een product of dienst te maken waarmee geld (winst) verdiend wordt. Lina is volgens deze definitie dus een ondernemer.
De Belastingdienst heeft criteria om te beoordelen welke zzp'ers in Nederland ondernemer zijn. De belangrijkste criteria:
Ondernemers krijgen van de Belastingdienst speciale belastingvoordelen. Vanaf 2020 heeft de overheid de voordelen voor zelfstandigen wel beperkt: zo is de zelfstandigenaftrek de laatste jaren sterk verlaagd.
Wie een eigen zaak begint, staat voor een belangrijke vraag: welke ondernemingsvorm krijgt het bedrijf? De meeste mensen die een eigen bedrijfje beginnen, kiezen bij de start voor een eenmanszaak als ondernemingsvorm — net als Lina. Een eenmanszaak is een onderneming waarin één persoon, de eigenaar, de leiding heeft.
De Nederlandse wet maakt geen verschil tussen de onderneming en de eigenaar van de zaak. Je zegt dan: de eenmanszaak is geen rechtspersoon. Lina is dus zelf, met haar privévermogen, aansprakelijk. Als de zaak failliet gaat, moet zij de overblijvende schulden met haar privévermogen terugbetalen. Met andere woorden: de eigenaar is hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de onderneming.
Een tweede nadeel van de eenmanszaak is dat er meestal weinig geld beschikbaar is. Want er is maar één eigenaar die geld in de zaak kan steken. En banken zijn niet bereid om aan een eenmanszaak veel krediet te verstrekken: het voortbestaan van de zaak is ook slecht geregeld — als de eigenaar ziek wordt, ligt de zaak stil.
De eenmanszaak heeft ook voordelen. Één persoon heeft de leiding, dus die persoon kan snel beslissingen nemen. Alle winst is voor één persoon: de eigenaar.
Als iemand samen met een partner of een vriend een bedrijf wil beginnen, is een vennootschap onder firma (vof) mogelijk. Bij een vof zijn twee of meer personen eigenaar van één onderneming. De vennoten van een vof zijn, net als bij de eenmanszaak, ook met hun privévermogen aansprakelijk voor alle schulden van de vof. Want de vof is, net als de eenmanszaak, geen rechtspersoon.
De vof heeft een aantal voordelen ten opzichte van de eenmanszaak: de eigenaren kunnen overleggen, het werk kan verdeeld worden, er is meer geld beschikbaar (en banken willen aan een vof over het algemeen meer geld uitlenen dan aan een eenmanszaak), en als één vennoot ziek wordt, kan het werk doorgaan.
Bij een naamloze vennootschap (nv) wordt de waarde van het bedrijf in stukjes gehakt. De stukjes worden aandelen genoemd. Aandelen zijn vrij verhandelbaar en worden op de aandelenbeurs verhandeld. Wie een aandeel koopt, is voor een klein deel eigenaar van het bedrijf en krijgt als eigenaar per aandeel een winstuitkering, als de behaalde winst dat mogelijk maakt.
Er is een officiële scheiding tussen het eigendom van de zaak (de aandeelhouders) en de dagelijkse leiding (de directieleden in loondienst). Een nv is een rechtspersoon. Gaat de nv failliet, dan gaat alleen het bedrijf failliet: de aandeelhouders zijn niet hoofdelijk aansprakelijk. Zij kunnen niet meer verliezen dan de waarde van hun aandelen.
Een besloten vennootschap (bv) lijkt op een nv: ook bij een bv is het vermogen in aandelen verdeeld, en ook een bv is een rechtspersoon met een officiële scheiding tussen eigendom en leiding. Het verschil: de aandelen van een bv worden niet openbaar verkocht zoals bij een nv. Omdat de aandelen niet vrij overdraagbaar zijn, wordt deze vennootschap een besloten vennootschap genoemd.
| Vorm | Aantal eigenaren | Rechtspersoon? | Aansprakelijkheid eigenaar |
|---|---|---|---|
| Eenmanszaak | 1 | Nee | Hoofdelijk (privé) |
| Vof | 2 of meer | Nee | Hoofdelijk (privé) |
| Bv | 1 of meer (aandelen) | Ja | Beperkt tot aandelen |
| Nv | Veel (vrij verhandelbaar) | Ja | Beperkt tot aandelen |
Voordat Lina haar eerste navulbare deodorantroller verkoopt, moet ze eerst geld investeren. Net als elke startende ondernemer maakt ze daarom een investeringsbegroting. Met deze begroting maak je een inschatting van hoeveel geld je nodig hebt om de eigen zaak te kunnen beginnen.
De inventaris bestaat uit de apparatuur en spullen die Lina nodig heeft: een kleine vulmachine om de navulzakjes mee te vullen, een werktafel en wat opslagrekken. De voorraad goederen bestaat bij Lina's bedrijfje uit de eerste lading rollers en navulzakjes met deodorant die ze inkoopt voordat ze iets verkocht heeft. Daarnaast wil Lina een bedrag op haar zakelijke bankrekening hebben staan, en is er geld in de kas nodig om wisselgeld te kunnen geven op een marktdag.
Tel je deze posten bij elkaar op, dan krijg je het totale bedrag dat Lina nodig heeft om te kunnen beginnen: het totale vermogen.
| Post | Bedrag |
|---|---|
| Inventaris (vulmachine, werktafel, rekken) | € 1.800 |
| Voorraad goederen | € 600 |
| Banksaldo | € 400 |
| Geld in de kas | € 100 |
| Totale investering | € 2.900 |
Een investeringsbegroting geeft een goed overzicht van hoeveel geld er nodig is om een zaak te beginnen. Dat is nuttig voor Lina, maar ook voor een bank die misschien geld aan haar wil lenen. Maar de bank wil ook een tweede overzicht zien: de resultatenbegroting van het eerste jaar van de zaak. Een resultatenbegroting geeft een overzicht van de verwachte toekomstige kosten en opbrengsten. Hiermee kan de bank inschatten of Lina in staat is om een lening later weer terug te betalen.
Lina verkoopt in haar eerste jaar 800 deodorantrollers met een prijs van €12,50. Dat levert haar een omzet (inclusief btw) op. De btw moet ze afdragen aan de Belastingdienst, dat is geen omzet voor haar. Daarvan moet zij zelf de inkoopwaarde van de rollers en navulzakjes betalen. Dat noem je de inkoopwaarde van de omzet. Het verschil is de brutowinst.
Naast de inkoopwaarde van de omzet heeft Lina nog allerlei andere kosten: de huur van haar opslagkastje, de premie voor een verzekering, en de afschrijvingskosten op haar vulmachine (de waardevermindering omdat de machine ouder en minder waard wordt). Dit zijn bij elkaar de bedrijfskosten. De brutowinst verminderd met de bedrijfskosten is de nettowinst. Deze winst is het inkomen van Lina.
Uit deze uitleg volgen dus twee formules:
| Post | Bedrag |
|---|---|
| Omzet | € 10.000 |
| Inkoopwaarde van de omzet | € 3.600 |
| Brutowinst | € 6.400 |
| Bedrijfskosten | € 2.400 |
| Nettowinst | € 4.000 |
Verkoopt Lina haar deodorantroller voor €12,50 inclusief 9% btw, dan is niet het hele bedrag omzet voor haar. De btw moet ze afdragen aan de Belastingdienst. Om van een bedrag inclusief btw terug te rekenen naar een bedrag exclusief btw, deel je door 109% (1,09) en vermenigvuldig je met 100%.
Lina weet nu dat ze €2.900 nodig heeft om te beginnen (bron 1). Maar waar komt dat geld vandaan? Dat staat in haar financieringsplan.
Het geld dat Lina zelf als eigenaar in de zaak investeert, is het eigen vermogen van de zaak. Lina heeft €900 gespaard van oppasklusjes en steekt dat in haar bedrijfje. Het overige geld leent ze: van haar ouders en van twee vriendinnen. Geleend geld is het vreemd vermogen. Eigen vermogen en vreemd vermogen bij elkaar opgeteld is het totaal vermogen — precies het bedrag uit de investeringsbegroting.
| Post | Bedrag |
|---|---|
| Eigen vermogen Lina | € 900 |
| Lening ouders | € 1.500 |
| Lening van vriendinnen | € 500 |
| Totale financieringsbehoefte | € 2.900 |
Lina financiert haar bedrijfje dus voor een groot deel met vreemd vermogen: €2.000 : €2.900 = 69% van het totale vermogen is geleend geld. In de loop van de tijd kan het aandeel eigen vermogen toenemen:
Lina stelde in §4.1 een investeringsbegroting, resultatenbegroting en financieringsplan op. Dit alles om haar droom — een eigen deodorantroller-bedrijfje — werkelijkheid te laten worden. Met behulp van deze gegevens kan ze ook een balans opstellen die past bij de begrote cijfers. Deze balans geeft een overzicht van al haar bezittingen en schulden op het moment dat het bedrijfje van start gaat.
Een balans heeft een vaste indeling. Aan de linkerkant (debet) staan de bezittingen (activa) van het bedrijf. Aan de rechterkant (credit) staat hoe de bezittingen zijn gefinancierd (de passiva). Het verschil tussen bezittingen en schulden is het eigen vermogen van het bedrijf. Met het eigen vermogen wordt de balans in evenwicht gebracht.
| Debet (bezittingen) | Credit (schulden) | ||
|---|---|---|---|
| Vaste activa | Eigen vermogen | € 900 | |
| Inventaris | € 1.800 | Schulden op lange termijn | |
| Vlottende activa | Lening van ouders | € 1.500 | |
| Goederen | € 600 | Schulden op korte termijn | |
| Liquide middelen | Lening van vriendinnen | € 500 | |
| Betaalrekening | € 400 | ||
| Kas | € 100 | ||
| Totaal | € 2.900 | Totaal | € 2.900 |
Valt het je op? Dit zijn precies de bedragen uit Lina's investeringsbegroting (debet) en haar financieringsplan (credit) uit §4.1 — nu alleen samengevoegd in één overzicht.
Aan de debetzijde worden eerst de vaste activa opgesomd. De vaste activa zijn de bezittingen die langer dan één productieproces of één jaar meegaan. Lina's vulmachine gaat jaren mee en hoort dus bij de vaste activa.
De vlottende activa gaan maar één productieproces of korter dan één jaar mee. Bij Lina is dat bijvoorbeeld de voorraad navulzakjes met deodorant: deze kunnen maar één keer gebruikt worden en gaan dus maar één productieproces mee. De vulmachine zelf hoort echter bij de inventaris, omdat die juist wel jarenlang meegaat.
Als een klant bij Lina een deodorantroller koopt maar nog niet direct betaalt — bijvoorbeeld de schoolwinkel die op rekening bij haar bestelt — krijgt Lina een vordering op die klant en deze rekening mee. Zolang de rekening niet is betaald, valt het bedrag op de balans onder debiteuren. Debiteuren zijn klanten die hun rekening nog moeten betalen. Zodra de schoolwinkel het bedrag overmaakt, daalt op de balans van Lina het bedrag bij de post debiteuren en stijgt het bedrag op de betaalrekening.
Over de liquide middelen kan Lina direct beschikken. Zij kan op elk moment geld uit de kas of van haar bankrekening halen.
De rechterkant (creditzijde) laat zien hoe de bezittingen aan de debetzijde zijn gefinancierd. Aan de rechterkant staan de passiva: de schulden van de zaak en het eigen vermogen. De schulden noem je het vreemd vermogen.
Eerst worden de schulden op lange termijn opgesomd: het lang vreemd vermogen. Deze schulden hebben een looptijd langer dan één jaar. Lina heeft €1.500 van haar ouders geleend en betaalt dat over meerdere jaren terug — dat is dus lang vreemd vermogen.
Lina heeft ook schulden op korte termijn: het kort vreemd vermogen. Dit zijn schulden die binnen één jaar terugbetaald moeten worden. De €500 die ze van haar twee vriendinnen heeft geleend, moet ze nog dit jaar terugbetalen — dat is dus kort vreemd vermogen.
Koopt Lina op een later moment navulzakjes in bij haar leverancier, maar betaalt ze die rekening nog niet direct? Dan valt het bedrag van die rekening onder de post crediteuren. Crediteuren zijn leveranciers aan wie het bedrijf nog geld schuldig is. Crediteuren zijn dus het spiegelbeeld van debiteuren: bij debiteuren is Lina de schuldeiser, bij crediteuren is zij de schuldenaar.
Als Lina alle bezittingen zou verkopen en alle schulden zou aflossen, houdt ze het verschil tussen bezittingen en schulden over. Dit verschil is het eigen vermogen. In formule: totale bezittingen − totale schulden = eigen vermogen. Bij Lina's eerste balans: €2.900 − €2.000 (lening ouders + lening vriendinnen) = €900 eigen vermogen.
Een resultatenrekening geeft een overzicht van de opbrengsten, kosten en winst (of verlies) in het afgelopen jaar. Een ander woord voor resultatenrekening is winst-en-verliesrekening. Aan de debetzijde (linkerkant) van de resultatenrekening staan de kosten en de winst van het bedrijf. Aan de creditzijde (rechterkant) staan de opbrengsten.
Voorbeelden van kosten van Lina's deodorantroller-bedrijfje zijn: de inkoopwaarde van de omzet (de navulzakjes die zij zelf heeft ingekocht), de huur van haar opslagkastje, en de afschrijvingskosten op haar vulmachine (de waardevermindering van een vast bezit). Bron 1 is een eenvoudige resultatenrekening waarbij alle kosten en alle opbrengsten in één bedrag zijn samengebracht.
| Debet | Credit | ||
|---|---|---|---|
| Kosten | € 6.000 | Opbrengsten | € 10.000 |
| Winst | € 4.000 | ||
| Totaal | € 10.000 | Totaal | € 10.000 |
Niet alle uitgaven zijn kosten. Stel Lina koopt een tweede vulmachine voor €1.000 cash. Ze ontvangt in ruil voor het uitgegeven geld een machine, waardoor het bedrijf per saldo niet armer wordt. De afname bij het banksaldo is gelijk aan de toename bij de vaste activa, waardoor het eigen vermogen gelijk blijft. De aankoop zelf is dus geen kostenpost. Pas de slijtage aan de machine in de volgende jaren is wel een voorbeeld van kosten: de waarde van de machine daalt, maar er staat geen voordeel voor het bedrijf tegenover. De afschrijving op de machine verlaagt zo het eigen vermogen van het bedrijf.
De resultatenrekening wordt afgesloten door de winst aan de linkerkant (debetzijde) te plaatsen. Hierdoor wordt het totaal aan de debetzijde gelijk aan het totaal aan de creditzijde. De winst laat zien of het bedrijf goed heeft gepresteerd.
De absolute winst — gewoon het bedrag in euro's — zegt niet alles: een multinational behaalt waarschijnlijk meer winst dan een eenpersoonsbedrijfje, simpelweg omdat er veel meer geld in om gaat. Om te beoordelen of een bedrijf een goed resultaat heeft geboekt, kun je de winst vergelijken met het totaal vermogen (eigen vermogen + vreemd vermogen). De winst als percentage van het totaal vermogen laat zien hoeveel eurocent er aan winst wordt behaald op iedere euro die in het bedrijf is geïnvesteerd. Vergelijk dit met de rente op een spaarrekening: bij 4% rente maak je vier eurocent ‘winst’ op iedere ingelegde euro.
Stel iemand heeft €5.000 gespaard en moet kiezen: het geld op een spaarrekening zetten tegen 2,5% rente, of het als eigen vermogen in een eigen bedrijfje steken waarmee €200 winst per jaar wordt verwacht.
| Keuze | Opbrengst per jaar | Rendement |
|---|---|---|
| Spaarrekening (2,5% rente) | € 125 | 2,5% |
| Eigen bedrijf (winst €200) | € 200 | 4,0% |
Het eigen bedrijf levert een hoger rendement op — maar let op: bij een spaarrekening is het rendement zeker, terwijl een eigen bedrijf ook winst tegen kan vallen of zelfs verlies kan draaien. Een hoger rendement gaat meestal samen met een hoger risico.
De resultatenrekening als schakel tussen twee balansen. Je kunt de balans vergelijken met een foto, en de resultatenrekening met een film. De balans geeft, net als een foto, een momentopname: de bezittingen en schulden op één bepaald moment. De resultatenrekening laat als een film de gebeurtenissen in een jaar zien.
Lina begon haar bedrijfje met een eigen vermogen van €900 (de balans van 1 januari, zie §4.2). In haar eerste jaar behaalt ze €4.000 winst (de resultatenrekening van dit jaar, bron 1). Laat ze deze winst in de zaak zitten, dan is haar eigen vermogen op de balans van 1 januari het jaar daarna gegroeid naar €4.900. Zo is de resultatenrekening van een jaar de schakel tussen de balans aan het begin en de balans aan het einde van dat jaar.